18. Al-Kahf (De Spelonk)

– In de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. –
Bismillahi rahmani rahim

1. Alle lof behoort aan Allah, Die het Boek aan Zijn dienaar heeft geopenbaard, gaaf en volmaakt.
Alhamdu lillahi allathee anzala AAala AAabdihi alkitaba walam yajAAal lahu AAiwajan

2. Volmaakt (in leiding), om te waarschuwen voor Zijn gestrenge kastijding en de gelovigen die goede werken verrichten de blijde tijding te brengen dat zij een uitstekende beloning zullen ontvangen,
Qayyiman liyunthira ba/san shadeedan min ladunhu wayubashshira almu/mineena allatheena yaAAmaloona alssalihati anna lahum ajranhasanan

3. Die zij zullen smaken in eeuwigheid.
Makitheena feehi abadan

4. En om diegenen te waarschuwen, die zeggen: “Allah heeft Zich een zoon genomen.”
Wayunthira allatheena qaloo ittakhatha Allahu waladan

5. Zij hebben er geen kennis van en hun vaderen evenmin. Erg is het woord, dat uit hun mond komt. Zij zeggen slechts onwaarheid.
Ma lahum bihi min AAilmin wala li-aba-ihim kaburat kalimatan takhruju min afwahihim in yaqooloona illa kathiban

6. Misschien zult gij uit droefheid over hen sterven, omdat zij niet in deze Boodschap geloven.
FalaAAallaka bakhiAAun nafsaka AAala atharihim in lam yu/minoo bihatha alhadeethi asafan

7. Voorwaar, Wij hebben al hetgeen op aarde is tot haar sieraad gemaakt om te beproeven, wie van hen van goede werken is.
Inna jaAAalna ma AAala al-ardi zeenatan laha linabluwahum ayyuhum ahsanu AAamalan

8. En zie! al hetgeen daarop is, zullen Wij tot dode stof veranderen.
Wa-inna lajaAAiloona ma AAalayha saAAeedan juruzan

9. Denkt gij dat de lieden van de Spelonk en van de Inscriptie geen wonder onder Onze tekenen waren?
Am hasibta anna ashaba alkahfi waalrraqeemi kanoo min ayatinaAAajaban

10. Toen de jongelingen hun toevlucht zochten in de Spelonk, zeiden zij: “Onze Heer, verleen ons Uw genade en bereid ons een weg naar vrede en voorspoed uit onze beproeving.”
Ith awa alfityatu ila alkahfi faqaloo rabbana atina min ladunka rahmatan wahayyi/ lana min amrina rashadan

11. Dus beletten Wij hen een aantal jaren in de Grot te horen,
Fadarabna AAala athanihim fee alkahfi sineena AAadadan

12. Daarna wekten Wij hen op, om te beproeven welke der twee partijen wijzer was, naar de tijd dat zij daar hadden vertoefd.
Thumma baAAathnahum linaAAlama ayyu alhizbayni ahsa limalabithoo amadan

13. Wij zullen u hun geschiedenis in waarheid verhalen. Zij waren jongelingen die in hun Heer geloofden en Wij gaven hun meer leiding.
Nahnu naqussu AAalayka nabaahum bialhaqqi innahum fityatunamanoo birabbihim wazidnahum hudan

14. En Wij versterkten hun hart toen zij opstonden en zeiden: “Onze Heer is de Heer der hemelen en der aarde. Nimmer zullen wij een andere god aanroepen naast Hem, anders zouden wij inderdaad een grote dwaasheid begaan.”
Warabatna AAala quloobihim ith qamoo faqaloo rabbuna rabbu alssamawati waal-ardi lan nadAAuwa min doonihi ilahan laqad qulnaithan shatatan

15. “Dit ons volk heeft goden genomen naast Hem. Waarom brengen zij voor hen geen duidelijk bewijs? En wie is onrechtvaardiger, dan hij die een leugen over Allah verzint?”
Haola-i qawmuna ittakhathoo min doonihi alihatan lawla ya/toona AAalayhim bisultanin bayyinin faman athlamu mimmani iftara AAalaAllahi kathiban

16. “Wanneer gij u van hen en van hetgeen zij nevens Allah aanbidden verwijdert, neemt dan uw toevlucht tot de Spelonk en uw Heer zal Zijn barmhartigheid jegens u vermeerderen en uw aangelegenheden gunstig doen verlopen.”
Wa-ithi iAAtazaltumoohum wama yaAAbudoona illa Allaha fa/woo ila alkahfi yanshur lakum rabbukum min rahmatihi wayuhayyi/ lakum min amrikum mirfaqan

17. En wanneer de zon opgaat zult gij haar zich zien verwijderen rechts van de Spelonk en wanneer zij ondergaat, ziet gij haar zich naar links afwenden, daartussen in de holte van (de Spelonk) bevonden zij zich. Dit zijn de tekenen van Allah. Hij die door Allah wordt geleid, wordt juist geleid doch degene, die Hij laat dwalen, voor hem zult gij stellig geen vriend en leidsman vinden.
Watara alshshamsa itha talaAAat tazawaru AAan kahfihim thata alyameeni wa-itha gharabat taqriduhum thata alshshimali wahum fee fajwatin minhu thalika min ayati Allahi man yahdi Allahu fahuwa almuhtadi waman yudlil falan tajida lahu waliyyan murshidan

