12. Yuusuf (Jozef)

– In de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. –
Bismillahi rahmani rahim

1. Alif Laam Raa. Dit zijn de verzen van het Boek, dat alles verklaart:
Alif-lam-ra tilka ayatu alkitabi almubeenu

2. Wij hebben het geopenbaard – als de Arabische Koran- opdat jullie zullen begrijpen.
Inna anzalnahu qur-anan AAarabiyyan laAAallakum taAAqiloona

3. Wij vertellen jou het beste verhaal, aangezien Wij aan jou deze Koran hebben geopenbaard, hoewel je hiervóór behoorde tot degenen die zich niet bewust waren.
Nahnu naqussu AAalayka ahsana alqasasi bima awhayna ilayka hathaalqur-ana wa-in kunta min qablihi lamina alghafileena

4. Toen Jozef tot zijn vader zeide: “O mijn vader, (in mijn droom) zag ik elf sterren en de zon en de maan en ik zag ze zich voor mij nederwerpen.”
Ith qala yoosufu li-abeehi ya abati innee raaytu ahada AAashara kawkaban waalshshamsa waalqamara raaytuhum lee sajideena

5. Hij zeide: “O, mijn zoon, verhaal uw broedars uw droom niet, anders zullen zij plannen tegen u smeden, want Satan is een openlijke vijand der mensen.”
Qala ya bunayya la taqsus ru/yaka AAala ikhwatika fayakeedoo laka kaydan inna alshshaytana lil-insani AAaduwwun mubeenun

6. En zo zal jouw Heer jou verkiezen en jou de interpretatie van gezegden leren, en Zijn gunsten aan jou vervolmaken en aan de Kinderen van Jakob, zoals Hij ze hiervóór vervolmaakte voor jouw vaderen, Abraham en Isaak. Jouw Heer is waarlijk Wetend, Wijs.
Wakathalika yajtabeeka rabbuka wayuAAallimuka min ta/weeli al-ahadeethi wayutimmu niAAmatahu AAalayka waAAala ali yaAAqooba kama atammaha AAala abawayka min qablu ibraheema wa-ishaqa inna rabbaka AAaleemun hakeemun

7. Voorzeker, er zijn voor de zoekers (naar waarheid) tekenen in (de geschiedenis van) Jozef en zijn broeders.
Laqad kana fee yoosufa wa-ikhwatihi ayatun lilssa-ileena

8. Toen zij zeiden: “Voorwaar, Jozef en zijn broeder zijn onze vader liever dan wij, ofschoon wij een sterke groep zijn. Voorzeker, onze vader dwaalt openlijk.”
Ith qaloo layoosufu waakhoohu ahabbu ila abeena minna wanahnu AAusbatun inna abana lafee dalalin mubeenin

9. “Doodt Jozef of verdrijft hem naar een (ver) land, zodat uw vaders gunst uitsluitend voor u moge zijn, waarna gij een rechtvaardig volk zult worden.”
Oqtuloo yoosufa awi itrahoohu ardan yakhlu lakum wajhu abeekum watakoonoo min baAAdihi qawman saliheena

10. Eén hunner zeide: “Doodt Jozef niet, maar als gij iets moet doen werpt hem dan op de bodem van een diepe put; iemand uit een karavaan zal hem opnemen.”
Qala qa-ilun minhum la taqtuloo yoosufa waalqoohu fee ghayabati aljubbi yaltaqithu baAAdu alssayyarati in kuntum faAAileena

11. Zij zeiden: “O, onze vader, waarom vertrouwt gij ons niet aangaande Jozef, hoewel wij hem welgezind zijn?”
Qaloo ya abana ma laka la ta/manna AAala yoosufa wa-inna lahu lanasihoona

12. “Zend hem morgen met ons mede, opdat hij zich moge vermaken en spelen en wij zullen voorzeker zijn bewakers zijn.”
Arsilhu maAAana ghadan yartaAA wayalAAab wa-inna lahu lahafithoona

13. Hij zeide: “Het verdriet mij, dat gij hem zoudt medenemen en ik vrees, dat de wolf hem zal verslinden terwijl gij niet op hem let.”
Qala innee layahzununee an thathhaboo bihi waakhafu an ya/kulahu alththi/bu waantum AAanhu ghafiloona

14. Zij zeiden: “Indien de wolf hem zou verslinden terwijl wij een sterke groep vormen, dan zijn wij inderdaad de verliezers.”
Qaloo la-in akalahu alththi/bu wanahnu AAusbatun inna ithan lakhasiroona

15. Toen zij hem medenamen, kwamen zij overeen hem op de bodem van een diepe put neer te laten en Wij zonden hem een openbaring: “Gij; zult hun van deze zaak vertellen zonder dat zij het beseffen.”
Falamma thahaboo bihi waajmaAAoo an yajAAaloohu fee ghayabati aljubbi waawhayna ilayhi latunabi-annahum bi-amrihim hatha wahum layashAAuroona

16. En zij kwamen tot hun vader bij het vallen van de nacht, huilend.
Wajaoo abahum AAishaan yabkoona

17. En zeiden: “O, onze vader, wij hielden een wedloop en lieten Jozef met onze goederen achter en de wolf verslond hem; maar zelfs al spreken wij de waarheid, zult gij ons niet geloven.”
Qaloo ya abana inna thahabna nastabiqu watarakna yoosufa AAinda mataAAina faakalahu alththi/bu wama anta bimu/minin lana walaw kunna sadiqeena

