17. Al-Israa, Banie Israa’iel (De Nachtelijke Toch, De Kinderen van Israel)

– In de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. –
Bismillahi rahmani rahim

1. Heilig is Hij Die Zijn dienaar bij nacht voerde van de Heilige Moskee naar de Verre Moskee welker omgeving Wij hebben gezegend, opdat Wij hem enkele Onzer tekenen zouden tonen. Voorwaar, Hij is de Alhorende, de Alziende.
Subhana allathee asra biAAabdihi laylan mina almasjidi alharami ilaalmasjidi al-aqsa allathee barakna hawlahu linuriyahu min ayatinainnahu huwa alssameeAAu albaseeru

2. Wij gaven Mozes het Boek en maakten het tot een richtsnoer voor de kinderen van Israël, zeggende: “Neemt niemand buiten Mij als Voogd.”
Waatayna moosa alkitaba wajaAAalnahu hudan libanee isra-eela allatattakhithoo min doonee wakeelan

3. “O, nageslacht dergenen die Wij met Noach (in de Ark) droegen! Hij was inderdaad een dankbare dienaar.”
Thurriyyata man hamalna maAAa noohin innahu kana AAabdan shakooran

4. En Wij maakten aan de kinderen van Israël in het Boek bekend: “Voorwaar, tweemaal zult gij op de aarde verderf teweeg brengen en voorzeker zult gij uitermate aanmatigend worden.”
Waqadayna ila banee isra-eela fee alkitabi latufsidunna fee al-ardi marratayni walataAAlunna AAuluwwan kabeeran

5. Toen dan ook de tijd voor de eerste van de twee bedreigingen kwam, zonden Wij Onze dienaren, toegerust met grote macht tegen u uit, die de huizen binnendrongen; dit was een belofte die in vervulling ging.
Fa-itha jaa waAAdu oolahuma baAAathna AAalaykum AAibadan lana olee ba/sin shadeedin fajasoo khilala alddiyari wakana waAAdan mafAAoolan

6. Nadien gaven Wij u macht over hen en Wij hielpen u met rijkdommen en kinderen, en maakten u groter in getal.
Thumma radadna lakumu alkarrata AAalayhim waamdadnakum bi-amwalin wabaneena wajaAAalnakum akthara nafeeran

7. (Zeggende) “Indien gij goed doet, doet gij goed voor uzelf; en indien gij kwaad doet, is het tegen uzelf. En toen de tijd was gekomen voor de tweede (bedreiging), zonden Wij (andere volkeren) om u met schande te treffen zodat zij de Moskee zouden binnendringen zoals zij er de eerste keer binnen gingen om alles wat zij veroverd hadden te verwoesten.”
In ahsantum ahsantum li-anfusikum wa-in asa/tum falaha fa-itha jaa waAAdu al-akhirati liyasoo-oo wujoohakum waliyadkhuloo almasjida kama dakhaloohu awwala marratin waliyutabbiroo ma AAalaw tatbeeran

8. “Het kan zijn dat uw Heer u barmhartigheid zal tonen; doch indien gij terugkeert, zullen Wij ook terugkeren en Wij hebben de hel tot een kerker voor de ongelovigen gemaakt.”
AAasa rabbukum an yarhamakum wa-in AAudtum AAudnawajaAAalna jahannama lilkafireena haseeran

9. Voorzeker, deze Koran voert tot datgene wat juist is; en geeft aan gelovigen die goede werken verrichten de blijde tijding, dat zij een grote beloning zullen ontvangen.
Inna hatha alqur-ana yahdee lillatee hiya aqwamu wayubashshiru almu/mineena allatheena yaAAmaloona alssalihati anna lahum ajran kabeeran

10. En dat Wij voor degenen die niet geloven in het Hiernamaals een smartelijke straf zullen bereiden.
Waanna allatheena la yu/minoona bial-akhirati aAAtadna lahum AAathaban aleeman

11. En de mens bidt om kwaad zoals hij om goed hoort te bidden; en de mens is altijd haastig.
WayadAAu al-insanu bialshsharri duAAaahu bialkhayri wakana al-insanu AAajoolan

12. En Wij hebben de nacht en de dag gemaakt tot twee tekenen, het teken van de nacht hebben Wij donker en het teken van de dag hebben Wij licht gemaakt, opdat gij overvloed moogt zoeken van uw Heer en opdat gij de jaren kunt tellen en (de tijd kunt) berekenen. En Wij hebben alles duidelijk verklaard.
WajaAAalna allayla waalnnahara ayatayni famahawna ayata allayli wajaAAalna ayata alnnahari mubsiratan litabtaghoo fadlan min rabbikum walitaAAlamoo AAadada alssineena waalhisaba wakulla shay-in fassalnahu tafseelan

13. En de werken van ieder mens hebben Wij om zijn hals gehangen; en op de Dag der Verrijzenis zullen Wij voor hem een boek brengen en hij zal het opengeslagen zien.
Wakulla insanin alzamnahu ta-irahu fee AAunuqihi wanukhriju lahu yawma alqiyamati kitaban yalqahu manshooran