18. Gij denkt dat zij wakker zijn, terwijl zij slapen en Wij zullen hen zich naar links en rechts doen wenden, terwijl hun hond met zijn voorpoten uitgestrekt op de drempel ligt. Indien gij een blik op hen werpt, zult gij U zeker van hen afwenden en vluchten, met ontzag vervuld.
Watahsabuhum ayqathan wahum ruqoodun wanuqallibuhum thata alyameeni wathata alshshimali wakalbuhum basitun thiraAAayhi bialwaseedi lawi ittalaAAta AAalayhim lawallayta minhum firaran walamuli/ta minhum ruAAban

19. En Wij deden hen ontwaken, zodat zij elkander konden ondervragen. Een van hen zeide: “Hoelang hebt gij hier vertoefd?” Anderen zeiden: “Wij zijn een dag of een gedeelte van een dag gebleven.” Nog anderen zeiden: “Uw God weet het best, hoe lang gij hier gebleven zijt. (Het is beter) één van ons met deze zilveren munt naar de stad te zenden en laat hij zien, wat het beste voedsel is en hiervan levensmiddelen meebrengen en laat hij zich vriendelijk gedragen en niemand omtrent ons inlichten.”
Wakathalika baAAathnahum liyatasaaloo baynahum qala qa-ilun minhum kam labithtum qaloo labithna yawman aw baAAda yawmin qaloo rabbukum aAAlamu bima labithtum faibAAathoo ahadakum biwariqikum hathihi ila almadeenati falyanthur ayyuha azka taAAaman falya/tikum birizqin minhu walyatalattaf wala yushAAiranna bikum ahadan

20. “Want indien zij over jullie te weten komen, zullen zij jullie stenigen, of trachten jullie te bekeren tot hun godsdienst en jullie zullen nimmer kunnen slagen.”
Innahum in yathharoo AAalaykum yarjumookum aw yuAAeedookum fee millatihim walan tuflihoo ithan abadan

21. Dit hebben wij hun bekend gemaakt, opdat zij zouden weten, dat de belofte van Allah waarheid is en dat er omtrent het Uur geen twijfel bestaat. Alsdan redetwisten de mensen over hen, zeggende: “Richt een gedenkteken voor hen op.” Hun Heer weet wat het beste is. Degenen, die de overhand behielden, zeiden: “Wij zullen voorzeker een bedehuis boven hen (boven hun graf) oprichten.”
Wakathalika aAAtharna AAalayhim liyaAAlamoo anna waAAda Allahi haqqun waanna alsaAAata la rayba feeha ith yatanazaAAoona baynahum amrahum faqaloo ibnoo AAalayhim bunyanan rabbuhum aAAlamu bihim qala allatheena ghalaboo AAala amrihim lanattakhithanna AAalayhim masjidan

22. Sommigen zullen zeggen: “Er waren er drie en de vierde was hun hond.” En sommigen zullen zeggen: “Er waren er vijf en de zesde was hun hond,” gissende in het wilde weg en sommigen zullen zeggen: “Er waren er zeven, de achtste was hun hond.” Zeg: “Mijn Heer kent hun getal het beste. Niemand kent hen, enkelen uitgezonderd.” Redetwist dus niet over hen er diep op ingaande en vraag evenmin van één hunner inlichtingen over hen.
Sayaqooloona thalathatun rabiAAuhum kalbuhum wayaqooloona khamsatun sadisuhum kalbuhum rajman bialghaybi wayaqooloona sabAAatun wathaminuhum kalbuhum qul rabbee aAAlamu biAAiddatihim ma yaAAlamuhum illa qaleelun fala tumari feehim illamiraan thahiran wala tastafti feehim minhum ahadan

23. En zeg niet over iets: “Ik zal het morgen doen,”
Wala taqoolanna lishay-in innee faAAilun thalika ghadan

24. Zonder (er bij te zeggen): “Indien het Allah behaagt.” En wanneer gij het vergeet, gedenk dan uw Heer en zeg: “Ik hoop, dat mijn Heer mij nog dichter dan thans naar de rechte weg zal leiden.”
Illa an yashaa Allahu waothkur rabbaka itha naseeta waqul AAasa an yahdiyani rabbee li-aqraba min hatha rashadan

25. En zij bleven driehonderd jaar in hun Spelonk en voegden er negen aan toe.
Walabithoo fee kahfihim thalatha mi-atin sineena waizdadoo tisAAan

