19. Marjam (Maria)

– In de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. –
Bismillahi rahmani rahim

1. Kaaf, Haa, Jaa, ‘Ain, Saad.
Kaf-ha-ya-AAayn-sad

2. Dit is een vermelding van de barmhartigheid van uw Heer, betoond aan Zijn dienaar, Zacharia.
Thikru rahmati rabbika AAabdahu zakariyya

3. Toen hij zijn Heer in het verborgene aanriep,
Ith nada rabbahu nidaan khafiyyan

4. Zeide hij: “Mijn Heer, het gebeente in mij is zwak geworden en mijn hoofd glanst met grijze haren, niettemin ben ik niet wanhopig, mijn Heer, bij mijn aanroep tot U.”
Qala rabbi innee wahana alAAathmu minnee waishtaAAala alrra/su shayban walam akun biduAAa-ika rabbi shaqiyyan

5. “Maar ik vrees mijn bloedverwanten na mij; mijn vrouw is onvruchtbaar, geef mij een opvolger van U.”
Wa-innee khiftu almawaliya min wara-ee wakanati imraatee AAaqiran fahab lee min ladunka waliyyan

6. “Opdat hij mij en het Huis van Jacob tot erfgenaam moge zijn. En maak hem, mijn Heer, U welgevallig.”
Yarithunee wayarithu min ali yaAAqooba waijAAalhu rabbi radiyyan

7. (God antwoordde) “O Zacharia, Wij brengen u blijde tijding omtrent een zoon wiens naam Jahja (Johannes) zal zijn. Wij hebben voordien niemand aan hem gelijk gemaakt.”
Ya zakariyya inna nubashshiruka bighulamin ismuhu yahya lam najAAal lahu min qablu samiyyan

8. Hij zeide: “Mijn Heer, hoe kan mij een zoon geworden, terwijl mijn vrouw onvruchtbaar is en ik de uiterste grens des ouderdoms heb bereikt?”
Qala rabbi anna yakoonu lee ghulamun wakanati imraatee AAaqiran waqad balaghtu mina alkibari AAitiyyan

9. Hij zeide: “Het zij zo, Uw Heer zegt: ‘Het is gemakkelijk voor Mij, Ik heb u voordien geschapen toen gij niets waart.'”
Qala kathalika qala rabbuka huwa AAalayya hayyinun waqad khalaqtuka min qablu walam taku shay-an

10. Hij zeide: “Mijn Heer, geef mij een teken.” (God) zei: “Uw teken is dat gij voor drie opeenvolgende dagen en nachten tot niemand zult spreken.”
Qala rabbi ijAAal lee ayatan qala ayatuka alla tukallima alnnasa thalatha layalin sawiyyan

11. Aldus kwam hij uit de kamer tot zijn volk en beduidde hen God in de morgen en in de avond te verheerlijken.
Fakharaja AAala qawmihi mina almihrabi faawha ilayhim an sabbihoo bukratan waAAashiyyan

12. “O Jahja (Johannes), houd u krachtig aan het Boek.” Wij schonken hem wijsheid, terwijl hij nog een kind was,
Ya yahya khuthi alkitaba biquwwatin waataynahu alhukma sabiyyan

13. En zachtmoedigheid van Ons en reinheid. En hij was vroom,
Wahananan min ladunna wazakatan wakana taqiyyan

14. Vriendelijk en goed voor zijn ouders. En hij was trots noch opstandig.
Wabarran biwalidayhi walam yakun jabbaran AAasiyyan

15. Vrede was met hem op de dag zijner geboorte, en op zijn sterfdag, en zal eveneens met hem zijn op de dag waarop hij weer tot leven zal worden gewekt.
Wasalamun AAalayhi yawma wulida wayawma yamootu wayawma yubAAathu hayyan

16. En vermeld Maria in het Boek. Toen zij zich van haar volk terugtrok in een op het Oosten uitziende plaats,
Waothkur fee alkitabi maryama ithi intabathat min ahliha makanan sharqiyyan

17. En zich aan hlm blikken onttrok, zonden Wij Onze Geest tot haar en hij verscheen aan haar in de gestalte van een volmaakte man.
Faittakhathat min doonihim hijaban faarsalna ilayha roohanafatamaththala laha basharan sawiyyan

18. Zij zeide: “Ik neem mijn toevlucht tot de Barmhartige tegen u, laat mij met rust, indien gij (God) vreest.”
Qalat innee aAAoothu bialrrahmani minka in kunta taqiyyan