14. “Lees het boek. Uw eigen ziel is op deze dag als rekenaar tegen uzelf voldoende.”
Iqra/ kitabaka kafa binafsika alyawma AAalayka haseeban

15. Degene die de rechte weg volgt, volgt deze slechts voor zijn eigen heil en hij die dwaalt, dwaalt alleen tegen zichzelf. En geen lastdrager zal de last dragen van een ander. En Wij straffen nimmer voordat Wij een boodschapper hebben gezonden.
Mani ihtada fa-innama yahtadee linafsihi waman dalla fa-innamayadillu AAalayha wala taziru waziratun wizra okhra wama kunnamuAAaththibeena hatta nabAAatha rasoolan

16. En wanneer Wij Ons voornemen een stad te verwoesten, zenden Wij Ons gebod tot haar machthebbers, maar zij overtreden dit, derhalve wordt de verordening tegen haar van kracht, en verwoesten Wij haar geheel.
Wa-itha aradna an nuhlika qaryatan amarna mutrafeeha fafasaqoo feeha fahaqqa AAalayha alqawlu fadammarnaha tadmeeran

17. Hoevele geslachten hebben Wij niet verdelgd na Noach! Voldoende kent en ziet uw Heer de zonden van Zijn dienaren.
Wakam ahlakna mina alqurooni min baAAdi noohin wakafabirabbika bithunoobi AAibadihi khabeeran baseeran

18. Voor een ieder die het wereldse verkiest haasten Wij ons het te verschaffen aan wie Wij willen en wat Wij willen, daarna kennen Wij hem de hel toe waarin hij zal branden, vernederd en verworpen.
Man kana yureedu alAAajilata AAajjalna lahu feeha ma nashao liman nureedu thumma jaAAalna lahu jahannama yaslaha mathmooman madhooran

19. En een ieder die het Hiernamaals begeert en er naar streeft zoals er naar gestreefd behoort te worden terwijl hij een gelovige is, deze is het wiens streven zal worden beloond.
Waman arada al-akhirata wasaAAa laha saAAyaha wahuwa mu/minun faola-ika kana saAAyuhum mashkooran

20. Aan iedereen – zowel aan dezen als genen – verstrekken Wij onze gaven. De gaven van uw Heer zijn niet beperkt.
Kullan numiddu haola-i wahaola-i min AAata-i rabbika wama kana AAatao rabbika mahthooran

21. Zie, hoe Wij sommigen hunner hebben doen uitblinken boven anderen; voorwaar, het Hiernamaals is groter in waardigheid en uitmuntendheid.
Onthur kayfa faddalna baAAdahum AAala baAAdin walal-akhiratu akbaru darajatin waakbaru tafdeelan

22. Stel geen andere god naast Allah, anders zult gij vernederd en verlaten nederzitten.
La tajAAal maAAa Allahi ilahan akhara fataqAAuda mathmooman makhthoolan

23. En jouw Heer heeft verordend dat jullie niemand dienen dan Hem, en (dat jullie) goeddoen aan jullie ouders. Als een van hen of zij beiden een hoge leeftijd bereiken bij jou, zeg dan niet “Foei” tegen hen en berisp hen niet, en spreek vriendelijke woorden tegen hen.
Waqada rabbuka alla taAAbudoo illa iyyahu wabialwalidayni ihsanan imma yablughanna AAindaka alkibara ahaduhuma aw kilahumafala taqul lahuma offin wala tanharhuma waqul lahuma qawlan kareeman

24. En wees teder voor hen in erbarming. En zeg: “Mijn Heer, ontferm u over hen daar zij mij opvoedden toen ik jong was.”
Waikhfid lahuma janaha alththulli mina alrrahmati waqul rabbi irhamhuma kama rabbayanee sagheeran

25. Uw Heer weet het best, wat in uw gedachten is; indien gij goed zijt dan voorwaar is Hij Vergevensgezind jegens degenen die zich bekeren.
Rabbukum aAAlamu bima fee nufoosikum in takoonoo saliheena fa-innahu kana lil-awwabeena ghafooran

26. Geef de verwanten, de armen en de reiziger het hun toekomende, maar verkwist niet.
Waati tha alqurba haqqahu waalmiskeena waibna alssabeeli walatubaththir tabtheeran

27. Voorwaar, de verkwisters zijn de broeders der duivelen en de duivel is ondankbaar jegens zijn Heer.
Inna almubaththireena kanoo ikhwana alshshayateeni wakana alshshaytanu lirabbihi kafooran

28. En indien gij u van hen afwendt zoekende de barmhartigheid van uw Heer waarop gij hoopt, spreek tot hen een vriendelijk woord.
Wa-imma tuAAridanna AAanhumu ibtighaa rahmatin min rabbika tarjooha faqul lahum qawlan maysooran