18. En zij brachten zijn hemd met bloed, dat niet van hem was. Hij (Jacob) zeide: “Neen, gij hebt de zaak veel te licht opgevat. Daarom is geduld passend. En het is Allah Wiens hulp dient te worden gezocht over hetgeen gij beweert.”
Wajaoo AAala qameesihi bidamin kathibin qala bal sawwalat lakum anfusukum amran fasabrun jameelun waAllahu almustaAAanu AAalama tasifoona

19. Er kwam een karavaan langs en deze zond een waterputter, die zijn emmer nederliet. “O, goed nieuws,” zeide hij. “Hier is een jongeling.” En zij verborgen hem als een stuk koopwaar en Allah wist goed, wat zij deden.
Wajaat sayyaratun faarsaloo waridahum faadla dalwahu qala yabushra hatha ghulamun waasarroohu bidaAAatan waAllahu AAaleemun bima yaAAmaloona

20. Zij verkochten hem voor een lage prijs, een paar zilverstukken, want zij gaven niets om hem.
Washarawhu bithamanin bakhsin darahima maAAdoodatin wakanoo feehi mina alzzahideena

21. En de Egyptenaar, die hem kocht, zeide tot zijn vrouw: “Maak zijn verblijf behoorlijk. Het is waarschijnlijk dat hij ons van nut kan zijn, of dat wij hem als zoon aannemen.” En zo vestigden Wij Jozef in het land, opdat Wij hem in het verklaren der dingen mochten onderwijzen. Allah heeft macht over Zijn gebod, maar de meeste mensen weten het niet.
Waqala allathee ishtarahu min misra liimraatihi akrimee mathwahu AAasa an yanfaAAana aw nattakhithahu waladan wakathalika makkanna liyoosufa fee al-ardi walinuAAallimahu min ta/weeli al-ahadeethi waAllahu ghalibun AAala amrihi walakinna akthara alnnasi layaAAlamoona

22. Toen hij volwassen was, schonken Wij hem oordeel en kennis; zo belonen Wij de goeden.
Walamma balagha ashuddahu ataynahu hukman waAAilman wakathalika najzee almuhsineena

23. En zij, in wier huis hij was, zocht hem (tegen zijn wil) te verleiden. Zij grendelde de deuren en zeide: “Kom nu.” Hij antwoordde: “Dat verhoede Allah, hij is mijn heer. Hij heeft mijn verblijf waardig gemaakt. Voorwaar, de boosdoeners slagen nooit.”
Warawadat-hu allatee huwa fee baytiha AAan nafsihi waghallaqati al-abwaba waqalat hayta laka qala maAAatha Allahi innahu rabbee ahsana mathwaya innahu la yuflihu alththalimoona

24. En zij nam een besluit betreffende hem en hij nam een besluit betreffende haar. Als hij geen duidelijk teken van zijn Heer had gezien, (kon hij zo’n vastberadenheid niet hebben getoond). Zo kwam het dat Wij het kwaad en de onbetamelijkheid van hem mochten afwenden. Voorzeker hij was waarlijk een van Onze uitverkorenen dienaren.
Walaqad hammat bihi wahamma biha lawla an raa burhana rabbihi kathalika linasrifa AAanhu alssoo-a waalfahshaa innahu min AAibadinaalmukhlaseena

25. En zij holden beiden naar de deur en zij scheurde zijn hemd van achteren en zij ontmoetten haar echtgenoot aan de deur. Zij zeide: “Wat zal de straf zijn voor iemand die kwade bedoelingen had met uw vrouw, anders dan gevangenneming of een pijnlijke kastijding?”
Waistabaqa albaba waqaddat qameesahu min duburin waalfayasayyidaha lada albabi qalat ma jazao man arada bi-ahlika soo-an illa an yusjana aw AAathabun aleemun

26. Hij (Jozef) zeide: “Zij is het die mij tegen mijn wil zocht te verleiden.” En een familielid van haar getuigde: “Als zijn hemd van voren is gescheurd, heeft zij de waarheid gesproken en behoort hij tot de leugenaars,
Qala hiya rawadatnee AAan nafsee washahida shahidun min ahlihain kana qameesuhu qudda min qubulin fasadaqat wahuwa mina alkathibeena

27. Maar als zijn hemd van achteren is gescheurd, vertelt zij een leugen en behoort hij tot de waarheidlievende.
Wa-in kana qameesuhu qudda min duburin fakathabat wahuwa mina alssadiqeena

28. Toen hij (haar man) zag dat zijn hemd van achteren was gescheurd, zeide hij: “Dit is zeker een list van u, vrouwen. Uw list is inderdaad sterk.”
Falamma raa qameesahu qudda min duburin qala innahu min kaydikunna inna kaydakunna AAatheemun

29. “O, Jozef, wend u hiervan af en gij (vrouw), vraag vergiffenis voor uw zonde. Gij behoort zeker tot de schuldigen.”
Yoosufu aAArid AAan hatha waistaghfiree lithanbiki innaki kunti mina alkhati-eena

30. En de vrouwen in de stad zeiden: “De vrouw van Aziez zoekt haar slaaf tegen zijn wil te verleiden. Hij heeft haar met verliefdheid vervuld. Wij zien haar inderdaad klaarblijkelijk dwalen.”
Waqala niswatun fee almadeenati imraatu alAAazeezi turawidu fataha AAan nafsihi qad shaghafaha hubban inna lanaraha fee dalalin mubeenin

