16. A-Nahl (De Bij)

– In de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. –
Bismillahi rahmani rahim

1. Het gebod van Allah is komende, verhaast het daarom niet. Heilig is Hij en verheven boven al hetgeen zij met Hem vereenzelvigen.
Ata amru Allahi fala tastaAAjiloohu subhanahu wataAAala AAammayushrikoona

2. Hij zendt door Zijn gebod engelen met een Openbaring neder tot wie van Zijn dienaren Hij wil (zeggende): “Waarschuwt, dat er buiten Mij geen God is, vreest daarom Mij alleen.”
Yunazzilu almala-ikata bialrroohi min amrihi AAala man yashao min AAibadihi an anthiroo annahu la ilaha illa ana faittaqooni

3. Hij heeft de hemelen en de aarde in waarheid geschapen. Verheven is Hij boven al hetgeen zij met Hem vereenzelvigen.
Khalaqa alssamawati waal-arda bialhaqqi taAAala AAammayushrikoona

4. Hij schiep de mens uit een kleine levenskiem, en zie! hij is een openlijke tegenstander.
Khalaqa al-insana min nutfatin fa-itha huwa khaseemun mubeenun

5. En het vee heeft Hij geschapen, waarvan gij warmte en nut hebt terwijl gij er ook van als voedsel gebruikt.
Waal-anAAama khalaqaha lakum feeha dif-on wamanafiAAu waminha ta-kuloona

6. En er is schoonheid in voor u wanneer gij het ’s avonds naar huis drijft en wanneer gij het ’s morgens laat weiden.
Walakum feeha jamalun heena tureehoona waheena tasrahoona

7. En zij dragen uw lasten naar een land, dat gij niet zonder grote moeilijkheid (voor uzelf) zoudt kunnen bereiken. Voorzeker, uw Heer is Liefderijk, Genadevol.
Watahmilu athqalakum ila baladin lam takoonoo baligheehi illabishiqqi al-anfusi inna rabbakum laraoofun raheemun

8. En paarden en muildieren en ezels (heeft Hij) geschapen opdat gij er op moogt rijden en tot sieraad (voor u). En Hij zal ook wat gij nog niet kent, scheppen.
Waalkhayla waalbighala waalhameera litarkabooha wazeenatan wayakhluqu ma la taAAlamoona

9. En bij Allah berust het, de rechte weg (te tonen) en er zijn wegen die afwijken. En als Hij wilde, zou Hij u allen hebben geleid.
WaAAala Allahi qasdu alssabeeli waminha ja-irun walaw shaa lahadakum ajmaAAeena

10. Hij is het, Die water voor u uit de wolken zendt, gij hebt er drank van en het doet bomen groeien, waarmede gij uw vee voedert.
Huwa allathee anzala mina alssama-i maan lakum minhu sharabun waminhu shajarun feehi tuseemoona

11. En Hij doet daarmede koren voor u groeien, de olijf, de dadelpalm, de druiven en allerlei andere vruchten. Daarin is voorzeker een teken voor een volk dat nadenkt.
Yunbitu lakum bihi alzzarAAa waalzzaytoona waalnnakheela waal-aAAnaba wamin kulli alththamarati inna fee thalika laayatan liqawmin yatafakkaroona

12. Hij heeft door Zijn gebod de nacht, de dag, de zon, de maan en de sterren in uw dienst gesteld. Voorzeker daarin zijn tekenen voor een volk dat overweegt.
Wasakhkhara lakumu allayla waalnnahara waalshshamsa waalqamara waalnnujoomu musakhkharatun bi-amrihi inna fee thalika laayatin liqawmin yaAAqiloona

13. En in de dingen, die Hij in verscheidene kleuren op aarde voor u heeft geschapen is voorzeker een teken voor een volk dat er lering uit wil trekken.
Wama tharaa lakum fee al-ardi mukhtalifan alwanuhu inna feethalika laayatan liqawmin yaththakkaroona

14. En Hij is het, Die de zee tot uw beschikking heeft gesteld opdat gij er vers vlees van moogt eten en er sieraden uit moogt nemen die gij draagt. En gij ziet er de schepen over varen opdat gij van Zijn overvloed moogt zoeken en dankbaar moogt zijn.
Wahuwa allathee sakhkhara albahra lita/kuloo minhu lahmantariyyan watastakhrijoo minhu hilyatan talbasoonaha watara alfulka mawakhira feehi walitabtaghoo min fadlihi walaAAallakum tashkuroona

15. En Hij heeft hechte bergen op de aarde geplaatst opdat gij niet geschokt zult worden en rivieren en paden opdat gij de juiste weg moogt inslaan.
Waalqa fee al-ardi rawasiya an tameeda bikum waanharan wasubulan laAAallakum tahtadoona

16. En merktekenen en door de sterren vinden zij (de mensen) de juiste richting.
WaAAalamatin wabialnnajmi hum yahtadoona

17. Is dan Hij, Die schept gelijk aan iemand die niet schept? Wilt gij dan er geen lering uit trekken?
Afaman yakhluqu kaman la yakhluqu afala tathakkaroona

18. En indien gij de gunsten Van Allah wilt opsommen, kunt gij dat stellig niet doen. Voorzeker, Allah is Vergevensgezind, Genadevol.
Wa-in taAAuddoo niAAmata Allahi la tuhsooha inna Allaha laghafoorun raheemun

19. En Allah weet wat gij verbergt en wat gij openbaart.
WaAllahu yaAAlamu ma tusirroona wama tuAAlinoona

20. Maar degenen, die zij naast Allah aanroepen, scheppon niets, want zij zijn zelf geschapen,
Waallatheena yadAAoona min dooni Allahi la yakhluqoona shay-an wahum yukhlaqoona