29. En houd uw hand niet op uw zak, noch open haar al te wijd, anders zult gij nederzitten in zelfverwijt en spijt.
Wala tajAAal yadaka maghloolatan ila AAunuqika wala tabsuthakulla albasti fataqAAuda malooman mahsooran

30. Voorwaar, uw Heer vergroot en beperkt het levensonderhoud voor wie het Hem behaagt. Voorzeker Hij kent en ziet Zijn dienaren goed.
Inna rabbaka yabsutu alrrizqa liman yashao wayaqdiru innahu kana biAAibadihi khabeeran baseeran

31. En doodt uw kinderen niet uit vrees voor armoede. Wij zijn het die in hun behoeften en in de uwe voorzien. Voorwaar, hen te doden is een grote zonde.
Wala taqtuloo awladakum khashyata imlaqin nahnu narzuquhum wa-iyyakum inna qatlahum kana khit-an kabeeran

32. En houdt u verre van overspel; want het is een afschuwelijke zaak en een slechte weg.
Wala taqraboo alzzina innahu kana fahishatan wasaa sabeelan

33. En doodt niemand die Allah heilig heeft verklaard, tenzij het met recht geschiedt. En wie onrechtvaardig is gedood, aan diens erfgenaam hebben Wij zeker gezag verleend, doch laat hem bij het doden niet buitensporig zijn, want hij wordt (door de wet) gesteund.
Wala taqtuloo alnnafsa allatee harrama Allahu illa bialhaqqi waman qutila mathlooman faqad jaAAalna liwaliyyihi sultanan fala yusrif fee alqatli innahu kana mansooran

34. En raakt het eigendom van de wees niet aan dan op de beste wijze tot hij zijn meerderjarigheid heeft bereikt. En vervult het verbond; want gij zult omtrent het verbond worden ondervraagd.
Wala taqraboo mala alyateemi illa biallatee hiya ahsanu hattayablugha ashuddahu waawfoo bialAAahdi inna alAAahda kana mas-oolan

35. En geeft volle maat wanneer gij meet en weegt met een zuivere weegschaal; dat is goed en uiteindelijk het beste.
Waawfoo alkayla itha kiltum wazinoo bialqistasi almustaqeemithalika khayrun waahsanu ta/weelan

36. En volgt niet datgene waarvan gij geen kennis bezit. Voorwaar, het oor, oog en het hart – al deze zullen worden ondervraagd.
Wala taqfu ma laysa laka bihi AAilmun inna alssamAAa waalbasara waalfu-ada kullu ola-ika kana AAanhu mas-oolan

37. En wandel niet hoogmoedig op aarde rond want gij kunt de aarde niet doen splijten, noch kunt gij de bergen in hoogte evenaren.
Wala tamshi fee al-ardi marahan innaka lan takhriqa al-arda walan tablugha aljibala toolan

38. Het kwade van dit alles is verwerpelijk in de ogen van uw Heer.
Kullu thalika kana sayyi-ohu AAinda rabbika makroohan

39. Dit is hetgeen uw Heer u van de wijsheid heeft geopenbaard. En stel naast Allah geen andere god aan, anders zult gij in zelfverwijt verworpen in de Hel terechtkomen.
Thalika mimma awha ilayka rabbuka mina alhikmati wala tajAAal maAAa Allahi ilahan akhara fatulqa fee jahannama malooman madhooran

40. Heeft dan uw Heer u bevoorrecht met zonen en Zelf dochters gekozen uit het midden der engelen? Voorzeker gij spreekt een groot woord.
Afaasfakum rabbukum bialbaneena waittakhatha mina almala-ikati inathan innakum lataqooloona qawlan AAatheeman

41. Wij hebben het in deze Koran herhaaldelijk uiteengezet, opdat zij er lering uit zouden trekken, doch dit doet hen slechts in afkeer toenemen.
Walaqad sarrafna fee hatha alqur-ani liyaththakkaroo wamayazeeduhum illa nufooran

42. Zeg: “Waren er zoals gij zegt andere goden met Hem geweest, dan zouden dezen ongetwijfeld een weg hebben gezocht naar de Heer van de Troon.
Qul law kana maAAahu alihatun kama yaqooloona ithan laibtaghaw ila thee alAAarshi sabeelan

43. Heilig is Hij, hoog verheven, boven hetgeen zij zeggen.
Subhanahu wataAAala AAamma yaqooloona AAuluwwan kabeeran

44. De zeven hemelen en de aarde en degenen die daarin vertoeven prijzen Zijn heerlijkheid. En daar is niets dat Hem niet met de lof die Hem toekomt verheerlijkt; doch gij begrijpt hun verheerlijking niet. Voorwaar, Hij is Verdraagzaam, Vergevensgezind.
Tusabbihu lahu alssamawatu alssabAAu waal-ardu waman feehinna wa-in min shay-in illa yusabbihu bihamdihi walakin la tafqahoona tasbeehahum innahu kana haleeman ghafooran