31. En toen zij van hun plannen hoorde, nodigde zij haar uit en bereidde haar een maaltijd en gaf ieder een mes en zeide dan (tot Jozef): “Ga naar hen toe.” En toen zij hem zagen achtten zij hem grotelijks en zij sneden zich in de handen en zeiden: “Allah zij verheerlijkt. Dit is geen mens, dit is een edele engel.”
Falamma samiAAat bimakrihinna arsalat ilayhinna waaAAtadat lahunna muttakaan waatat kulla wahidatin minhunna sikkeenan waqalati okhruj AAalayhinna falamma raaynahu akbarnahu waqattaAAna aydiyahunna waqulna hasha lillahi ma hatha basharan in hatha illamalakun kareemun

32. Zij zeide: “Dit is hij nu over wie gij mij beschuldigdet, ik zocht hem werkelijk tegen zijn wil te verleiden, maar hij redde zich. En als hij nu niet doet wat ik hem verzoek, zal hij zeker gevangen genomen en vernederd worden.”
Qalat fathalikunna allathee lumtunnanee feehi walaqad rawadtuhu AAan nafsihi faistAAsama wala-in lam yafAAal ma amuruhu layusjananna walayakoonan mina alssaghireena

33. Hij (Jozef) zeide: “O mijn Heer, ik zou de gevangenis verkiezen boven hetgeen waartoe zij mij roepen; tenzij Gij haar list van mij afwendt zal ik mij tot haar neigen en tot de onwetenden behoren.”
Qala rabbi alssijnu ahabbu ilayya mimma yadAAoonanee ilayhi wa-illa tasrif AAannee kaydahunna asbu ilayhinna waakun mina aljahileena

34. Daarom verhoorde zijn Heer zijn gebed en wendde hun list van hem af. Voorwaar, Hij is de Alhorende, de Alwetende.
Faistajaba lahu rabbuhu fasarafa AAanhu kaydahunna innahu huwa alssameeAAu alAAaleemu

35. Dus kwam het hun (mannen) voor, nadat zij de tekenen van zijn onschuld hadden gezien, dat zij hem voor een tijd gevangen moesten nemen.
Thumma bada lahum min baAAdi ma raawoo al-ayati layasjununnahu hatta heenin

36. En er gingen met hem twee jonge mannen de gevangenis binnen. Een hunner zeide: “Ik zag mij wijn persen.” En de andere zeide: “Ik zag mij in een droom brood op mijn hoofd dragen waarvan de vogelen aten. Geef ons de verklaring er van, voorzeker, wij zien dat gij tot de goeden behoort.”
Wadakhala maAAahu alssijna fatayani qala ahaduhuma innee aranee aAAsiru khamran waqala al-akharu innee aranee ahmilu fawqa ra/see khubzan ta/kulu alttayru minhu nabbi/na bita/weelihi inna naraka mina almuhsineena

37. Hij antwoordde: “Het voedsel, dat u wordt gegeven, zal niet tot u komen, voordat ik u de verklaring er van heb gegeven. Dit is naar aanleiding van hetgeen mijn Heer mij heeft onderwezen. Ik heb van de godsdienst van het volk dat niet in Allah en in het Hiernamaals gelooft, afstand gedaan.
Qala la ya/teekuma taAAamun turzaqanihi illa nabba/tukumabita/weelihi qabla an ya/tiyakuma thalikuma mimma AAallamanee rabbee innee taraktu millata qawmin la yu/minoona biAllahi wahum bial-akhirati hum kafiroona

38. “En ik volg de godsdienst van mijn vaderen, Abraham, Izaak en Jacob. Het betaamt ons niet dat wij iets met Allah vereenzelvigen. Dit behoort tot Allah’s genade voor ons en de mensheid, maar de meeste mensen zijn niet dankbaar.”
WaittabaAAtu millata aba-ee ibraheema wa-ishaqa wayaAAqooba ma kana lana an nushrika biAllahi min shay-in thalika min fadli Allahi AAalayna waAAala alnnasi walakinna akthara alnnasi la yashkuroona

39. “O mijn twee medegevangenen, zijn verscheidene heren beter, of Allah de Ene, de Allerhoogste?”
Ya sahibayi alssijni aarbabun mutafarriqoona khayrun ami Allahu alwahidu alqahharu

40. “Gij aanbidt naast Allah niets, dan ijdele namen die gij hebt uitgedacht, gij en uw vaderen; Allah heeft daar geen gezag voor nedergezonden. De beslissing berust bij Allah alleen. Hij heeft bevolen dat gij naast Hem niets zult aanbidden. Dit is de juiste godsdienst, maar de meeste mensen beseffen het niet.”
Ma taAAbudoona min doonihi illa asmaan sammaytumooha antum waabaokum ma anzala Allahu biha min sultanin ini alhukmu illa lillahi amara alla taAAbudoo illa iyyahu thalika alddeenu alqayyimu walakinna akthara alnnasi la yaAAlamoona

41. “O mijn twee medegevangenen, wat één uwer betreft, hij zal wijn voor zijn Heer schenken en wat de ander betreft, hij zal worden gekruisigd, zodat de vogels van zijn hoofd zullen eten. De zaak waarover gij hebt gevraagd, is besloten.”
Ya sahibayi alssijni amma ahadukuma fayasqee rabbahu khamran waamma al-akharu fayuslabu fata/kulu alttayru min ra/sihi qudiya al-amru allathee feehi tastaftiyani

42. En hij zeide tot degene van hen, van wie hij wist dat hij bevrijd zou worden: “Vermeld mij bij uw heer.” Maar Satan deed hem vergeten het aan zijn heer te zeggen daarom bleef hij voor enige jaren in de gevangenis.
Waqala lillathee thanna annahu najin minhuma othkurnee AAinda rabbika faansahu alshshaytanu thikra rabbihi falabitha fee alssijni bidAAa sineena