21. Dood en niet levend, en zij weten niet wanneer zij zullen worden opgewekt.
Amwatun ghayru ahya-in wama yashAAuroona ayyana yubAAathoona

22. Uw God is Eén God. En zij die in het Hiernamaals niet geloven hun hart is vervreemd (van waarheid) en zij zijn hoogmoedig.
Ilahukum ilahun wahidun faallatheena la yu/minoona bial-akhirati quloobuhum munkiratun wahum mustakbiroona

23. Ongetwijfeld weet Allah wat zij verbergen en wat zij in de openbaarheid brengen. Hij heeft de trotsen zeker niet lief.
La jarama anna Allaha yaAAlamu ma yusirroona wamayuAAlinoona innahu la yuhibbu almustakbireena

24. En wanneer er tot hen wordt gezegd: “Wat heeft uw Heer geopenbaard?”, zeggen zij: “Het zijn slechts fabelen der ouden.”
Wa-itha qeela lahum matha anzala rabbukum qaloo asateeru al-awwaleena

25. Dat zij op de Dag der Opstanding hun last ten volle mogen dragen en een gedeelte der last van degenen die zij zonder kennis doen dwalen. Ziet! slecht is hetgeen zij dragen.
Liyahmiloo awzarahum kamilatan yawma alqiyamati wamin awzari allatheena yudilloonahum bighayri AAilmin ala saa ma yaziroona

26. Degenen vóór hen beraamden (plannen), dus vernielde Allah hun gebouw vanuit de funderingen, zodat het dak van boven hen op hen neerviel, en de straf kwam tot hen vanwaar zij (haar) niet hadden verwacht.
Qad makara allatheena min qablihim faata Allahu bunyanahum mina alqawaAAidi fakharra AAalayhimu alssaqfu min fawqihim waatahumu alAAathabu min haythu la yashAAuroona

27. Dan, op de dag van de Opstanding, zal Hij hen tot schande brengen en zeggen: Waar zijn Mijn gelijken, ter wille van wie jullie vijandig werden? Degenen aan wie d kennis is gegeven zullen zeggen: Waarlijk rusten schande en kwaad deze dag op de ongelovigen.
Thumma yawma alqiyamati yukhzeehim wayaqoolu ayna shuraka-iya allatheena kuntum tushaqqoona feehim qala allatheena ootoo alAAilma inna alkhizya alyawma waalssoo-a AAala alkafireena

28. “Degenen, die de engelen doen sterven terwijl zij hun ziel onrecht aandoen zullen onderdanigheid aanbieden (en zeggen): “Wij deden geen kwaad.” Neen, Allah weet, wat gij deedt.
Allatheena tatawaffahumu almala-ikatu thalimee anfusihim faalqawoo alssalama ma kunna naAAmalu min soo-in bala inna Allaha AAaleemun bima kuntum taAAmaloona

29. Dus treed de poorten van de hel binnen, om daarin te verblijven. Waarlijk kwaadaardig is de verblijfplaats van de trotsen.
Faodkhuloo abwaba jahannama khalideena feeha falabi/sa mathwaalmutakabbireena

30. En wordt er tot degenen, die rechtvaardig handelden gezegd: “Wat heeft uw Heer geopenbaard?”, dan zullen zij zeggen: “Het beste.” Er is voor degenen, die goed doen, goeds in deze wereld doch het tehuis van het Hiernamaals is nog beter. Het tehuis der godvrezenden is inderdaad uitstekend.
Waqeela lillatheena ittaqaw matha anzala rabbukum qaloo khayran lillatheena ahsanoo fee hathihi alddunya hasanatun waladaru al-akhirati khayrun walaniAAma daru almuttaqeena

31. Tuinen der eeuwigheid zullen zij binnengaan, waardoor rivieren vloeien. Zij zullen er in ontvangen wat zij wensen. Zo beloont Allah de rechtvaardigen.
Jannatu AAadnin yadkhuloonaha tajree min tahtiha al-anharu lahum feeha ma yashaoona kathalika yajzee Allahu almuttaqeena

32. Tot degenen, die de engelen doen sterven terwijl zij rein zijn, wordt gezegd: “Vrede zij u. Gaat de hemel binnen voor hetgeen gij deedt.”
Allatheena tatawaffahumu almala-ikatu tayyibeena yaqooloona salamun AAalaykumu odkhuloo aljannata bima kuntum taAAmaloona

33. Zij (de ongelovigen) wachten op niets anders dan dat de engelen over hen komen of dat het gebod van uw Heer zal worden uitgevoerd. Degenen, die vََr hen waren deden dat evenzo. Allah deed hun geen onrecht aan, maar zij deden zichzelf onrecht aan.
Hal yanthuroona illa an ta/tiyahumu almala-ikatu aw ya/tiya amru rabbika kathalika faAAala allatheena min qablihim wama thalamahumu Allahu walakin kanoo anfusahum yathlimoona

34. Het boze dat zij deden trof hen en wat zij bespotten overviel hen.
Faasabahum sayyi-atu ma AAamiloo wahaqa bihim ma kanoo bihi yastahzi-oona

35. De afgodendienaren zeggen: “Als Allah het zo had gewild zouden wij niets buiten Hem hebben aanbeden, wij noch onze vaderen; noch zouden wij iets buiten Zijn wil hebben verboden.” Degenen, die vََr hen waren handelden evenzo. Maar zijn de boodschappers voor iets anders verantwoordelijk dan voor de duidelijke verkondiging?
Waqala allatheena ashrakoo law shaa Allahu ma AAabadna min doonihi min shay-in nahnu wala abaona wala harramna min doonihi min shay-in kathalika faAAala allatheena min qablihim fahal AAala alrrusuli illa albalaghu almubeenu