45. En wanneer gij de Koran voorleest, plaatsen Wij tussen u en degenen die niet in het Hiernamaals geloven een verborgen sluier;
Wa-itha qara/ta alqur-ana jaAAalna baynaka wabayna allatheena layu/minoona bial-akhirati hijaban mastooran

46. En Wij leggen een bedekking over hun hart en doofheid in hun oren zodat zij het niet kunnen begrijpen. En wanneer gij in de Koran uw Heer – de Enige – noemt, wenden zij u in afkeer de rug toe.
WajaAAalna AAala quloobihim akinnatan an yafqahoohu wafeeathanihim waqran wa-itha thakarta rabbaka fee alqur-ani wahdahu wallaw AAala adbarihim nufooran

47. Wij weten het best waar zij op letten terwijl zij naar u luisteren, en wanneer zij in het geheim beraadslagen en wanneer de onrechtvaardigen zeggen: “Gij volgt slechts een betoverd man.”
Nahnu aAAlamu bima yastamiAAoona bihi ith yastamiAAoona ilayka wa-ith hum najwa ith yaqoolu alththalimoona in tattabiAAoona illa rajulan mashooran

48. Zie, wat voor gelijkenissen zij over u vertellen; zij zijn zelf afgedwaald en kunnen de weg niet meer vinden.
Onthur kayfa daraboo laka al-amthala fadalloo fala yastateeAAoona sabeelan

49. En zij zeggen: “Zullen wij, wanneer wij tot beenderen en stof vergaan zijn, werkelijk als een nieuwe schepping worden opgewekt?”
Waqaloo a-itha kunna AAithaman warufatan a-innalamabAAoothoona khalqan jadeedan

50. Zeg: “Wees als stenen of als ijzer”
Qul koonoo hijaratan aw hadeedan

51. “Of een andere schepping die naar uw gedachte het moeilijkst, is.” Dan zullen zij zeggen: “Zeg, wie zal ons dan doen herleven?” Zeg: “Hij Die u de eerste maal heeft geschapen.” Dan zullen zij het hoofd schudden tegen u en vragen: “Wanneer zal dit geschieden?” Zeg, “Waarschijnlijk is het nabij.”
Aw khalqan mimma yakburu fee sudoorikum fasayaqooloona man yuAAeeduna quli allathee fatarakum awwala marratin fasayunghidoona ilayka ruoosahum wayaqooloona mata huwa qul AAasa an yakoona qareeban

52. De Dag waarop Hij u zal roepen zult gij Hem met de lof die Hem toekomt antwoorden en gij zult denken dat gij slechts een korte wijle hebt vertoefd.
Yawma yadAAookum fatastajeeboona bihamdihi watathunnoona in labithtum illa qaleelan

53. En zeg tot Mijn dienaren dat zij spreken wat het beste is. Voorwaar, Satan sticht onenigheid onder hen. Voorwaar, Satan is de mens een verklaarde vijand.
Waqul liAAibadee yaqooloo allatee hiya ahsanu inna alshshaytana yanzaghu baynahum inna alshshaytana kana lil-insani AAaduwwan mubeenan

54. Uw Heer kent u het best. Indien het Hem behaagt zal Hij u barmhartigheid tonen of straffen, maar Wij hebben U niet als voogd over hen gezonden.
Rabbukum aAAlamu bikum in yasha/ yarhamkum aw in yasha/ yuAAaththibkum wama arsalnaka AAalayhim wakeelan

55. En uw Heer kent het best al hetgeen in de hemelen en op aarde is. En Wij hebben sommige profeten boven de anderen doen uitmunten en aan David hebben Wij Zaboer (de Psalmen) geschonken.
Warabbuka aAAlamu biman fee alssamawati waal-ardi walaqad faddalna baAAda alnnabiyyeena AAala baAAdin waatayna dawooda zabooran

56. Zeg, “Roept degenen aan die gij u naast Hem inbeeldt; maar dezen hebben geen macht om het kwaad van u te verwijderen, of het te veranderen.”
Quli odAAu allatheena zaAAamtum min doonihi fala yamlikoona kashfa alddurri AAankum wala tahweelan

57. Zij roepen zelf hun Heer aan, Zijn nabijheid zoekend, zelfs de meest nabijzijnden, op Zijn barmhartigheid hopend en Zijn straf vrezend. Voorwaar, de straf van uw Heer dient te worden gevreesd?.
Ola-ika allatheena yadAAoona yabtaghoona ila rabbihimu alwaseelata ayyuhum aqrabu wayarjoona rahmatahu wayakhafoona AAathabahu inna AAathaba rabbika kana mahthooran

58. Er is geen stad of Wij zullen die voor de Dag der Opstanding verdelgen of streng straffen. Dit staat in het Boek geschreven.
Wa-in min qaryatin illa nahnu muhlikooha qabla yawmi alqiyamati aw muAAaththibooha AAathaban shadeedan kana thalika fee alkitabi mastooran