26. Zeg: “Allah weet het best, hoelang zij daar vertoefden.” Hem behoren de geheimen der hemelen en der aarde, hoe Ziende is Hij en hoe Horende! Zij hebben geen vriend buiten Hem en aan Zijn koninkrijk laat Hij niemand deelnemen.
Quli Allahu aAAlamu bima labithoo lahu ghaybu alssamawati waal-ardi absir bihi waasmiAA ma lahum min doonihi min waliyyin walayushriku fee hukmihi ahadan

27. En verkondig hetgeen u door Uw Heer is geopenbaard in het Boek. Er is niemand, die Zijn woorden kan veranderen en gij zult geen toevlucht vinden buiten Hem.
Waotlu ma oohiya ilayka min kitabi rabbika la mubaddila likalimatihi walan tajida min doonihi multahadan

28. Blijf bij degenen die hun Heer ’s morgens en ’s avonds aanroepen en die Zijn welbehagen zoeken en laat uw ogen niet van hen afdwalen door het zoeken van de praal dezer wereld en gehoorzaam niet aan hem, wiens hart Wij achteloos hebben gemaakt voor de gedachte aan Ons, noch degene die zijn begeerte volgt en wiens geval het ergste is.
Waisbir nafsaka maAAa allatheena yadAAoona rabbahum bialghadati waalAAashiyyi yureedoona wajhahu wala taAAdu AAaynaka AAanhum tureedu zeenata alhayati alddunya wala tutiAA man aghfalna qalbahu AAan thikrina waittabaAAa hawahu wakana amruhu furutan

29. Zeg: “Het is de waarheid van uw Heer: laat daarom geloven die geloven wil en niet geloven, die niet wil.” Voorwaar, wij hebben de boosdoeners een Vuur bereid, welks omheining hen zal insluiten. Indien zij om hulp roepen, zullen zij worden begoten met water als gesmolten lood, dat hun gezicht zal verbranden. Hoe verschrikkelijk is de drank en hoe vreselijk de rustbank.
Waquli alhaqqu min rabbikum faman shaa falyu/min waman shaa falyakfur inna aAAtadna lilththalimeena naran ahata bihim suradiquhawa-in yastagheethoo yughathoo bima-in kaalmuhli yashwee alwujooha bi/sa alshsharabu wasaat murtafaqan

30. Wat betreft degenen die geloven en goede werken doen, voorwaar, wij doen de beloning der goeden niet verloren gaan.
Inna allatheena amanoo waAAamiloo alssalihati inna la nudeeAAu ajra man ahsana AAamalan

31. Voor dezulken zijn de Tuinen der eeuwigheid, waardoor beken vloeien. Zij zullen daarin worden getooid met armbanden van goud en zullen groene gewaden van fijne zijde en zwaar brocaat dragen, terwijl zij op tronen zullen liggen. Hoe goed is de beloning en hoe schoon is de rustplaats.
Ola-ika lahum jannatu AAadnin tajree min tahtihimu al-anharu yuhallawna feeha min asawira min thahabin wayalbasoona thiyaban khudran min sundusin wa-istabraqin muttaki-eena feeha AAala al-ara-iki niAAma alththawabu wahasunat murtafaqan

32. En geef hun de gelijkenis der twee mannen. Voor een hunner maakten Wij twee wijngaarden, omgeven met dadelpalmen en daartussen legden Wij korenvelden.
Waidrib lahum mathalan rajulayni jaAAalna li-ahadihima jannatayni min aAAnabin wahafafnahuma binakhlin wajaAAalna baynahumazarAAan

33. Elk der tuinen bracht vruchten voort en bleef niet in gebreke. En door beide deden Wij rivieren stromen.
Kilta aljannatayni atat okulaha walam tathlim minhu shay-an wafajjarna khilalahuma naharan

34. En hij had overvloed,en zeide tijdens een gesprek tot zijn gezel: “Ik ben rijker dan gij, aan bezit en in getal.”
Wakana lahu thamarun faqala lisahibihi wahuwa yuhawiruhu anaaktharu minka malan waaAAazzu nafaran

35. En hij ging zijn tuin binnen, terwijl hij onrechtvaardig was tegenover zichzelf. Hij zeide: “Ik denk niet, dat dit ooit zal vergaan.”
Wadakhala jannatahu wahuwa thalimun linafsihi qala ma athunnu an tabeeda hathihi abadan

36. “Noch denk ik dat het Uur zal komen. Indien ik tot mijn Heer word teruggebracht, zal ik voorzeker een betere plaats vinden dan dit.
Wama athunnu alssaAAata qa-imatan wala-in rudidtu ila rabbee laajidanna khayran minha munqalaban

37. Zijn gezel redetwistte en zeide: “Gelooft gij niet in Hem, Die u schiep uit stof, daarna uit een levenskiem en u dan vormde tot een volledig mens?”
Qala lahu sahibuhu wahuwa yuhawiruhu akafarta biallathee khalaqaka min turabin thumma min nutfatin thumma sawwaka rajulan

38. “Wat mij betreft, het is Allah Die mijn Heer is, ik zal niemand met mijn Heer vereenzelvigen.”
Lakinna huwa Allahu rabbee wala oshriku birabbee ahadan