36. En voorzeker Wij wekten onder elk volk een boodschapper op, “Aanbidt Allah en vermijdt de boze.” Toen waren er sommigen onder hen die Allah leidde en er waren sommigen die bleven dwalen. Reist daarom op aarde rond en ziet wat het einde was der loochenaars.
Walaqad baAAathna fee kulli ommatin rasoolan ani oAAbudoo Allaha waijtaniboo alttaghoota faminhum man hada Allahu waminhum man haqqat AAalayhi alddalalatu faseeroo fee al-ardi faonthuroo kayfa kana AAaqibatu almukaththibeena

37. Als gij (profeet) begerig zijt dat zij geleid zullen worden, weet dan dat Allah voorzeker degenen niet leidt, die (zich zelve) doen dwalen. Voor dezulken zijn er geen helpers.
In tahris AAala hudahum fa-inna Allaha la yahdee man yudillu wama lahum min nasireena

38. En zij zweren bij Allah hun sterkste eden, dat Allah de doden niet zal doen herrijzen. Waarlijk het is een ware belofte maar de meeste mensen weten het niet.
Waaqsamoo biAllahi jahda aymanihim la yabAAathu Allahu man yamootu bala waAAdan AAalayhi haqqan walakinna akthara alnnasi layaAAlamoona

39. Opdat Hij het hun duidelijk moge maken waarover zij verschilden en dat de ongelovigen mogen weten dat zij leugenaars waren.
Liyubayyina lahumu allathee yakhtalifoona feehi waliyaAAlama allatheena kafaroo annahum kanoo kathibeena

40. Wanneer Wij iets willen, dan zeggen Wij slechts: “Wees”, en het wordt.
Innama qawluna lishay-in itha aradnahu an naqoola lahu kun fayakoonu

41. En degenen, die (hun) huizen ter wille van Allah hebben verlaten, nadat hun onrecht was aangedaan, Wij zullen hun voorzeker een goed tehuis in de wereld geven; waarlijk de beloning van het Hiernamaals is groter; wisten zij het slechts!
Waallatheena hajaroo fee Allahi min baAAdi ma thulimoo lanubawwi-annahum fee alddunya hasanatan walaajru al-akhirati akbaru law kanoo yaAAlamoona

42. (Voor) hen, die geduldig zijn en hun vertrouwen in hun Heer stellen.
Allatheena sabaroo waAAala rabbihim yatawakkaloona

43. En vóór jou stuurden Wij slechts mensen die Wij openbaring zonden – dus vraag het de volgelingen van de Herinnering als jullie het niet weten.
Wama arsalna min qablika illa rijalan noohee ilayhim fais-aloo ahla alththikri in kuntum la taAAlamoona

44. Met duidelijke argumenten en Geschriften. En Wij hebben aan jou de Herinnering geopenbaard opdat jij aan de mensen duidelijk kan maken wat er aan hen is geopenbaard, en opdat zij het misschien zullen overdenken.
Bialbayyinati waalzzuburi waanzalna ilayka alththikra litubayyina lilnnasi ma nuzzila ilayhim walaAAallahum yatafakkaroona

45. Voelen degenen die boze plannen verzinnen, zich er dan veilig tegen dat Allah hen in de grond zal doen verzinken, of dat de straf over hen zal komen vanwaar zij het niet bemerken?
Afaamina allatheena makaroo alssayyi-ati an yakhsifa Allahu bihimu al-arda aw ya/tiyahumu alAAathabu min haythu la yashAAuroona

46. Of dat Hij hen in hun handel en wandel zal treffen, zonder dat zij het kunnen verijdelen?
Aw ya’guzahum fii taqal-lu-bihim famaa hum bimu ‘djiziin

47. Of dat Hij hen geleidelijk ten onder zal brengen? Uw Heer is inderdaad Medelijdend, Genadevol.
Aw ya/khuthahum AAala takhawwufin fa-inna rabbakum laraoofun raheemun

48. Hebben zij niet gezien dat de schaduwen van al hetgeen Allah heeft geschapen zich van rechts en links bewegen en zich voor Allah nederwerpen terwijl zij nederig zijn.
Awa lam yaraw ila ma khalaqa Allahu min shay-in yatafayyaothilaluhu AAani alyameeni waalshshama-ili sujjadan lillahi wahum dakhiroona

49. En wat ook in de Hemelen is en welk schepsel ook op aarde bestaat onderwerpt zich aan Allah alsmede de engelen, en zij (allen) tonen geen hoogmoed.
Walillahi yasjudu ma fee alssamawati wama fee al-ardi min dabbatin waalmala-ikatu wahum la yastakbiroona

50. Zij vrezen hun Heer boven hen en doen wat hun bevolen wordt.
Yakhafoona rabbahum min fawqihim wayafAAaloona mayu/maroona

51. Allah heeft gezegd: “Neemt geen twee goden. Er is slechts Eén God. Vreest daarom Mij alleen.”
Waqala Allahu la tattakhithoo ilahayni ithnayni innama huwa ilahun wahidun fa-iyyaya fairhabooni

52. En aan Hem behoort hetgeen in de hemelen en op aarde is en Hem is voortdurende gehoorzaamheid verschuldigd. Wilt gij dan iets buiten Allah vrezen?
Walahu ma fee alssamawati waal-ardi walahu alddeenu wasiban afaghayra Allahi tattaqoona

53. Welke zegeningen gij ook ontvangt, zij komen van Allah. En wanneer een kwelling over u komt, is het tot Hem dat gij om hulp roept.
Wama bikum min niAAmatin famina Allahi thumma ithamassakumu alddurru fa-ilayhi taj-aroona

54. Wanneer Hij dan uw kwelling van u verwijdert, ziet, dan vereenzelvigt een deel uwer andere (Goden) met hun Heer.
Thumma itha kashafa alddurra AAankum itha fareequn minkum birabbihim yushrikoona