59. En niets weerhoudt Ons van het zenden van tekenen, behalve dat de vroegere volkeren ze hebben verloochend. En Wij gaven aan de Samoed de kamelin als een zichtbaar teken doch zij deden haar kwaad; Wij zenden slechts tekenen om te waarschuwen.
Wama manaAAana an nursila bial-ayati illa an kaththaba biha al-awwaloona waatayna thamooda alnnaqata mubsiratan fathalamoo bihawama nursilu bial-ayati illa takhweefan

60. En toen Wij tot u zeiden: “Voorzeker, uw Heer heeft het volk in Zijn hand.” Wij gaven het visioen dat Wij u toonden slechts als een beproeving voor de mensen, evenals de gevloekte boom in de Koran. En Wij waarschuwen hen, doch het doet hen slechts in grotere overtreding toenemen.
Wa-ith qulna laka inna rabbaka ahata bialnnasi wama jaAAalnaalrru/ya allatee araynaka illa fitnatan lilnnasi waalshshajarata almalAAoonata fee alqur-ani wanukhawwifuhum fama yazeeduhum illatughyanan kabeeran

61. En toen Wij tot de engelen zeiden: “Betuigt eer aan Adam,” betuigden zij eer, behalve Iblies. Hij zeide: “Moet ik mij ter aarde werpen voor iemand die Gij geschapen hebt uit klei?”
Wa-ith qulna lilmala-ikati osjudoo li-adama fasajadoo illa ibleesa qala aasjudu liman khalaqta teenan

62. En hij zeide: “Hebt Gij hem boven mij geëerd? Indien Gij mij tot de Dag der Opstanding uitstel verleent, zal ik voorzeker zijn nakomelingen mij doen volgen, op enkelen na.”
Qala araaytaka hatha allathee karramta AAalayya la-in akhkhartani ila yawmi alqiyamati laahtanikanna thurriyyatahu illa qaleelan

63. Hij zeide: “Ga heen! en wie onder hen u zal volgen, de hel zal voorwaar een ruime vergelding voor u allen zijn.”
Qala ithhab faman tabiAAaka minhum fa-inna jahannama jazaokum jazaan mawfooran

64. “En bekoor met uw stem wie gij kunt en spoor uw ruiterij en uw voetvolk tegen hen aan en wees hun deelgenoot in hun weelde en hun kinderen, en doe hun beloften,” – maar Satan geeft slechts bedriegelijk beloften –
Waistafziz mani istataAAta minhum bisawtika waajlib AAalayhim bikhaylika warajlika washarik-hum fee al-amwali waal-awladi waAAidhum wama yaAAiduhumu alshshaytanu illa ghurooran

65. Voorzeker over Mijn dienaren zult gij geen macht hebben. En voldoende is uw Heer als Beschermer.
Inna AAibadee laysa laka AAalayhim sultanun wakafa birabbika wakeelan

66. Uw Heer is Hij Die de schepen voor u over de zee stuwt, opdat gij Zijn overvloed moogt zoeken. Voorwaar, Hij is Genadig jegens u.
Rabbukumu allathee yuzjee lakumu alfulka fee albahri litabtaghoo min fadlihi innahu kana bikum raheeman

67. En indien een ongeluk op zee u treft, verdwijnen u degenen die gij aanroept, behalve Hij. Doch wanneer Hij u veilig aan land brengt wendt gij u af. Want de mens is zeer ondankbaar.
Wa-itha massakumu alddurru fee albahri dalla man tadAAoona illaiyyahu falamma najjakum ila albarri aAAradtum wakana al-insanu kafooran

68. Gevoelt gij u er dan veilig voor, dat Hij u zal verdelgen op het land of dat Hij een hevige storm tegen u zal doen opkomen? Gij zult dan voor u geen beschermer vinden.
Afaamintum an yakhsifa bikum janiba albarri aw yursila AAalaykum hasiban thumma la tajidoo lakum wakeelan

69. Of weet gij dan zo zeker dat Hij u daarin niet voor de tweede maal zal terugzenden en dan een stormwind tegen u doen opkomen en u verdrinken wegens uw ongeloof, zodat gij daarin geen helper voor u tegen Ons zult vinden?
Am amintum an yuAAeedakum feehi taratan okhra fayursila AAalaykum qasifan mina alrreehi fayughriqakum bima kafartum thumma la tajidoo lakum AAalayna bihi tabeeAAan

70. En inderdaad hebben Wij de kinderen van Adam geëerd en hen gedragen over land en zee, en hun van het goede gegeven en hen verheven boven velen dergenen die Wij hebben geschapen.
Walaqad karramna banee adama wahamalnahum fee albarri waalbahri warazaqnahum mina alttayyibati wafaddalnahum AAalakatheerin mimman khalaqna tafdeelan