39. “Waarom zeidet gij niet, toen gij de tuin binnentraadt: ‘Het is zoals het Allah behaagt, er is geen God dan Allah?’ indien gij mij als uw mindere in rijkdom en nakomelingen ziet,”
Walawla ith dakhalta jannataka qulta ma shaa Allahu la quwwata illabiAllahi in tarani ana aqalla minka malan wawaladan

40. “Waarschijnlijk zal mijn Heer mij iets beters geven dan uw tuin en bliksemstralen uit de hemel doen nederdalen op de uwe, waardoor deze grond kaal wordt.”
FaAAasa rabbee an yu/tiyani khayran min jannatika wayursila AAalayha husbanan mina alssama-i fatusbiha saAAeedan zalaqan

41. “Of het water er van in de grond doen zinken, waardoor gij niet in staat zult zijn, het te bereiken.”
Aw yusbiha maoha ghawran falan tastateeAAa lahu talaban

42. En zijn fruit werd vernietigd en hij begon zijn handen te wringen wegens hetgeen hij aan de tuin had besteed, terwijl het latwerk eveneens was neergestort en hij zeide: “Had ik maar niemand met mijn Heer vereenzelvigd.”
Waoheeta bithamarihi faasbaha yuqallibu kaffayhi AAala ma anfaqa feeha wahiya khawiyatun AAala AAurooshiha wayaqoolu ya laytanee lam oshrik birabbee ahadan

43. En hij had geen leger om hem tegen Allah te helpen, noch kon hij zich verdedigen.
Walam takun lahu fi-atun yansuroonahu min dooni Allahi wamakana muntasiran

44. De bescherming komt alleen van Allah, de Ware. Hij is de Beste in het belonen en de Beste in het verrekenen.
Hunalika alwalayatu lillahi alhaqqi huwa khayrun thawaban wakhayrun AAuqban

45. Geef hun de gelijkenis van het leven dezer wereld: het is als Wij water uit de hemel nederzenden, waardoor de planten der aarde volop groeien en daarna verdrogen zij en breken in stukken die de wind verspreidt. Allah heeft macht over alle dingen.
Waidrib lahum mathala alhayati alddunya kama-in anzalnahu mina alssama-i faikhtalata bihi nabatu al-ardi faasbaha hasheeman tathroohu alrriyahu wakana Allahu AAala kulli shay-in muqtadiran

46. Rijkdom en kinderen zijn een sieraad van het leven dezer wereld, maar blijvende goede werken, zijn beter bij uw Heer tot beloning en hoop.
Almalu waalbanoona zeenatu alhayati alddunya waalbaqiyatu alssalihatu khayrun AAinda rabbika thawaban wakhayrun amalan

47. En (gedenk) de dag waarop Wij de bergen zullen verzetten en gij de aarde zult zien oprijzen en Wij hen (de mensen) zullen verzamelen en niemand hunner zullen Wij achterlaten.
Wayawma nusayyiru aljibala watara al-arda barizatan wahasharnahum falam nughadir minhum ahadan

48. En zij zullen in rijen tot uw Heer worden gebracht. (Hij zal zeggen) Nu zijt gij tot Ons gekomen zoals Wij u in den beginne hebben geschapen. Doch gij dacht dat Wij nimmer een Uur voor u zouden vaststellen.
WaAAuridoo AAala rabbika saffan laqad ji/tumoona kamakhalaqnakum awwala marratin bal zaAAamtum allan najAAala lakum mawAAidan

49. En het Boek zal worden voorgelegd; dan zult gij de schuldigen zien vrezen wegens hetgeen daarin staat en zij zullen zeggen: “Wee ons! Wat voor een boek is dit! Het slaat klein noch groot over, doch het somt alles op.” En zij zullen al hetgeen zij deden voor zich zien en uw Heer zal niemand onrecht aandoen.
WawudiAAa alkitabu fatara almujrimeena mushfiqeena mimmafeehi wayaqooloona ya waylatana ma lihatha alkitabi la yughadirusagheeratan wala kabeeratan illa ahsaha wawajadoo ma AAamiloohadiran wala yathlimu rabbuka ahadan

50. (Gedenk de tijd) toen Wij tot de engelen zeiden: “Buigt voor Adam”, zij bogen, doch Iblies niet. Hij was één der djinn, derhalve was hij ongehoorzaam aan het gebod van zijn Heer. Zult gij hem en zijn nageslacht tot vrienden nemen, terwijl zij uw vijanden zijn? Slecht is het loon der onrechtvaardigen.
Wa-ith qulna lilmala-ikati osjudoo li-adama fasajadoo illa ibleesa kana mina aljinni fafasaqa AAan amri rabbihi afatattakhithoonahu wathurriyyatahu awliyaa min doonee wahum lakum AAaduwwun bi/sa lilththalimeena badalan