55. Zodat zij ondankbaar zijn voor hetgeen Wij hun hebben geschonken. Geniet dan en weldra zult gij te weten komen.
Liyakfuroo bima ataynahum fatamattaAAoo fasawfa taAAlamoona

56. En zij bestemmen een gedeelte van wat Wij hun hebben geschonken voor datgene, waarvan zij geen kennis hebben. Bij Allah, gij zult zeker ondervraagd worden over al hetgeen gij hebt verzonnen.
WayajAAaloona lima la yaAAlamoona naseeban mimmarazaqnahum taAllahi latus-alunna AAamma kuntum taftaroona

57. En zij schrijven dochters toe aan Allah. Glorie is aan Hem! En voor henzelf is er wat zij wensen!
WayajAAaloona lillahi albanati subhanahu walahum mayashtahoona

58. En wanneer de geboorte van een dochter aan een van hen bekend wordt gemaakt, dan wordt zijn gezicht zwart en hij is vol van wrok.
Wa-itha bushshira ahaduhum bialontha thalla wajhuhu muswaddan wahuwa katheemun

59. Hij verbergt zich voor het volk vanwege het slechte nieuws dat hem is aangekondigd; zal hij haar in weerwil van schande behouden of haar in het stof begraven? Voorwaar, slecht is hetgeen zij besluiten.
Yatawara mina alqawmi min soo-i ma bushshira bihi ayumsikuhu AAala hoonin am yadussuhu fee altturabi ala saa ma yahkumoona

60. Het kenteken van degenen die niet in het Hiernamaals geloven is slecht, terwijl Allah’s kenteken het beste is, Hij is de Almachtige, de Alwijze.
Lillatheena la yu/minoona bial-akhirati mathalu alssaw-i walillahi almathalu al-aAAla wahuwa alAAazeezu alhakeemu

61. En indien Allah de mensen voor hun onrechtvaardigheid zou straffen, zou Hij geen levend schepsel op aarde achterlaten, maar Hij geeft hun uitstel tot een vastgestelde termijn, en wanneer hun tijd is gekomen kunnen zij deze niet voor een enkel uur uitstellen of vervroegen.
Walaw yu-akhithu Allahu alnnasa bithulmihim ma taraka AAalayhamin dabbatin walakin yu-akhkhiruhum ila ajalin musamman fa-itha jaa ajaluhum la yasta/khiroona saAAatan wala yastaqdimoona

62. En zij schrijven aan Allah toe waar zij niet van houden (dochters); hun tong spreekt leugen, nl. dat hun het beste gewordt. Ongetwijfeld komt het vuur hun toe waaraan zij zullen worden overgeleverd.
WayajAAaloona lillahi ma yakrahoona watasifu alsinatuhumu alkathiba anna lahumu alhusna la jarama anna lahumu alnnara waannahum mufratoona

63. Bij Allah, Wij zonden (boodschappers) tot de volkeren die vََr u waren; maar Satan deed hun werken voor hen schoon schijnen. Daarom is hij nu (in deze wereld) hun vriend en (in het Hiernamaals) zullen zij een smartelijke straf ontvangen.
TaAllahi laqad arsalna ila omamin min qablika fazayyana lahumu alshshaytanu aAAmalahum fahuwa waliyyuhumu alyawma walahum AAathabun aleemun

64. En Wij hebben alleen dit Boek tot u nedergezonden, opdat gij hun hetgeen waarover zij verschillen moogt uitleggen en tevens als leiding en barmhartigheid voor de mensen die geloven.
Wama anzalna AAalayka alkitaba illa litubayyina lahumu allathee ikhtalafoo feehi wahudan warahmatan liqawmin yu/minoona

65. En Allah heeft water uit de hemel nedergezonden en er de aarde na haar dood mee opgewekt. Daarin is voorzeker een teken voor een volk, dat wil luisteren,
WaAllahu anzala mina alssama-i maan faahya bihi al-arda baAAda mawtiha inna fee thalika laayatan liqawmin yasmaAAoona

66. Ook het vee bevat voorzeker een les voor u. Wij geven u van hetgeen in hun buik is, van tussen het uitwerpsel en het bloed, n.l. melk, zuiver en aangenaam voor degenen die drinken,
Wa-inna lakum fee al-anAAami laAAibratan nusqeekum mimma fee butoonihi min bayni farthin wadamin labanan khalisan sa-ighan lilshsharibeena

67. En van de vrucht der dadelpalmen en druiven maakt gij een bedwelmende drank en een goed voedsel. Voorwaar, daarin is een teken voor een volk dat zijn verstand gebruikt.
Wamin thamarati alnnakheeli waal-aAAnabi tattakhithoona minhu sakaran warizqan hasanan inna fee thalika laayatan liqawmin yaAAqiloona

68. En uw Heer heeft de bij bezield, (zeggende): “Maakt huizen in de heuvels en in de bomen en in hetgeen men bouwt.”
Waawha rabbuka ila alnnahli ani ittakhithee mina aljibali buyootan wamina alshshajari wamimma yaAArishoona

69. “Eet dan van alle soorten vruchten en volgt onderdanig de wegen van uw Heer.” Er komt uit hun buik een vloeistof (honing) van verschillende tinten voort waarin genezing is voor de mens. Voorzeker, daarin is een teken voor een volk dat nadenkt.
Thumma kulee min kulli alththamarati faoslukee subula rabbikithululan yakhruju min butooniha sharabun mukhtalifun alwanuhu feehi shifaon lilnnasi inna fee thalika laayatan liqawmin yatafakkaroona