71. (Gedenk) de Dag waarop Wij elk volk met zijn leider zullen oproepen. Zij die hun boek in de rechter hand ontvangen, zullen hun boek lezen en hen zal geen onrecht worden aangedaan.
Yawma nadAAoo kulla onasin bi-imamihim faman ootiya kitabahu biyameenihi faola-ika yaqraoona kitabahum wala yuthlamoona fateelan

72. Maar wie blind is geweest in deze wereld zal blind zijn in het Hiernamaals; hij is ver afgedwaald van de rechte weg.
Waman kana fee hathihi aAAma fahuwa fee al-akhirati aAAmawaadallu sabeelan

73. En voorzeker zij zouden u (de profeet) willen afleiden van hetgeen Wij u hebben geopenbaard, opdat gij iets anders over Ons mocht verzinnen; dan zouden zij u zeker tot vriend hebben genomen.
Wa-in kadoo layaftinoonaka AAani allathee awhayna ilayka litaftariya AAalayna ghayrahu wa-ithan laittakhathooka khaleelan

74. En indien Wij u niet hadden gesterkt zoudt gij aan hen een weinig gehoor gegeven hebben.
Walawla an thabbatnaka laqad kidta tarkanu ilayhim shay-an qaleelan

75. Dan zouden Wij u een dubbele straf in dit leven en in het Hiernamaals hebben doen ondergaan en gij zoudt voor u geen helper tegen Ons hebben kunnen vinden.
Ithan laathaqnaka diAAfa alhayati wadiAAfa almamati thumma latajidu laka AAalayna naseeran

76. Zij trachten u, door u vrees in te boezemen, uit het land te verdrijven; dan zullen zij daarna (na uw vertrek) nog slechts korte tijd in rust blijven.
Wa-in kadoo layastafizzoonaka mina al-ardi liyukhrijooka minhawa-ithan la yalbathoona khilafaka illa qaleelan

77. (Dit was Onze) handelwijze met Onze boodschappers die Wij vََr u zonden; en gij zult geen verandering vinden in Onze wijze van handelen.
Sunnata man qad arsalna qablaka min rusulina wala tajidu lisunnatina tahweelan

78. Houd het gebed bij het verbleken van de zon tot aan het donker van de nacht; en het reciteren bij de dageraad. Voorwaar, van het reciteren bij de dageraad wordt getuigd.
Aqimi alssalata lidulooki alshshamsi ila ghasaqi allayli waqur-ana alfajri inna qur-ana alfajri kana mashhoodan

79. Blijf gedurende een deel van de nacht vrijwillig wakker (voor het gebed). Waarschijnlijk zal uw Heer u een verheven rang verschaffen.
Wamina allayli fatahajjad bihi nafilatan laka AAasa an yabAAathaka rabbuka maqaman mahmoodan

80. En zeg: “O mijn Heer, laat mijn intrede een goede intrede en mijn uitgang een goede uitgang zijn. En schenk,mij van U een gezag dat tot hulp zou kunnen strekken.”
Waqul rabbi adkhilnee mudkhala sidqin waakhrijnee mukhrajasidqin waijAAal lee min ladunka sultanan naseeran

81. En zeg: “Waarheid is gekomen en leugen is verdwenen. En de leugen is inderdaad onderhevig om te verdwijnen.
Waqul jaa alhaqqu wazahaqa albatilu inna albatila kana zahooqan

82. En van de Koran openbaren Wij hetgeen een geneesmiddel en een genade is voor de gelovigen; doch voor de onrechtvaardigen vergroot het slechts het verlies.
Wanunazzilu mina alqur-ani ma huwa shifaon warahmatun lilmu/mineena wala yazeedu alththalimeena illa khasaran

83. En wanneer Wij de mens gunsten bewijzen wendt hij zich af en gaat terzijde en wanneer kwaad hem achterhaalt wordt hij wanhopig.
Wa-itha anAAamna AAala al-insani aAArada wanaa bijanibihi wa-itha massahu alshsharru kana yaoosan

84. Zeg: “Ieder handelt op zijn eigen wijze maar uw Heer weet het goed, wie op het rechte pad het best zijn geleid.”
Qul kullun yaAAmalu AAala shakilatihi farabbukum aAAlamu biman huwa ahda sabeelan

85. En zij stellen u vragen betreffende de Geest. Zeg: “De Geest is op bevel van mijn Heer: en er is u slechts een weinig kennis van gegeven.”
Wayas-aloonaka AAani alrroohi quli alrroohu min amri rabbee wama ooteetum mina alAAilmi illa qaleelan

86. En als Wij wilden, zouden Wij hetgeen Wij u hebben geopenbaard zeker weg kunnen nemen, dan zoudt gij daarin tegen Ons geen helper vinden;
Wala-in shi/na lanathhabanna biallathee awhayna ilayka thumma latajidu laka bihi AAalayna wakeelan

87. Doch (dit is) een barmhartigheid van uw Heer, voorwaar, Zijn genade jegens u is groot.
Illa rahmatan min rabbika inna fadlahu kana AAalayka kabeeran