43. En de koring (van Egypte) zeide: “Ik zag zeven vette koeien, die door zeven magere koeien werden verslonden en zeven groene korenaren en zeven verwelkte aren. O gij leiders, legt mij de betekenis van mijn droom uit als gij een droom kunt verklaren.”
Waqala almaliku innee ara sabAAa baqaratin simanin ya/kuluhunna sabAAun AAijafun wasabAAa sunbulatin khudrin waokhara yabisatin ya ayyuha almalao aftoonee fee ru/yaya in kuntum lilrru/yataAAburoona

44. Zij antwoordden: “Het zijn verwarde dromen en wij kennen de verklaring van zulke dromen niet.”
Qaloo adghathu ahlamin wama nahnu bita/weeli al-ahlami biAAalimeena

45. En degene van de twee die bevrijd was, herinnerde zich na enige tijd Jozef, en zeide toen: “Ik zal u de verklaring er van laten weten, zend mij daarom.”
Waqala allathee naja minhuma waiddakara baAAda ommatin anaonabbi-okum bita/weelihi faarsilooni

46. “O, Jozef! gij man der waarheid, leg ons de betekenis uit van zeven vette koeien die door zeven magere worden verslonden en van zeven groene korenaren en andere verwelkte aren opdat ik tot het volk moge terugkeren, zodat zij mogen weten.”
Yoosufu ayyuha alssiddeequ aftina fee sabAAi baqaratin simanin ya/kuluhunna sabAAun AAijafun wasabAAi sunbulatin khudrin waokhara yabisatin laAAallee arjiAAu ila alnnasi laAAallahum yaAAlamoona

47. Hij antwoordde: “Gij zult zeven jaren lang voortdurend zaaien en wat gij maait in de aar laten, met uitzondering van een weinig, dat gij zult eten.”
Qala tazraAAoona sabAAa sineena daaban fama hasadtum fatharoohu fee sunbulihi illa qaleelan mimma ta/kuloona

48. “Dan zullen er nadien zeven harde jaren komen, die al hetgeen gij van te voren hebt opgeslagen zullen verteren, met uitzondering van een weinig dat gij zult bewaren.”
Thumma ya/tee min baAAdi thalika sabAAun shidadun ya/kulna maqaddamtum lahunna illa qaleelan mimma tuhsinoona

49. “Dan zal er nadien een jaar komen, waarin de mensen zullen worden geholpen en waarin zij (vruchten) zullen persen.”
Thumma ya/tee min baAAdi thalika AAamun feehi yughathu alnnasu wafeehi yaAAsiroona

50. En de koning zeide: “Brengt hem tot mij.” Maar toen de boodschapper tot hem (Jozef) kwam, zeide hij: “Ga terug naar uw heer en vraag hem hoe het met de vrouwen is gesteld die zich in de handen sneden, voorzeker mijn Heer kent haar sluwe plan goed.”
Waqala almaliku i/toonee bihi falamma jaahu alrrasoolu qala irjiAA ila rabbika fais-alhu ma balu alnniswati allatee qattaAAna aydiyahunna inna rabbee bikaydihinna AAaleemun

51. Hij, (de koning) zeide tot de vrouwen: “Wat was het geval met u toen gij Jozef tegen zijn wil zocht te verleiden?” Zij zeiden: “Allah zij verheerlijkt. Wij hebben geen kwaad van hem geweten.” De vrouw van de Aziez zeide: “Nu is de waarheid aan het licht gekomen. Ik was het die hem tegen zijn wil zocht te verleiden en hij behoort zeker tot de waarachtigen.”
Qala ma khatbukunna ith rawadtunna yoosufa AAan nafsihi qulnahasha lillahi ma AAalimna AAalayhi min soo-in qalati imraatu alAAazeezi al-ana hashasa alhaqqu ana rawadtuhu AAan nafsihi wa-innahu lamina alssadiqeena

52. “Dit is, opdat hij moge weten dat ik hem in zijn afwezigheid niet ontrouw was en dat Allah het plan van de ontrouwe mensen niet laat slagen.”
Thalika liyaAAlama annee lam akhunhu bialghaybi waanna Allaha la yahdee kayda alkha-ineena

53. “En ik verklaar mijzelf niet vrij (van zwakheid) te zijn, want het menselijke, ik’ spoort tot het kwade aan, uitgezonderd dat waarover mijn Heer barmhartigheid betoont. Voorzeker, mijn Heer is Vergevensgezind, Genadevol.”
Wama obarri-o nafsee inna alnnafsa laammaratun bialssoo-i illa marahima rabbee inna rabbee ghafoorun raheemun

54. En de koning zeide: “Brengt hem bij mij, ik wil hem voor mijzelf houden.” En toen hij tot hem (Jozef) had gesproken, zeide hij: “Gij zijt van deze dag af een man van positie en vertrouwen bij ons.”
Waqala almaliku i/toonee bihi astakhlishu linafsee falammakallamahu qala innaka alyawma ladayna makeenun ameenun

55. Hij antwoordde: “Stel mij aan over de schatten van het land want ik ben een deskundig bewaarder.”
Qala ijAAalnee AAala khaza-ini al-ardi innee hafeethun AAaleemun

56. En zo vestigden Wij Jozef in het land. Hij vertoefde er in, waar hij ook wilde. Wij schenken Onze barmhartigheid aan wie Ons behaagt en Wij laten het loon Aer rechtvaardigen niet te gronde gaan.
Wakathalika makanna liyoosufa fee al-ardi yatabawwao minhahaythu yashao nuseebu birahmatina man nashao wala nudeeAAu ajra almuhsineena