70. En Allah schept u, dan doet Hij u sterven, en er zijn sommigen onder u die een hoge ouderdom bereiken, waardoor zij na kennis te hebben vergaard, niets meer weten. Voorzeker, Allah is Alwetend, Almachtig.
WaAllahu khalaqakum thumma yatawaffakum waminkum man yuraddu ila arthali alAAumuri likay la yaAAlama baAAda AAilmin shay-an inna Allaha AAaleemun qadeerun

71. En Allah heeft sommigen uwer boven anderen in levensonderhoud bevoorrecht. Maar degenen die Hij bevoordeelde geven hun bezit niet aan hun ondergeschikten, zodat deze er gelijk in zullen worden. Willen zij de gunst van Allah dan verloochenen?
WaAllahu faddala baAAdakum AAala baAAdin fee alrrizqi famaallatheena fuddiloo biraddee rizqihim AAala ma malakat aymanuhum fahum feehi sawaon afabiniAAmati Allahi yajhadoona

72. En Allah heeft uit uw midden echtgenoten voor u gemaakt en heeft u van uw echtgenoten kinderen en kleinkinderen geschonken en u van goede dingen voorzien. Willen zij dan in valse dingen geloven en de gunst van Allah verloochenen?
WaAllahu jaAAala lakum min anfusikum azwajan wajaAAala lakum min azwajikum baneena wahafadatan warazaqakum mina alttayyibati afabialbatili yu/minoona wabiniAAmati Allahi hum yakfuroona

73. En zij aanbidden naast Allah dingen (afgoden) die over hun levensonderhoud van de hemelen of van de aarde in het geheel niet beschikken, noch enige macht bezitten.
WayaAAbudoona min dooni Allahi ma la yamliku lahum rizqan mina alssamawati waal-ardi shay-an wala yastateeAAoona

74. Sehrijf daarom geen gelijken aan Allah toe. Voorzeker Allah weet (alles), en gij weet niets.
Fala tadriboo lillahi al-amthala inna Allaha yaAAlamu waantum lataAAlamoona

75. Allah geeft de gelijkenis van een slaaf, die nergens macht over heeft; en van iemand die Wij van een ruim levensonderhnud hebben voorzien, die er heimelijk en openlijk van besteedt. Zijn zij gelijk? Alle lof komt Allah toe! Maar de meesten hunner weten het niet.
Daraba Allahu mathalan AAabdan mamlookan la yaqdiru AAalashay-in waman razaqnahu minna rizqan hasanan fahuwa yunfiqu minhu sirran wajahran hal yastawoona alhamdu lillahi bal aktharuhum layaAAlamoona

76. En Allah geeft een gelijkenis van twee mannen: een hunner is stom, heeft nergens macht over en is een last voor zijn meester; waar hij hem ook heenzendt, hij brengt (hem) niets goeds mee. Kan deze gelijk zijn aan hem die rechtvaardigheid gelast en die zelf op het rechte pad is?
Wadaraba Allahu mathalan rajulayni ahaduhuma abkamu la yaqdiru AAala shay-in wahuwa kallun AAala mawlahu aynama yuwajjihhu laya/ti bikhayrin hal yastawee huwa waman ya/muru bialAAadli wahuwa AAala siratin mustaqeemin

77. En aan Allah behoort het Onzichtbare van de hemelen en van de aarde. En het geval van het Uur is als een oogwenk, neen, het is nog sneller. Voorzeker, Allah heeft macht over alle dingen.
Walillahi ghaybu alssamawati waal-ardi wama amru alssaAAati illakalamhi albasari aw huwa aqrabu inna Allaha AAala kulli shay-in qadeerun

78. En Allah bracht u terwijl gij niets wist, uit de baarmoeder van uw moeder voort en gaf u oren, ogen en hart, opdat gij dankbaar moogt zijn.
WaAllahu akhrajakum min butooni ommahatikum la taAAlamoona shay-an wajaAAala lakumu alssamAAa waal-absara waal-af-idata laAAallakum tashkuroona

79. Zien zij niet, dat de vogelen in het gewelf van de hemel in onderdanigheid worden gehouden? Niemand houdt ze tegen dan Allah. Voorwaar, daarin zijn tekenen voor een volk dat wil geloven.
Alam yaraw ila alttayri musakhkharatin fee jawwi alssama-i mayumsikuhunna illa Allahu inna fee thalika laayatin liqawmin yu/minoona

80. En Allah heeft van uw huizen een rustplaats voor u gemaakt, ook heeft Hij van de huiden van het vee woonplaatsen voor u gemaakt die gij licht vindt, op de tijd waarop gij reist en op de tijd waarop gij halt maakt; en van hun wol, hun vachten en hun haar maakt gij meubelen en gebruiksartikelen, voor een (bepaalde) tijd.
WaAllahu jaAAala lakum min buyootikum sakanan wajaAAala lakum min juloodi al-anAAami buyootan tastakhiffoonaha yawmathaAAnikum wayawma iqamatikum wamin aswafiha waawbarihawaashAAariha athathan wamataAAan ila heenin

81. En Allah heeft van hetgeen Hij heeft geschapen dingen voor u gemaakt die schaduw geven, en Hij heeft in de bergen schuilplaatsen voor u gemaakt; Hij heeft klederen voor u gemaakt die u tegen hitte beschermen en harnassen die u in uw oorlogen beschermen. Zo volmaakt Hij Zijn gunsten aan u, opdat gij u moogt onderwerpen.
WaAllahu jaAAala lakum mimma khalaqa thilalan wajaAAala lakum mina aljibali aknanan wajaAAala lakum sarabeela taqeekumu alharra wasarabeela taqeekum ba/sakum kathalika yutimmu niAAmatahu AAalaykum laAAallakum tuslimoona