88. Zeg: “Indien de mens en de djinn samenspannen, teneinde het gelijke van deze Koran voort te brengen, zullen zij het gelijke daarvan niet kunnen voortbrengen ook al zouden zij elkanders helpers zijn.”
Qul la-ini ijtamaAAati al-insu waaljinnu AAala an ya/too bimithli hatha alqur-ani la ya/toona bimithlihi walaw kana baAAduhum libaAAdin thaheeran

89. En voorzeker Wij hebben voor de mensen in deze Koran allerlei gelijkenissen herhaaldelijk vermeld, doch de meeste mensen tonen slechts ondankbaarheid.
Walaqad sarrafna lilnnasi fee hatha alqur-ani min kulli mathalin faaba aktharu alnnasi illa kufooran

90. En zij zeggen: “Wij zullen in u stellig niet geloven voordat gij voor ons een bron doet ontspringen aan de aarde.”
Waqaloo lan nu/mina laka hatta tafjura lana mina al-ardi yanbooAAan

91. “Of tenzij gij een tuin hebt met dadelpalmen en wijnranken en in het midden daarvan stromen doet vloeien.”
Aw takoona laka jannatun min nakheelin waAAinabin fatufajjira al-anhara khilalaha tafjeeran

92. “Of tenzij gij de hemel in stukken op ons doet nedervallen zoals gij hebt beweerd of tenzij gij Allah en de engelen vََr ons brengt.”
Aw tusqita alssamaa kama zaAAamta AAalayna kisafan aw ta/tiya biAllahi waalmala-ikati qabeelan

93. “Of tenzij gij een huis hebt van goud, of tenzij gij ten hemel stijgt, maar wij zullen in uw hemelvaart niet geloven tenzij gij ons een boek nederzendt dat wij kunnen lezen.” Zeg: “Glorie zij mijn Heer: ik ben slechts mens en boodschapper!”
Aw yakoona laka baytun min zukhrufin aw tarqa fee alssama-i walan nu/mina liruqiyyika hatta tunazzila AAalayna kitaban naqraohu qul subhana rabbee hal kuntu illa basharan rasoolan

94. En niets heeft de mensen belet te geloven toen de leiding tot hen kwam dan het feit dat zij zeiden: “Heeft Allah een mens als boodschapper gezonden?”
Wama manaAAa alnnasa an yu/minoo ith jaahumu alhuda illa an qaloo abaAAatha Allahu basharan rasoolan

95. Zeg: “Hadden er op aarde engelen in vrede en rust rondgelopen dan zouden Wij ongetwijfeld uit de hemel een engel als boodschapper tot hen hebben gezonden.”
Qul law kana fee al-ardi mala-ikatun yamshoona mutma-inneena lanazzalna AAalayhim mina alssama-i malakan rasoolan

96. Zeg: “Voldoende is Allah als getuige tussen u en mij; voorwaar Hij weet en ziet alles betreffende Zijn dienaren.”
Qul kafa biAllahi shaheedan baynee wabaynakum innahu kana biAAibadihi khabeeran baseeran

97. En hij die Allah leidt, is goed geleid, doch voor hem die Hij laat dwalen zult gij buiten Hem geen helper vinden. En Wij zullen hen verzamelen op de Dag der Opstanding, op hun aangezicht, blind, stom en doof voorover liggend. Hun verblijfplaats zal de hel zijn; telkenmale als het Vuur afneemt, zullen Wij de vlam voor hen aanwakkeren.
Waman yahdi Allahu fahuwa almuhtadi waman yudlil falan tajida lahum awliyaa min doonihi wanahshuruhum yawma alqiyamati AAalawujoohihim AAumyan wabukman wasumman ma/wahum jahannamu kullama khabat zidnahum saAAeeran

98. Dat is hun vergelding, daar zij Onze woorden verwierpen en zeiden: “Zullen wij indien wij beenderen en stof zijn geworden werkelijk worden opgewekt in een nieuwe schepping?”
Thalika jazaohum bi-annahum kafaroo bi-ayatina waqaloo a-ithakunna AAithaman warufatan a-inna lamabAAoothoona khalqan jadeedan

99. Zien zij niet in, dat Allah, Die de hemelen en de aarde schiep, bij machte is hun evenbeeld te scheppen? Hij heeft voor hen een termijn vastgesteld waaromtrent geen twijfel bestaat. Doch de onrechtvaardigen tonen slechts ondankbaarheid.
Awa lam yaraw anna Allaha allathee khalaqa alssamawati waal-arda qadirun AAala an yakhluqa mithlahum wajaAAala lahum ajalan la rayba feehi faaba alththalimoona illa kufooran

100. Zeg: “Indien gij de schatten der barmhartigheid van mijn Heer bezat zoudt gij ze zeker terughouden uit vrees dat ze uitgeput zouden worden. Waarlijk, de mens is vrekkig.”
Qul law antum tamlikoona khaza-ina rahmati rabbee ithan laamsaktum khashyata al-infaqi wakana al-insanu qatooran