57. En het loon van het Hiernamaals is zeker beter voor degenen die geloven en God vrezen.
Walaajru al-akhirati khayrun lillatheena amanoo wakanoo yattaqoona

58. En Jozefs broeders kwamen en gingen bij hem binnen en hij herkende hen, maar zij herkenden hem niet.
Wajaa ikhwatu yoosufa fadakhaloo AAalayhi faAAarafahum wahum lahu munkiroona

59. En toen hij hen van levensmiddelen had voorzien, zeide hij: “Brengt mij uw broeder van vaderskant. Ziet gij niet, dat ik u met volle maat geef en dat ik een goed gastheer ben?”
Walamma jahhazahum bijahazihim qala i/toonee bi-akhin lakum min abeekum ala tarawna annee oofee alkayla waana khayru almunzileena

60. “Maar indien gij hem niet tot mij brengt dan zal er van mij geen maat (koren) voor u zijn noch zult gij in mijn nabijheid komen.”
Fa-in lam ta/toonee bihi fala kayla lakum AAindee wala taqrabooni

61. Zij antwoordden: “Wij zullen trachten zijn vader hiertoe over te halen, wij zullen het voorzeker kunnen doen.”
Qaloo sanurawidu AAanhu abahu wa-inna lafaAAiloona

62. En hij (Jozef) zeide tot zijn dienaren: “Stopt hun geld in de zadeltassen, dat zij het mogen herkennen, wanneer zij tot hun familie terugkeren, opdat zij terug mogen komen.”
Waqala lifityanihi ijAAaloo bidaAAatahum fee rihalihim laAAallahum yaAArifoonaha itha inqalaboo ila ahlihim laAAallahum yarjiAAoona

63. En toen zij tot hun vader terugkeerden, zeiden zij: “Onze vader, een (verdere) maat is ons ontzegd, zend daarom onze broeder met ons mede, opdat wij onze maat (koren) mogen verkrijgen en wij zullen zeker op hem passen.”
Falamma rajaAAoo ila abeehim qaloo ya abana muniAAa minnaalkaylu faarsil maAAana akhana naktal wa-inna lahu lahafithoona

64. Hij (Jacob) antwoordde: “Zal ik u hem toevertrouwen, zoals ik u voorheen zijn broeder toevertrouwde? Maar Allah is de beste Beschermer en Hij is de Genadigste der genadigen.
Qala hal amanukum AAalayhi illa kama amintukum AAala akheehi min qablu faAllahu khayrun hafithan wahuwa arhamu alrrahimeena

65. En toen zij hun reisgoederen openden, vonden zij hun geld aan hen teruggegeven. Zij riepen uit: “O, onze vader, wat kunnen wij meer wensen? Hier is ons geld aan ons teruggegeven. Wij zullen (nogmaals) koren voor onze familie halen en op onze broeder passen en wij zullen als toegift de maat van een kameellast ontvangen. Dat is een maat die gemakkelijk verkrijgbaar is.”
Walamma fatahoo mataAAahum wajadoo bidaAAatahum ruddat ilayhim qaloo ya abana ma nabghee hathihi bidaAAatuna ruddat ilaynawanameeru ahlana wanahfathu akhana wanazdadu kayla baAAeerinthalika kaylun yaseerun

66. Hij (Jacob) zeide: “Ik zal hem niet met u medezenden voordat gij mij een ernstige belofte aflegt in de naam van Allah, dat gij hem zeker tot mij zult brengen tenzij gij allen omsingeld zoudt worden.” En toen zij de belofte hadden afgelegd, zeide hij: “Allah waakt over hetgeen wij zeggen.”
Qala lan orsilahu maAAakum hatta tu/tooni mawthiqan mina Allahi lata/tunnanee bihi illa an yuhata bikum falamma atawhu mawthiqahum qala Allahu AAala ma naqoolu wakeelun

67. En hij zeide: “O mijn zonen, gaat niet door één poort binnen maar gaat door verschillende poorten binnen; en ik kan u in niets tegen Allah helpen. De beslissing berust alleen bij Allah. In Hem stel ik mijn vertrouwen en laat allen die willen vertrouwen, alleen in Hem hun vertrouwen stellen.”
Waqala ya baniyya la tadkhuloo min babin wahidin waodkhuloo min abwabin mutafarriqatin wama oghnee AAankum mina Allahi min shay-in ini alhukmu illa lillahi AAalayhi tawakkaltu waAAalayhi falyatawakkali almutawakkiloona

68. Maar toen zij (de stad) binnen gingen zoals hun vader hen had bevolen, kon hen dit tegen Allah toch niets baten; het was slechts dat Jacob zijn zin gedaan kreeg, want hij had voorzeker grote kennis, omdat Wij hem hadden onderwezen, maar de meeste mensen weten het niet.
Walamma dakhaloo min haythu amarahum aboohum ma kana yughnee AAanhum mina Allahi min shay-in illa hajatan fee nafsi yaAAqooba qadaha wa-innahu lathoo AAilmin lima AAallamnahu walakinna akthara alnnasi la yaAAlamoona

69. En toen zij Jozef bezochten, huisvestte deze zijn broeder bij zich. En hij zeide: “Ik ben uw broeder, treur daarom niet over hetgeen zij hebben gedaan.”
Walamma dakhaloo AAala yoosufa awa ilayhi akhahu qala innee ana akhooka fala tabta-is bima kanoo yaAAmaloona