82. Maar indien zij zich afwenden zijt gij (de profeet) alleen voor de duidelijke verkondiging verantwoordelijk.
Fa-in tawallaw fa-innama AAalayka albalaghu almubeenu

83. Zij erkennen de gunst van Allah en toch verloochenen zij deze; de meesten hunner zijn ongelovigen.
YaAArifoona niAAmata Allahi thumma yunkiroonahawaaktharuhumu alkafiroona

84. En de dag, waarop Wij uit elk volk een getuige zullen opwekken zal het degenen die niet geloven, niet worden toegestaan (zich te verontschuldigen), noch zal hun worden toegestaan naar Gods gunst te dingen.
Wayawma nabAAathu min kulli ommatin shaheedan thumma layu/thanu lillatheena kafaroo wala hum yustaAAtaboona

85. En wanneer degenen die kwaad verrichten de straf in werkelijkheid zien, zal deze voor hen niet worden verlicht noch zal hun uitstel worden verleend.
Wa-itha raa allatheena thalamoo alAAathaba fala yukhaffafu AAanhum wala hum yuntharoona

86. En wanneer de afgodendienaren hun afgoden zullen zien, zullen zij zeggen: “Onze Heer, dezen zijn onze goden, die wij buiten u aanbaden.” Maar zij (afgoden) zullen tegenwerpen: “Gij zijt voorzeker leugenaars.”
Wa-itha raa allatheena ashrakoo shurakaahum qaloo rabbana haola-i shurakaona allatheena kunna nadAAoo min doonika faalqaw ilayhimu alqawla innakum lakathiboona

87. En op die dag zullen zij aan Allah onderwerping aanbieden en al hetgeen zij verzinnen zal hun falen.
Waalqaw ila Allahi yawma-ithin alssalama wadalla AAanhum makanoo yaftaroona

88. Degenen die verwerpen en anderen van de weg van Allah afhouden – Wij zullen straf bij hun straf voegen omdat zij onheil stichtten.
Allatheena kafaroo wasaddoo AAan sabeeli Allahi zidnahum AAathaban fawqa alAAathabi bima kanoo yufsidoona

89. En (gedenk) de dag waarop Wij onder elk volk een getuige tegen hen uit hun midden zullen verwekken en u (profeet) als getuige tegen dezen zullen brengen. Wij hebben u het Boek nedergezonden, alles verklarend, als leiding, barmhartigheid en blijde tijding voor hen die zich onderwerpen.
Wayawma nabAAathu fee kulli ommatin shaheedan AAalayhim min anfusihim waji/na bika shaheedan AAala haola-i wanazzalna AAalayka alkitaba tibyanan likulli shay-in wahudan warahmatan wabushralilmuslimeena

90. Voorwaar, Allah gelast u goed met goed (te vergelden) en wel te doen aan anderen en te geven als aan verwanten; en verbiedt onbetamelijkheid, kwaad en opstand. Hij raadt u aan dat gij er lering uit trekt.
Inna Allaha ya/muru bialAAadli waal-ihsani wa-eeta-i thee alqurbawayanha AAani alfahsha-i waalmunkari waalbaghyi yaAAithukum laAAallakum tathakkaroona

91. En vervult het verbond met Allah, wanneer gij een verbond sluit; en breekt geen eden na hun bekrachtiging, terwijl gij Allah tot uw Borg hebt gemaakt. Voorzeker, Allah weet wat gij doet.
Waawfoo biAAahdi Allahi itha AAahadtum wala tanqudoo al-aymana baAAda tawkeediha waqad jaAAaltumu Allaha AAalaykum kafeelan inna Allaha yaAAlamu ma tafAAaloona

92. En wees niet als degene die haar garen ontrafelt, het in stukken uiteen laat vallen nadat zij het stevig had gesponnen. Jullie maken jullie geloften tot een middel voor onderling bedrog omdat het (ene) volk talrijker is dan het (andere) volk. Hiermee beproeft Allah jullie slechts. En op de dag van de Opstanding zal Hij zeker aan jullie duidelijk maken waarin jullie verschilden.
Wala takoonoo kaallatee naqadat ghazlaha min baAAdi quwwatin ankathan tattakhithoona aymanakum dakhalan baynakum an takoona ommatun hiya arba min ommatin innama yablookumu Allahu bihi walayubayyinanna lakum yawma alqiyamati ma kuntum feehi takhtalifoona

93. En als Allah had gewild, zou Hij u voorzeker tot één volk hebben gemaakt; maar Hij laat hem die wil, dwalen en leidt hem die dit wenst, en gij zult zeker worden ondervraagd betreffende hetgeen gij doet.
Walaw shaa Allahu lajaAAalakum ommatan wahidatan walakin yudillu man yashao wayahdee man yashao walatus-alunna AAammakuntum taAAmaloona

94. En maakt uw eden niet tot een middel van bedrog onder elkander; anders zal uw voet uitglijden nadat hij stevig heeft gestaan en gij zult het kwade ondergaan omdat gij ook anderen van het pad van Allah hebt afgehouden; en er zal voor U een strenge straf zijn.
Wala tattakhithoo aymanakum dakhalan baynakum fatazilla qadamun baAAda thubootiha watathooqoo alssoo-a bima sadadtum AAan sabeeli Allahi walakum AAathabun AAatheemun

95. En verkoopt het verbond van Allah niet voor een geringe prijs. Hetgeen bij Allah is, is voorzeker beter voor u, wist gij het slechts.
Wala tashtaroo biAAahdi Allahi thamanan qaleelan innama AAinda Allahi huwa khayrun lakum in kuntum taAAlamoona

96. Hetgeen gij hebt, zal voorbijgaan maar hetgeen bij Allah is, is blijvend. En Wij zullen degenen die standvastig zijn, voorzeker hun beloning geven naar het beste van wat zij doen.
Ma AAindakum yanfadu wama AAinda Allahi baqin walanajziyanna allatheena sabaroo ajrahum bi-ahsani ma kanoo yaAAmaloona