51. Ik riep hen niet om te getuigen van de schepping der hemelen en der aarde, noch van hun eigen schepping noch neem Ik degenen die misleiden ooit tot helpers.
Ma ashhadtuhum khalqa alssamawati waal-ardi wala khalqa anfusihim wama kuntu muttakhitha almudilleena AAadudan

52. (Gedenk) de dag waarop Hij zal zeggen: “Roept degenen waarvan gij beweerdet dat zij Mijn deelgenoten waren.” Dan zullen zij hen (de afgoden) aanroepen, doch dezen zullen hun niet antwoorden; en Wij zullen een scheiding tussen hen maken.
Wayawma yaqoolu nadoo shuraka-iya allatheena zaAAamtum fadaAAawhum falam yastajeeboo lahum wajaAAalna baynahum mawbiqan

53. En de schuldigen zullen het Vuur zien en weten dat zij daarin zullen vallen; zij zullen daar niet aan ontkomen!
Waraa almujrimoona alnnara fathannoo annahum muwaqiAAoohawalam yajidoo AAanha masrifan

54. Voorwaar, Wij hebben in deze Koran voor de mensen allerlei gelijkenissen vermeld, doch de mens is in vele dingen zeer twistziek.
Walaqad sarrafna fee hatha alqur-ani lilnnasi min kulli mathalin wakana al-insanu akthara shay-in jadalan

55. En er is niets dat de mens ervan weerhoudt te geloven wanneer de leidraad tot hem komt, en hun Heer om vergeving te vragen, behalve dat (zij wachten) totdat zij worden achterhaald door de gebruiken van de ouden, of totdat zij worden geconfronteerd met de straf.
Wama manaAAa alnnasa an yu/minoo ith jaahumu alhudawayastaghfiroo rabbahum illa an ta/tiyahum sunnatu al-awwaleena aw ya/tiyahumu alAAathabu qubulan

56. Wij zenden de boodschappers slechts als dragers van de blijde tijding en als waarschuwers. De ongelovigen twisten met leugens om daardoor de Waarheid te niet te doen. En zij houden Mijn tekenen en al hetgeen waarmee zij zijn bedreigd, voor scherts.
Wama nursilu almursaleena illa mubashshireena wamunthireena wayujadilu allatheena kafaroo bialbatili liyudhidoo bihi alhaqqa waittakhathoo ayatee wama onthiroo huzuwan

57. En wie is onrechtvaardiger dan hij die herinnerd wordt aan de tekenen van zijn Heer, doch zich er van afwendt en vergeet, hetgeen zijn handen hebben verricht? Voorwaars Wij hebben sluiers over hun hart gelegd zodat zij niet begrijpen en doofheid in hun oren. Indien gij hen derhalve tot de leiding roept, willen zij de rechte weg niet volgen.
Waman athlamu mimman thukkira bi-ayati rabbihi faaAArada AAanha wanasiya ma qaddamat yadahu inna jaAAalna AAalaquloobihim akinnatan an yafqahoohu wafee athanihim waqran wa-in tadAAuhum ila alhuda falan yahtadoo ithan abadan

58. Doch uw Heer is Vergevensgezind, Barmhartig. Indien Hij hen ter verantwoording zou roepen voor hetgeen zij hebben verdiend, dan zou Hij ongetwijfeld hun straf hebben verhaast. Neen, voor hen is een vastgestelde tijd waaraan zij niet kunnen ontkomen.
Warabbuka alghafooru thoo alrrahmati law yu-akhithuhum bimakasaboo laAAajjala lahumu alAAathaba bal lahum mawAAidun lan yajidoo min doonihi maw-ilan

59. En deze steden! Wij vernietigden ze toen zij ongerechtigheden bedreven. En Wij stelden een bepaalde tijd vast voor hun verdelging.
Watilka alqura ahlaknahum lamma thalamoo wajaAAalnalimahlikihim mawAAidan

60. En (gedenk de tijd) toen Mozes zeide tot zijn dienaar: “Ik zal het niet opgeven voordat ik de samenvloeiing van twee zeeën heb bereikt, al moet ik eeuwenlang voortgaan;”
Wa-ith qala moosa lifatahu la abrahu hatta ablugha majmaAAa albahrayni aw amdiya huquban

61. En toen zij de plek bereikten waar de beide (zeeën) samenkwamen, vergaten zij hun vis en deze zwom snel weg in de zee.
Falamma balagha majmaAAa baynihima nasiya hootahumafaittakhatha sabeelahu fee albahri saraban

62. En toen zij verder gingen, zeide hij tot zijn dienaar: “Breng ons het ochtendmaal. Waarlijk, vermoeidheid heeft ons bevangen, vanwege onze reis.”
Falamma jawaza qala lifatahu atina ghadaana laqad laqeena min safarina hatha nasaban

63. Hij antwoordde: “Zie, toen wij ons op de rots begaven vergat ik de vis – en slechts Satan deed mij vergeten er over te spreken – en de vis vond op bewonderenswaardige wijze zijn weg naar de zee.”
Qala araayta ith awayna ila alssakhrati fa-innee naseetu alhoota wama ansaneehu illa alshshaytanu an athkurahu waittakhatha sabeelahu fee albahri AAajaban