70. En toen hij hen van hun provisie had voorzien, legde hij een drinkbeker in zijn broeders zadeltas. Toen riep een omroeper: “O, karavaan, gij zijt waarlijk dieven.”
Falamma jahhazahum bijahazihim jaAAala alssiqayata fee rahli akheehi thumma aththana mu-aththinun ayyatuha alAAeeru innakum lasariqoona

71. Zij vroegen, zich tot hem wendend: “Wat mist gij?”
Qaloo waaqbaloo AAalayhim matha tafqidoona

72. Men antwoordde: “Wij missen des konings maatkop en wie hem brengt zal een kameellast koren ontvangen en ik ben er borg voor.”
Qaloo nafqidu suwaAAa almaliki waliman jaa bihi himlu baAAeerin waana bihi zaAAeemun

73. Zij antwoordden: “Bij Allah, gij weet goed, dat wij niet kwamen om slecht in het land te handelen en wij zijn geen dieven.”
Qaloo taAllahi laqad AAalimtum ma ji/na linufsida fee al-ardi wamakunna sariqeena

74. Zij (de Egyptenaren) zeiden: “Wat zal er dan de straf voor zijn als gij leugenaars zijt?”
Qaloo fama jazaohu in kuntum kathibeena

75. Zij antwoordden: “De straf er voor zal zijn: hij, in wiens zadeltas ze wordt gevonden zal zelf de boete er voor zijn. Zo straffen wij de boosdoeners.”
Qaloo jazaohu man wujida fee rahlihi fahuwa jazaohu kathalika najzee alththalimeena

76. Daarna begon hij met (het onderzoek van) hun tassen alvorens de tas van zijn broeder (te onderzoeken); dan nam men hem (drinkbeker) uit zijn broeders tas. Zo maakten Wij plannen voor Jozef. Hij kon zijn broeder volgens de wet van de koning (van Egypte) niet houden, tenzij Allah het zo had gewild. Wij bevorderen in graden (van kennis en eer) wie Wij willen. Boven elke wetende staat de Alwetende.
Fabadaa bi-awAAiyatihim qabla wiAAa-i akheehi thumma istakhrajaha min wiAAa-i akheehi kathalika kidna liyoosufa ma kana liya/khutha akhahu fee deeni almaliki illa an yashaa Allahu narfaAAu darajatin man nashao wafawqa kulli thee AAilmin AAaleemun

77. Zij (zijn broeders) zeiden: “Als deze heeft gestolen, had zijn broeder voorheen ook diefstal gepleegd.” Maar Jozef hield het in zijn hart geheim en onthulde het hun niet. Hij zeide: “Gij verkeert in een slechte toestand. Allah weet het beste wat gij beweert.”
Qaloo in yasriq faqad saraqa akhun lahu min qablu faasarrahayoosufu fee nafsihi walam yubdiha lahum qala antum sharrun makanan waAllahu aAAlamu bima tasifoona

78. Zij zeiden: “O Aziez, hij heeft een zeer oude vader, neem daarom één onzer in zijn plaats, want wij zien dat gij tot degenen behoort die goed doen.”
Qaloo ya ayyuha alAAazeezu inna lahu aban shaykhan kabeeran fakhuth ahadana makanahu inna naraka mina almuhsineena

79. Hij (Jozef) zeide: “Allah verhoede, dat wij iemand anders dan hem zouden nemen bij wie wij ons eigendom vonden; want dan zouden wij zeker onrechtvaardig zijn.”
Qala maAAatha Allahi an na/khutha illa man wajadna mataAAanaAAindahu inna ithan lathalimoona

80. En toen zij wanhoopten trokken zij zich terug om in afzondering te beraadslagen. De oudste zeide: “Weet gij niet, dat uw vader een plechtige belofte in de naam van Allah van u heeft genomen en hoe gij voorheen in uw plicht tegenover Jozef hebt gefaald? Ik zal het land daarom niet verlaten voordat mijn vader het mij toestaat, of Allah voor mij beslist en Hij is de beste Beoordelaar.”
Falamma istay-asoo minhu khalasoo najiyyan qala kabeeruhum alam taAAlamoo anna abakum qad akhatha AAalaykum mawthiqan mina Allahi wamin qablu ma farrattum fee yoosufa falan abraha al-arda hattaya/thana lee abee aw yahkuma Allahu lee wahuwa khayru alhakimeena

81. “Keert gij tot uw vader terug en zegt: ‘Onze vader uw zoon heeft gestolen en wij hebben alleen hetgeen wij wisten vermeld en wij konden waarlijk over het ongeziene niet waken.’
IrjiAAoo ila abeekum faqooloo ya abana inna ibnaka saraqa wamashahidna illa bima AAalimna wama kunna lilghaybi hafitheena

82. ‘En vraag het volk der stad waarin wij waren en de karavaan waarmede wij reisden en wij spreken voorzeker de waarheid.'”
Wais-ali alqaryata allatee kunna feeha waalAAeera allatee aqbalnafeeha wa-inna lasadiqoona

83. Hij (hun vader) zeide: “Neen, uw ziel heeft een groot iets voor u gering gemaakt. Daarom is geduld passend. Het is mogelijk, dat Allah hen allen te zamen tot mij zal brengen; waarlijk Hij is de Alwetende, de Alwijze.”
Qala bal sawwalat lakum anfusukum amran fasabrun jameelun AAasa Allahu an ya/tiyanee bihim jameeAAan innahu huwa alAAaleemu alhakeemu

84. En hij wendde zich van hen af en zeide: “O ik heb verdriet over Jozef.” En zijn ogen werden gevuld met tranen van smart doch hij bedwong zich.
Watawalla AAanhum waqala ya asafa AAala yoosufa waibyaddat AAaynahu mina alhuzni fahuwa katheemun