97. Die juist handelt, hetzij man of vrouw en een gelovige is, hun zullen Wij voorzeker een goed leven schenken; en gewis zullen Wij hen belonen naar hun beste werken.
Man AAamila salihan min thakarin aw ontha wahuwa mu/minun falanuhyiyannahu hayatan tayyibatan walanajziyannahum ajrahum bi-ahsani ma kanoo yaAAmaloona

98. En wanneer gij de Koran voordraagt, zoekt dan uw toevlucht tot Allah tegen Satan de verworpene.
Fa-itha qara/ta alqur-ana faistaAAith biAllahi mina alshshaytani alrrajeemi

99. Voorzeker hij heeft geen macht over degenen die geloven en die vertrouwen in hun Heer stellen.
Innahu laysa lahu sultanun AAala allatheena amanoo waAAalarabbihim yatawakkaloona

100. Zijn macht heerst alleen over degenen die met hem vriendschap aanknopen en die anderen met God vereenzelvigen.
Innama sultanuhu AAala allatheena yatawallawnahu waallatheena hum bihi mushrikoona

101. En wanneer Wij het ene teken in plaats van het andere brengen – en Allah weet het beste wat Hij openbaart – zeggen zij: “Gij verzint slechts.” Neen de meesten hunner weten het niet.
Wa-itha baddalna ayatan makana ayatin waAllahu aAAlamu bimayunazzilu qaloo innama anta muftarin bal aktharuhum la yaAAlamoona

102. Zeg: “De Geest van heiligheid heeft het van uw Heer met waarheid nedergebracht, opdat Hij degenen die geloven, moge versterken en als leiding en blijde tijding voor hen die zich onderwerpen.”
Qul nazzalahu roohu alqudusi min rabbika bialhaqqi liyuthabbita allatheena amanoo wahudan wabushra lilmuslimeena

103. En Wij weten inderdaad dat zij zeggen dat het slechts een man is, die hem (de profeet) onderwijst. De taal van hem die zij bedoelen is vreemd, terwijl dit de duidelijke Arabische taal is.
Walaqad naAAlamu annahum yaqooloona innama yuAAallimuhu basharun lisanu allathee yulhidoona ilayhi aAAjamiyyun wahathalisanun AAarabiyyun mubeenun

104. Degenen die in de tekenen van Allah niet geloven, Allah zal hen voorzeker niet leiden en er zal voor hen een smartelijke straf zijn.
Inna allatheena la yu/minoona bi-ayati Allahi la yahdeehimu Allahu walahum AAathabun aleemun

105. Voorzeker slechts zij verzinnen leugens die in de tekenen van Allah niet geloven; zij zijn de leugenaars.
Innama yaftaree alkathiba allatheena la yu/minoona bi-ayati Allahi waola-ika humu alkathiboona

106. Wie Allah verwerpt, na te hebben geloofd – behalve hij die wordt gedwongen terwijl zijn hart in het geloof vrede blijft vinden – en zijn hart voor het ongeloof opent, op hem rust Allah’s toorn; en er zal een grote straf voor hem zijn.
Man kafara biAllahi min baAAdi eemanihi illa man okriha waqalbuhu mutma-innun bial-eemani walakin man sharaha bialkufrisadran faAAalayhim ghadabun mina Allahi walahum AAathabun AAatheemun

107. Dit komt doordat zij het tegenwoordige leven boven het Hiernamaals hebben verkozen, en omdat Allah het ongelovige volk niet leidt.
Thalika bi-annahumu istahabboo alhayata alddunya AAala al-akhirati waanna Allaha la yahdee alqawma alkafireena

108. Dezen zijn het op wier hart, oren en ogen Allah een zegel heeft gelegd. En dezen zijn de achtelozen.
Ola-ika allatheena tabaAAa Allahu AAala quloobihim wasamAAihim waabsarihim waola-ika humu alghafiloona

109. Dit zullen ongetwijfeld in het Hiernamaals de verliezers zijn.
La jarama annahum fee al-akhirati humu alkhasiroona

110. Dan is uw Heer voorzeker voor degenen die ontvluchten, nadat zij worden vervolgd en ter wille van Allah hun best doen en geduld tonen, Vergevensgezind, Genadevol.
Thumma inna rabbaka lillatheena hajaroo min baAAdi ma futinoo thumma jahadoo wasabaroo inna rabbaka min baAAdiha laghafoorun raheemun

111. De dag waarop elke ziel voor zichzelf komt pleiten, dan zal elke ziel ten volle worden vergoed voor hetgeen zij deed en haar zal geen onrecht worden aangedaan.
Yawma ta/tee kullu nafsin tujadilu AAan nafsiha watuwaffa kullu nafsin ma AAamilat wahum la yuthlamoona

112. En Allah geeft de gelijkenis van een stad, die in rust en vrede was en wier voorziening in overvloed van alle kanten tot haar kwam; maar zij was ondankbaar voor de gunsten van Allah en daarom deed Allah honger en vrees over haar komen voor hetgeen zij deed.
Wadaraba Allahu mathalan qaryatan kanat aminatan mutma-innatan ya/teeha rizquha raghadan min kulli makanin fakafarat bi-anAAumi Allahi faathaqaha Allahu libasa aljooAAi waalkhawfi bimakanoo yasnaAAoona

113. En er was inderdaad een boodschapper uit hun midden tot hen gekomen maar zij verloochenden hem, en daarom achterhaalde hen de straf, terwijl zij onrecht begingen.
Walaqad jaahum rasoolun minhum fakaththaboohu faakhathahumu alAAathabu wahum thalimoona