101. En voorwaar, wij schonken Mozes negen duidelijke tekenen. Vraag dit aan de kinderen van Israël. Toen hij tot hen kwam, zeide Pharao tot hem: “Ik geloof, O Mozes, dat gij een betoverd mens zijt.”
Walaqad atayna moosa tisAAa ayatin bayyinatin fais-al banee isra-eela ith jaahum faqala lahu firAAawnu innee laathunnuka ya moosamashooran

102. Hij zeide: “Voorzeker gij weet dat niemand anders dan de Heer der Hemelen en der aarde deze tekenen heeft gezonden; en ik ben zeker dat gij, o Pharao, te gronde gaat.”
Qala laqad AAalimta ma anzala haola-i illa rabbu alssamawati waal-ardi basa-ira wa-innee laathunnuka ya firAAawnu mathbooran

103. Derhalve besloot hij hem uit het land te verwijderen; doch Wij deden hem en die met hem waren allen tezamen verdrinken.
Faarada an yastafizzahum mina al-ardi faaghraqnahu waman maAAahu jameeAAan

104. En Wij zeiden na hem tot de kinderen van Israël: “Blijft gij in het land en wanneer de laatste belofte komt zullen Wij u allen tezamen brengen.”
Waqulna min baAAdihi libanee isra-eela oskunoo al-arda fa-ithajaa waAAdu al-akhirati ji/na bikum lafeefan

105. En voorwaar, Wij hebben dit geopenbaard en met waarheid is hij (de Koran) nedergedaald. En Wij hebben u slechts als een brenger van blijde tijdingen en als waarschuwer gezonden.
Wabialhaqqi anzalnahu wabialhaqqi nazala wama arsalnaka illamubashshiran wanatheeran

106. En Wij hebben u de Koran verduidelijkt opdat gij hem geleidelijk aan de mensheid mocht verkondigen en Wij hebben hem in gedeelten gezonden.
Waqur-anan faraqnahu litaqraahu AAala alnnasi AAala mukthin wanazzalnahu tanzeelan

107. Zeg: “Hetzij gij er wel of niet in gelooft, degenen aan wie voordien kennis was geschonken werpen zich met hun aangezicht ter aarde wanneer deze hun wordt voorgelezen;
Qul aminoo bihi aw la tu/minoo inna allatheena ootoo alAAilma min qablihi itha yutla AAalayhim yakhirroona lil-athqani sujjadan

108. En zeggen: “Glorie zij onze Heer. De belofte van onze Heer moest worden vervuld.”
Wayaqooloona subhana rabbina in kana waAAdu rabbinalamafAAoolan

109. Wenend vallen zij op hun aangezicht neder en het vermeerdert hun nederigheid.
Wayakhirroona lil-athqani yabkoona wayazeeduhum khushooAAan

110. Zeg: “Roept Allah aan of roept Rahmaan aan, bij welke naam gij Hem ook noemt, Hij heeft de schoonste namen.” En zeg uw gebed niet te luid en evenmin te zacht, doch zoek een middenweg.
Quli odAAoo Allaha awi odAAoo alrrahmana ayyan ma tadAAoo falahu al-asmao alhusna wala tajhar bisalatika wala tukhafit bihawaibtaghi bayna thalika sabeelan

111. Zeg: “Alle lof komt Allah toe Die Zich geen zoon heeft genomen en Die geen mededinger heeft in Zijn Koninkrijk noch heeft Hij enige helper wegens zwakheid.” En verkondig Zijn Grootheid.
Waquli alhamdu lillahi allathee lam yattakhith waladan walam yakun lahu shareekun fee almulki walam yakun lahu waliyyun mina alththulli wakabbirhu takbeeran

anahl-vorigesurahhoofdstuk-svAllahalkahf-volgendesurahhoofdstuk-svAllah


Dit hoofdstuk heet De Israёlieten, en natie die groot werd gemaakt en opklom tot eenpositie van macht en verhevenheid in de wereld. Later echter, met een verwijzing naar de geschiedenis van die natie. In het begin wordt er verwezen naar de Mi‘radj, de Hemelvaart van de Heilige Profeet (s.a.w.). Dit moet geïnterpreteerd worden als een verwijzing naar de verhevenheid die hij zou bereiken en naar de grootheid waartoe de Islām zou stijgen. De moeslims worden gewaarschuwd voor het lot van de Israёlitische natie. Na te zijn opgekomen tot verhevenheid, werd zij tweemaal gestraft vanwege haar wandaden, en er wordt zonder twijfel verwezen naar de mogelijkheid dat een soortgelijke lot de moeslims ten deel zou kunnen vallen. De tweede paragraaf legt het onsterfelijke principe vast, dat iedere daad een gevolg heeft; de universele wet van oorzaak en gevolg.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s