64. Hij zei: Dit is waar wij naar zochten. Dus keerden zij op hun schreden terug.
Qala thalika ma kunna nabghi fairtadda AAala atharihima qasasan

65. Daar vonden zij een Onzer dienaren, aan wie Wij Onze barmhartigheid hadden bewezen en wie Wij van Onze kennis hadden geschonken.
Fawajada AAabdan min AAibadina ataynahu rahmatan min AAindina waAAallamnahu min ladunna AAilman

66. Mozes zeide tot hem: “Mag ik u volgen dat gij mij onderwijst in de leiding, die u is gegeven?”
Qala lahu moosa hal attabiAAuka AAala an tuAAallimani mimmaAAullimta rushdan

67. Hij antwoordde: “Gij kunt geen geduld hebben met mij.”
Qala innaka lan tastateeAAa maAAiya sabran

68. “Want hoe kunt gij geduldig zijn over dingen die uw begrip te boven gaan?”
Wakayfa tasbiru AAala ma lam tuhit bihi khubran

69. Hij zeide: “Indien het Gode behaagt, zult gij mij geduldig vinden en ik zal aan uw bevel niet ongehoorzaam zijn.”
Qala satajidunee in shaa Allahu sabiran wala aAAsee laka amran

70. Hij zeide: “Welaan dan, indien gij mij wenst te volgen stel mij nergens vragen over eer ik zelf daaromtrent tot u spreek.”
Qala fa-ini ittabaAAtanee fala tas-alnee AAan shay-in hatta ohditha laka minhu thikran

71. Aldus vertrokken beiden totdat zij in een boot stapten en hij maakte er een gat in. Waarop Mozes uitriep: “Hebt gij er een gat in gemaakt teneinde de opvarenden er van te doen verdrinken? Voorwaar, gij hebt iets gruwelijks bedreven.”
Faintalaqa hatta itha rakiba fee alssafeenati kharaqaha qala akharaqtaha litughriqa ahlaha laqad ji/ta shay-an imran

72. Hij antwoordde: “Had ik u niet gezegd dat gij stellig geen geduld met mij zoudt kunnen tonen?”
Qala alam aqul innaka lan tastateeAAa maAAiya sabran

73. Mozes zeide: “Maak mij geen verwijt omdat ik het vergeten ben en maak het mij niet moeilijk.”
Qala la tu-akhithnee bima naseetu wala turhiqnee min amree AAusran

74. Zij reisden dus verder tot dat zij een knaap ontmoetten en hij deze doodsloeg. Mozes zeide: “Hebt gij een onschuldige gedood die niemand had vermoord? Voorwaar, gij hebt een afkeurenswaardige daad begaan.”
Faintalaqa hatta itha laqiya ghulaman faqatalahu qala aqatalta nafsan zakiyyatan bighayri nafsin laqad ji/ta shay-an nukran

75. Hij antwoordde: “Zei ik u niet dat gij nimmer in staat zoudt zijn mij met geduld te vergezellen?”
Qala alam aqul laka innaka lan tastateeAAa maAAiya sabran

76. Mozes zeide: “Indien ik u wederom iets vraag houd mij dan niet in uw gezelschap, dan hebt gij zeker een verontschuldiging van mijn kant.”
Qala in saaltuka AAan shay-in baAAdaha fala tusahibnee qad balaghta min ladunnee AAuthran

77. Aldus vervolgden zij hun weg totdat zij bij de inwoners ener stad kwamen aan wie zij om eten vroegen, doch dezen weigerden hun gastvrijheid te betonen. Nu vonden zij daar een muur, die op het punt stond in te storten en hij herstelde deze. Mozes zeide: “Indien gij wildet, hadt gij er loon voor kunnen vragen.”
Faintalaqa hatta itha ataya ahla qaryatin istatAAama ahlaha faabaw an yudayyifoohuma fawajada feeha jidaran yureedu an yanqadda faaqamahu qala law shi/ta laittakhathta AAalayhi ajran

78. Hij zeide: “Dit is de scheiding tussen u en mij. Ik zal u thans de verklaring geven van datgene waarvoor gij geen geduld kondet tonen.”
Qala hatha firaqu baynee wabaynika saonabbi-oka bita/weeli ma lam tastatiAA AAalayhi sabran

79. “Wat de boot betreft, deze behoorde aan arme lieden die op de rivier werkten, en ik verkoos haar onbruikbaar te maken want achter hen was een koning die alle (goede) schepen met geweld in beslag wilde nemen.”
Amma alssafeenatu fakanat limasakeena yaAAmaloona fee albahri faaradtu an aAAeebaha wakana waraahum malikun ya/khuthu kulla safeenatin ghasban

80. “En wat de jongeling betreft, zijn ouders waren gelovigen en wij vreesden dat hij schande over hen zou brengen door zijn opstandigheid en ongeloof.”
Waamma alghulamu fakana abawahu mu/minayni fakhasheena an yurhiqahuma tughyanan wakufran