114. Eet daarom van de wettige goede dingen waarvan Allah u heeft voorzien; en weest dankbaar voor de gunst van Allah, indien gij Hem alleen aanbidt.
Fakuloo mimma razaqakumu Allahu halalan tayyiban waoshkuroo niAAmata Allahi in kuntum iyyahu taAAbudoona

115. Hij heeft alleen het gestorvene, bloed, varkensvlees en hetgeen waarover de naam van een ander dan Allah is aangeroepen voor u verboden. Maar voor hem, die door noodzaak wordt gedreven (om te eten) terwijl hij niet wil, noch de grens wil overschrijden, is Allah voorzeker Vergevensgezind, Genadevol.
Innama harrama AAalaykumu almaytata waalddama walahma alkhinzeeri wama ohilla lighayri Allahi bihi famani idturra ghayra baghin wala AAadin fa-inna Allaha ghafoorun raheemun

116. En zegt niet – vanwege de leugens die uw tong spreekt – “Dit is wettig en dat is onwettig.”, om een leugen tegen Allah te verzinnen. Degenen, die een leugen tegen Allah verzinnen, slagen nooit.
Wala taqooloo lima tasifu alsinatukumu alkathiba hatha halalun wahatha haramun litaftaroo AAala Allahi alkathiba inna allatheena yaftaroona AAala Allahi alkathiba la yuflihoona

117. Een kort vermaak, maar er zal een smartelijke straf voor hen zijn.
MataAAun qaleelun walahum AAathabun aleemun

118. En Wij verboden voordien de Joden al hetgeen Wij u hebben vermeld. En Wij deden hun geen onrecht aan doch zij handelden onrechtvaardig jegens zichzelf.
WaAAala allatheena hadoo harramna ma qasasna AAalayka min qablu wama thalamnahum walakin kanoo anfusahum yathlimoona

119. Uw Heer is voorzeker – voor degenen die in onwetendheid kwaad doen, en daarna berouw hebben en goed maken – Vergevensgezind, Genadevol.
Thumma inna rabbaka lillatheena AAamiloo alssoo-a bijahalatin thumma taboo min baAAdi thalika waaslahoo inna rabbaka min baAAdiha laghafoorun raheemun

120. Abraham was inderdaad een voorbeeld van deugd, oprecht, gehoorzaam aan Allah en hij behoorde niet tot de afgodendienaren.
Inna ibraheema kana ommatan qanitan lillahi haneefan walam yaku mina almushrikeena

121. Dankbaar voor Zijn gunsten; Hij verkoos hem en leidde hem naar het rechte pad.
Shakiran li-anAAumihi ijtabahu wahadahu ila siratin mustaqeemin

122. En Wij schonken hem het goede in deze wereld en in het Hiernamaals zal hij zeker tot de rechtvaardigen behoren.
Waataynahu fee alddunya hasanatan wa-innahu fee al-akhirati lamina alssaliheena

123. Dan hebben Wij u (Mohammed) geopenbaard, “Volg de weg van Abraham, de oprechte, die geen afgodendienaar was.”
Thumma awhayna ilayka ani ittabiAA millata ibraheema haneefan wama kana mina almushrikeena

124. De Sabbat was alleen aan degenen opgelegd, die daaromtrent van mening verschilden; en op de Dag der Opstanding zal uw Heer voorzeker onder hen rechten omtrent hetgeen waarover zij verschillen.
Innama juAAila alssabtu AAala allatheena ikhtalafoo feehi wa-inna rabbaka layahkumu baynahum yawma alqiyamati feema kanoo feehi yakhtalifoona

125. Roep tot de weg van uw Heer met wijsheid en goede raad en redetwist met hen op een gepaste wijze. Voorzeker uw Heer weet het beste wie van Zijn weg is afgedwaald; en Hij kent degenen goed die juist geleid zijn.
OdAAu ila sabeeli rabbika bialhikmati waalmawAAithati alhasanati wajadilhum biallatee hiya ahsanu inna rabbaka huwa aAAlamu biman dalla AAan sabeelihi wahuwa aAAlamu bialmuhtadeena

126. En wanneer het jullie beurt is, straf dan met het gelijke als dat waarmee jullie zijn gekweld. Maar als jullie geduld tonen, is het zeker het best voor de geduldigen.
Wa-in AAaqabtum faAAaqiboo bimithli ma AAooqibtum bihi wala-in sabartum lahuwa khayrun lilssabireena

127. En wees geduldig, voorwaar uw geduld is alleen met de hulp van Allah (mogelijk). En treur niet over hen (de ongelovigen), noch maak u ongerust over hun plannen.
Waisbir wama sabruka illa biAllahi wala tahzan AAalayhim walataku fee dayqin mimma yamkuroona

128. Voorwaar, Allah is met degenen, die (God) vrezen en goeddoen.
Inna Allaha maAAa allatheena ittaqaw waallatheena hum muhsinoona

15alhidjr-vorigesurahhoofdstuk-svAllah17alisraa-volgendesurahhoofdstuk-svAllah


Dit hoofdstuk wordt zeer toepasselijk De Bij genoemd. De bij verzamelt immers zoete honing van allerlei soorten bloemen, en wordt daarbij geleid door een instinct dat in zijn geval een openbaring wordt genoemd (v. 68). De bij haalt het beste uit de bloemen en brengt zo “een drank voort in vele tinten, waarin genezing schuilt voor de mensen”. Op gelijke wijze verzamelde de Goddelijke openbaring voor de Heilige Profeet (s.a.w.) de beste elementen uit de leer van alle profeten, en presenteerde deze in de Heilige Qoer-ān. Net als de honing, wordt de Qoer-ān ook een geneesmiddel genoemd (10:57), maar voor de geestelijke kwalen van mensen.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s