85. Zij zeiden: “Bij Allah, gij zult niet ophouden over Jozef te praten, totdat gij zijt weggekwijnd of totdat gij te gronde gaat.”
Qaloo taAllahi taftao tathkuru yoosufa hatta takoona haradan aw takoona mina alhalikeena

86. Hij antwoordde: “Ik klaag alleen over mijn zorg en verdriet tot Allah en ik weet van Allah, wat gij niet weet.”
Qala innama ashkoo baththee wahuznee ila Allahi waaAAlamu mina Allahi ma la taAAlamoona

87. “O mijn zonen, gaat en zoekt naar Jozef en zijn broeder en wanhoopt niet aan de genade van Allah, want niemand wanhoopt aan Allah’s barmhartigheid dan het ongelovige volk.”
Ya baniyya ithhaboo fatahassasoo min yoosufa waakheehi wala tay-asoo min rawhi Allahi innahu la yay-asu min rawhi Allahi illa alqawmu alkafiroona

88. En toen zij (opnieuw) voor hem (Jozef) kwamen, zeiden zij: “O, Aziez, armoede heeft ons en onze familie getroffen en wij hebben een armzalige geldsom meegebracht, geef ons daarvoor de volle maat en wees liefdadig. Voorzeker, Allah beloont de liefdadigen.”
Falamma dakhaloo AAalayhi qaloo ya ayyuha alAAazeezu massanawaahlana alddurru waji/na bibidaAAatin muzjatin faawfi lana alkayla watasaddaq AAalayna inna Allaha yajzee almutasaddiqeena

89. Hij zeide: “Weet gij wat gij Jozef en zijn broeder aandeedt, toen gij onwetend waart?”
Qala hal AAalimtum ma faAAaltum biyoosufa waakheehi ith antum jahiloona

90. Zij vroegen. “Zijt gij dan Jozef?” Hij zeide: “Ik ben Jozef en dit is mijn broeder. Allah is ons inderdaad genadig geweest. Voorwaar, wie godvrezend en geduldig is – Allah doet het loon der goeden nooit verloren gaan.”
Qaloo a-innaka laanta yoosufa qala ana yoosufu wahatha akhee qad manna Allahu AAalayna innahu man yattaqi wayasbir fa-inna Allaha layudeeAAu ajra almuhsineena

91. Zij antwoordden: “Bij Allah, waarlijk Allah heeft u boven ons verkozen en wij zijn inderdaad zondaren geweest.”
Qaloo taAllahi laqad atharaka Allahu AAalayna wa-in kunnalakhati-eena

92. Hij (Jozef) zeide: “Heden zij er geen verwijt tegen u: Moge Allah u vergeven, Hij is de Genadigste der genadigen.”
Qala la tathreeba AAalaykumu alyawma yaghfiru Allahu lakum wahuwa arhamu alrrahimeena

93. “Gaat met dit hemd van mij en legt het voor het aangezicht van mijn vader neder; hij zal het begrijpen. En brengt mij uw gehele familie.”
Ithhaboo biqameesee hatha faalqoohu AAala wajhi abee ya/ti baseeran wa/toonee bi-ahlikum ajmaAAeena

94. En toen de karavaan (uit Egypte) vertrok, zeide hun vader: “Ik bemerk voorzeker de geur van Jozef, zelfs al ziet gij mij voor zwakzinnig aan.”
Walamma fasalati alAAeeru qala aboohum innee laajidu reeha yoosufa lawla an tufannidooni

95. Zij antwoordden: “Bij Allah, gij houdt zeker aan uw oude dwaling vast.”
Qaloo taAllahi innaka lafee dalalika alqadeemi

96. En toen de drager van de blijde tijding kwam, legde hij het (hemd) voor hem (Jacob) neder zodat hij zekerheid verkreeg. Dan riep hij uit: “Zei ik u niet: ‘Ik weet van Allah wat gij niet weet’?”
Falamma an jaa albasheeru alqahu AAala wajhihi fairtadda baseeran qala alam aqul lakum innee aAAlamu mina Allahi ma la taAAlamoona

97. Zij antwoordden: “O, onze vader, vraag voor ons vergiffenis voor onze zonden: wij zijn inderdaad zondaren geweest.”
Qaloo ya abana istaghfir lana thunoobana inna kunna khati-eena

98. Hij (Jacob) zeide: “Ik zal mijn Heer om vergiffenis voor u vragen. Voorzeker, Hij ls de Vergevensgezinde, de Genadevolle.”
Qala sawfa astaghfiru lakum rabbee innahu huwa alghafooru alrraheemu

99. En toen zij tot Jozef kwamen, huisvestte hij zijn ouders bij zich en zeide: “Komt zoals het Allah behaagt Egypte in vrede binnen.”
Falamma dakhaloo AAala yoosufa awa ilayhi abawayhi waqala odkhuloo misra in shaa Allahu amineena

100. Hij hief zijn ouders op de troon en zij wierpen zich voor hem neder. En hij zeide: “O mijn vader, dit is de vervulling van mijn vroegere droom. Mijn Heer heeft deze verwezenlijkt. En Hij schonk mij een gunst toen Hij mij uit de gevangenis verloste en u uit de woestijn bracht, nadat Satan tweedracht tussen mij en mijn broeders had gezaaid. Voorzeker, mijn Heer is goedertieren voor wie Hij wil. Waarlijk, Hij is de Alwetende, de Alwijze.”
WarafaAAa abawayhi AAala alAAarshi wakharroo lahu sujjadan waqala ya abati hatha ta/weelu ru/yaya min qablu qad jaAAalaha rabbeehaqqan waqad ahsana bee ith akhrajanee mina alssijni wajaa bikum mina albadwi min baAAdi an nazagha alshshaytanu baynee wabayna ikhwatee inna rabbee lateefun lima yashao innahu huwa alAAaleemu alhakeemu