81. “Derhalve wensten wij dat hun Heer hun in zijn plaats een ander kind zou schenken dat reiner en zachtmoediger zou zijn (dan hij).”
Faaradna an yubdilahuma rabbuhuma khayran minhu zakatan waaqraba ruhman

82. “En wat de muur betreft, deze behoorde aan twee weesjongens in de stad en daaronder lag hun schat (begraven), hun vader was een rechtvaardig man derhalve behaagde het uw Heer dat zij volwassen zouden worden en dan hun schat zouden opgraven als een genade van uw Heer, en dit alles deed ik niet uit mezelf. Dit is de verklaring van datgene waarvoor gij geen geduld kondet tonen.”
Waamma aljidaru fakana lighulamayni yateemayni fee almadeenati wakana tahtahu kanzun lahuma wakana aboohuma salihan faarada rabbuka an yablugha ashuddahuma wayastakhrija kanzahuma rahmatan min rabbika wama faAAaltuhu AAan amree thalika ta/weelu ma lam tastiAA AAalayhi sabran

83. Men vraagt u betreffende Zol-Qarnain. Zeg: “Ik zal u zijn verhaal vertellen.”
Wayas-aloonaka AAan thee alqarnayni qul saatloo AAalaykum minhu thikran

84. Wij vestigden zijn macht op aarde en schonken hem de middelen (en het vermogen) alles te volbrengen.
Inna makkanna lahu fee al-ardi waataynahu min kulli shay-in sababan

85. En hij volgde een weg,
FaatbaAAa sababan

86. totdat hij het verste punt in de richting van de ondergaande zon bereikte, en deze in een bron van modderig water zag ondergaan, waarbij hij een (ongelovig) volk aantrof. Wij zeiden: “O, Zol-Qarnain, bestraf hen of behandel hen met vriendelijkheid.”
Hatta itha balagha maghriba alshshamsi wajadaha taghrubu fee AAaynin hami-atin wawajada AAindaha qawman qulna ya thaalqarnayni imma an tuAAaththiba wa-imma an tattakhitha feehimhusnan

87. Hij zeide: “Wat betreft degene die kwaad doet, hem zullen wij straffen; daarna zal hij worden teruggebracht tot zijn Heer die hem straffen zal met een gestrengere straf.”
Qala amma man thalama fasawfa nuAAaththibuhu thumma yuraddu ila rabbihi fayuAAaththibuhu AAathaban nukran

88. “Doch wat hem betreft die gelooft en oprecht handelt, hij zal een goede beloning ontvangen, en Wij zullen hem op Ons bevel alle gemakken verschaffen.”
Waamma man amana waAAamila salihan falahu jazaan alhusnawasanaqoolu lahu min amrina yusran

89. Vervolgens ging hij een andere weg.
Thumma atbaAAa sababan

90. Totdat hij het land van de rijzende zon bereikte, en ontdekte dat zij over een volk opging voor hetwelk Wij geen beschutting er tegen hadden verschaft.
Hatta itha balagha matliAAa alshshamsi wajadaha tatluAAu AAalaqawmin lam najAAal lahum min dooniha sitran

91. Zo was het, en Wij hadden volledig kennis van wat hij bezat.
Kathalika waqad ahatna bima ladayhi khubran

92. Vervolgens ging hij weer een andere weg.
Thumma atbaAAa sababan

93. Totdat hij tussen twee bergen kwam, waar hij een volk aantrof dat amper een woord verstond.
Hatta itha balagha bayna alssaddayni wajada min doonihimaqawman la yakadoona yafqahoona qawlan

94. Zij zeiden: “O Zol-Qarnain, Gog en Magog stichten onheil op aarde, mogen wij u dan schatting betalen mits gij een afscheiding tussen hen en ons opricht?”
Qaloo ya tha alqarnayni inna ya/jooja wama/jooja mufsidoona fee al-ardi fahal najAAalu laka kharjan AAala an tajAAala baynanawabaynahum saddan

95. Hij antwoordde: “De macht waarmee mijn Heer mij heeft bekleed is beter, doch gij kunt mij met lichamelijke kracht helpen. Ik zal tussen u en hen een sterke afscheiding oprichten.”
Qala ma makkannee feehi rabbee khayrun faaAAeenoonee biquwwatin ajAAal baynakum wabaynahum radman

96. “Brengt mij blokken ijzer.” (Zij deden dit) totdat hij de ruimte tussen de beide rotsen had opgevuld; toen zeide hij: “Blaast.” totdat (het ijzer) wit gloeiend werd, nu zeide hij: “Brengt mij gesmolten koper, opdat ik het er overheen giete.”
Atoonee zubara alhadeedi hatta itha sawa bayna alsadafayni qala onfukhoo hatta itha jaAAalahu naran qala atoonee ofrigh AAalayhi qitran

97. Derhalve waren zij (Gog en Magog) niet (meer) in staat er overheen te klimmen, noch waren zij bij machte er doorheen te graven.
Fama istaAAoo an yathharoohu wama istataAAoo lahu naqban

98. Hij zeide: “Dit is een genade van mijn Heer. Maar wanneer de belofte van mijn Heer vervuld zal worden, zal Hij dit uiteen doen vallen. En de belofte van mijn Heer is werkelijkheid,
Qala hatha rahmatun min rabbee fa-itha jaa waAAdu rabbee jaAAalahu dakkaa wakana waAAdu rabbee haqqan

99. En op die Dag zullen Wij sommigen hunner tegen anderen laten opstaan en de bazuin zal worden geblazen. Dan zullen Wij hen allen tezamen verzamelen.
Watarakna baAAdahum yawma-ithin yamooju fee baAAdin wanufikha fee alssoori fajamaAAnahum jamAAan

100. En Wij zullen op die dag de hel aan de ongelovigen tonen.
WaAAaradna jahannama yawma-ithin lilkafireena AAardan

101. Wier ogen gesluierd waren voor de herinnering aan Mij, en die zelfs niet konden horen.
Allatheena kanat aAAyunuhum fee ghita-in AAan thikree wakanoo la yastateeAAoona samAAan

102. Denken de ongelovigen dat zij Mijn dienaren tot beschermers kunnen nemen buiten Mij? Voorwaar Wij hebben de hel bereid tot een onthaal voor de ongelovigen.
Afahasiba allatheena kafaroo an yattakhithoo AAibadee min doonee awliyaa inna aAAtadna jahannama lilkafireena nuzulan

103. Zeg: “Zullen wij u verhalen omtrent degenen die het grootste verlies in hun werken zullen lijden?”
Qul hal nunabbi-okum bial-akhsareena aAAmalan

104. Diegenen, wier streven gericht is op het leven dezer wereld en denken dat zij een bijzonder goed werk verrichten,
Allatheena dalla saAAyuhum fee alhayati alddunya wahum yahsaboona annahum yuhsinoona sunAAan

105. Dezen zijn het die de tekenen van hun Heer en de ontmoeting met Hem verwerpen. Derhalve zijn hun werken verloren gegaan en op de Dag der Verrijzenis zullen Wij geen weegschaal voor hen oprichten.
Ola-ika allatheena kafaroo bi-ayati rabbihim waliqa-ihi fahabitat aAAmaluhum fala nuqeemu lahum yawma alqiyamati waznan

106. De hel is hun beloning wegens hun ongeloof en de spot die zij met Mijn Tekenen en Mijn boodschappers bedreven.
Thalika jazaohum jahannamu bima kafaroo waittakhathoo ayatee warusulee huzuwan

107. Voorwaar, de gelovigen die goede werken doen, zullen de tuinen van het Paradijs tot onthaal hebben.
Inna allatheena amanoo waAAamiloo alssalihati kanat lahum jannatu alfirdawsi nuzulan

108. Daarin zullen zij vertoeven en zij zullen niet wensen daaruit weg te gaan.
Khalideena feeha la yabghoona AAanha hiwalan

109. Zeg: “Al ware de oceaan inkt voor de Woorden van mijn Heer, zo zou de oceaan zijn uitgeput eer de Woorden van mijn Heer ten einde komen – zelfs al zouden Wij er evenveel ter aanvulling toevoegen.”
Qul law kana albahru midadan likalimati rabbee lanafida albahru qabla an tanfada kalimatu rabbee walaw ji/na bimithlihi madadan

110. Zeg: “Ik ben slechts een mens gelijk gij, doch mij wordt geopenbaard dat uw God slechts één God is. Laat daarom degene, die op de ontmoeting met zijn Heer hoopt, goede daden verrichten en bij de aanbidding van zijn Heer niemand anders met Hem vereenzelvigen.”
Qul innama ana basharun mithlukum yooha ilayya annamailahukum ilahun wahidun faman kana yarjoo liqaa rabbihi falyaAAmal AAamalan salihan wala yushrik biAAibadati rabbihi ahadan

alisraa-vorigesurahhoofdstuk-svAllahmarjam-volgendesurahhoofdstuk-svAllah


Dit hoofdstuk gaat geheel over de christelijke religie en de christelijke naties, en hierom heeft het de naam De Grot gekregen. De onderscheidende eigenschap van het Christendom is zijn instelling van de monnikenstand. De uitoefening van een minnikenleven vereiste dergelijke uithoeken van eenzaamheid als grotten. Het verhaal van de Bewoners van de Grot is in feite het verhaal van de christelijke religie. In eerste instantie bevond deze zich in volkomen afzondering in grotten, maar later veranderde dit door haar materiёle betrokkenheid bij handel en insdustrie. Hiernaar wordt verwezen met het woord raqim of inscriptie; zie v. 9; 9a.

One thought on “18. Al-Kahf (De Spelonk)

  1. Pingback: Waarom ISIS is afgedwaald en zorgt voor het verspreiden van misconcepties | STUDENT VAN ALLAH

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s