101. “O, mijn Heer, Gij hebt mij macht gegeven en de verklaring van dromen onderwezen. O, Schepper der hemelen en der aarde, Gij zijt mijn Beschermer in deze wereld en in het Hiernamaals. Doe mij sterven als Moslim en verenig mij met de rechtvaardigen.”
Rabbi qad ataytanee mina almulki waAAallamtanee min ta/weeli al-ahadeethi fatira alssamawati waal-ardi anta waliyyee fee alddunyawaal-akhirati tawaffanee musliman waalhiqnee bialssaliheena

102. Dit behoort tot de tijdingen van het verborgene die Wij u (o Profeet ) openbaren. Gij waart niet bij hen, toen zij zich (tegen u) verenigden en plannen smeedden.
Thalika min anba-i alghaybi nooheehi ilayka wama kunta ladayhim ith ajmaAAoo amrahum wahum yamkuroona

103. En de meeste mensen willen niet geloven zelfs al wenst gij het vurig.
Wama aktharu alnnasi walaw harasta bimu/mineena

104. Gij vraagt er hun geen beloning voor. Het is niets dan een vermaning aan alle werelden.
Wama tas-aluhum AAalayhi min ajrin in huwa illa thikrun lilAAalameena

105. En hoeveel tekenen zijn er niet in de hemelen en op aarde waaraan zij, zich afwendend, voorbijgaan!
Wakaayyin min ayatin fee alssamawati waal-ardi yamurroona AAalayha wahum AAanha muAAridoona

106. En de meesten hunner geloven niet in Allah, zonder medegoden aan Hem toe te schrijven.
Wama yu/minu aktharuhum biAllahi illa wahum mushrikoona

107. Voelen zij zich dan nu veilig voor het komen van een overweldigende straf over hen van Allah of voor het onverwacht komen van het Uur over hen, terwijl zij het niet bemerken?
Afaaminoo an ta/tiyahum ghashiyatun min AAathabi Allahi aw ta/tiyahumu alssaAAatu baghtatan wahum la yashAAuroona

108. Zeg: “Dit is mijn weg: ik roep tot Allah in zeker weten, ik en mijn volgelingen. Heilig is Allah en ik behoor niet tot de afgodendienaren.”
Qul hathihi sabeelee adAAoo ila Allahi AAala baseeratin anawamani ittabaAAanee wasubhana Allahi wama ana mina almushrikeena

109. En Wij zonden vََr u slechts mensen uit de inwoners der steden, die Wij inspireerden. Hebben zij dan niet op aarde gereisd en gezien wat het einde was dergenen die vََr hen waren? En het tehuis van het Hiernamaals is voorzeker beter voor degenen, die vrezen. Wilt gij dan niet begrijpen?
Wama arsalna min qablika illa rijalan noohee ilayhim min ahli alqura afalam yaseeroo fee al-ardi fayanthuroo kayfa kana AAaqibatu allatheena min qablihim waladaru al-akhirati khayrun lillatheena ittaqaw afala taAAqiloona

110. Totdat, wanneer de boodschappers wanhoopten en zij dachten dat zij voor leugenaars verden gehouden, Onze hulp tot hen kwam en dan werd gered, wie Ons behaagde. En Onze kastijding wordt van een zondig volk niet afgewend.
Hatta itha istay-asa alrrusulu wathannoo annahum qad kuthiboo jaahum nasruna fanujjiya man nashao wala yuraddu ba/suna AAani alqawmi almujrimeena

111. Er is in hun verhaal gewis een les voor mensen van begrip. Het is niet iets, dat is verzonnen, doch een vervulling van hetgeen er vََr is en een uiteenzetting van alle dingen en een leiding en een barmhartigheid voor een volk, dat gelooft.
Laqad kana fee qasasihim AAibratun li-olee al-albabi ma kanahadeethan yuftara walakin tasdeeqa allathee bayna yadayhi watafseela kulli shay-in wahudan warahmatan liqawmin yu/minoona

huud-vorigesurahhoofdstuk-svAllaharad-volgendesurahhoofdstuk-svAllah


De titel van dit hoofdstuk is genomen van het verhaal dat het behandelt. Het gehele hoofdstuk geeft een doorlopend verslag van de geschiedenis van Jozef. De eerste drie verzen en de slotparagraaf wijzen op het doel wat aan het verhaal ten grondslag ligt. Het hoofdstuk is niet slechts verhalend, maar voorspelt de uiteindelijke zege van de Heilige Profeet (s.a.w.), die uit zijn geboortestad verdreven zou worden. Ook voorspelt het de uiteindelijke onderwerping van degenen die plannen beraamden tegen zijn leven. In de rangschikking van de hoofdstukken is het verband tussen dit hoofdstuk en het voorgaande duidelijk. Dat hoofdstuk gaat over de geschiedenissen van diverse bekende profeten en het lot van hun tegenstanders. Dit hoofdstuk profeteert dat de onderlinge verhoudingen tussen de Heilige Profeet (s.a.w.) en zijn vijanden gelijk zouden zijn aan de onderlinge verhoudingen tussen Jozef en zijn broers, met vervolging aan een kant en absolute vergiffenis en een genadige behandeling aan de andere.

One thought on “12. Yuusuf (Jozef)

  1. Pingback: De 3 types van de Nafs | STUDENT VAN ALLAH

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s