19. Hij antwoordde: “Ik ben slechts een boodschapper van uw Heer opdat ik u een reine zoon moge schenken.”
Qala innama ana rasoolu rabbiki li-ahaba laki ghulaman zakiyyan

20. Zij zeide: “Hoe kan ik een zoon ontvangen terwijl geen man mij heeft aangeraakt en ik evenmin onkuisheid heb bedreven?”
Qalat anna yakoonu lee ghulamun walam yamsasnee basharun walam aku baghiyyan

21. Hij zeide: “Het is zo naar uw Heer zegt, ‘het is gemakkelijk voor Mij,'” opdat Wij hem tot een teken voor de mensen maken, een genade Onzerzijds; het is een besloten zaak.”
Qala kathaliki qala rabbuki huwa AAalayya hayyinun walinajAAalahu ayatan lilnnasi warahmatan minna wakana amran maqdiyyan

22. En zij ontving hem en trok zich met hem terug in een ver afgelegen oord.
Fahamalat-hu faintabathat bihi makanan qasiyyan

23. En de smarten der bevalling dreven haar naar de voet van een palmboom. Zij zeide: “O, liever zou ik vََr dit geschiedde gestorven en in de vergetelheid geraakt zijn.”
Faajaaha almakhadu ila jithAAi alnnakhlati qalat ya laytanee mittu qabla hatha wakuntu nasyan mansiyyan

24. Dan riep (Gods boodschapper) haar van beneden toe, zeggende: “Treur niet. Uw Heer heeft een beekje aan uw voet doen ontstaan;”
Fanadaha min tahtiha alla tahzanee qad jaAAala rabbuki tahtaki sariyyan

25. “En schud de stam van de palmboom naar u toe, deze zal verse, rijpe dadels op u doen neervallen;”
Wahuzzee ilayki bijithAAi alnnakhlati tusaqit AAalayki rutaban janiyyan

26. “Eet en drink en koel uw oog. En indien gij iemand ziet, beduid hem dan: ‘Ik heb de Barmhartige gelofte gedaan te vasten; derhalve zal ik heden met niemand spreken.'”
Fakulee waishrabee waqarree AAaynan fa-imma tarayinna mina albashari ahadan faqoolee innee nathartu lilrrahmani sawman falan okallima alyawma insiyyan

27. Alsdan bracht zij het kind tot haar volk. Dit zeide: “O Maria, gij hebt iets vreemds gedaan.”
Faatat bihi qawmaha tahmiluhu qaloo ya maryamu laqad ji/ti shay-an fariyyan

28. “O Zuster van Aaron, uw vader was geen verdorven man noch was uw moeder een onkuise vrouw.”
Ya okhta haroona ma kana abooki imraa saw-in wama kanat ommuki baghiyyan

29. Dan wees zij naar het kind. Zij zeiden: “Hoe kunnen wij tot een wiegekind spreken?”
Faasharat ilayhi qaloo kayfa nukallimu man kana fee almahdisabiyyan

30. Hij (Jezus) zeide: “Ik ben een dienaar van Allah. Hij heeft mij het Boek gegeven en mij tot een profeet gemaakt;”
Qala innee AAabdu Allahi ataniya alkitaba wajaAAalanee nabiyyan

31. “Hij heeft mij gezegend waar ik mij ook moge bevinden; en heeft mij het gebed en het geven van aalmoezen zolang ik leef opgelegd.”
WajaAAalanee mubarakan aynama kuntu waawsanee bialssalati waalzzakati ma dumtu hayyan

32. “En dat ik gehoorzaam zou zijn jegens mijn moeder. Hij heeft mij noch een onderdrukker, noch een slecht mens gemaakt.”
Wabarran biwalidatee walam yajAAalnee jabbaran shaqiyyan

33. “Vrede was met mij op de dag mijner geboorte en zal met mij zijn op de dag van mijn dood en evenzo op de dag dat ik ten leven zal worden opgewekt.”
Waalssalamu AAalayya yawma wulidtu wayawma amootu wayawma obAAathu hayyan

34. Aldus was Jezus, de zoon van Maria. En (dit is) het ware woord waaraan zij twijfelen.
Thalika AAeesa ibnu maryama qawla alhaqqi allathee feehi yamtaroona

35. Het past niet bij Allah Zich een zoon te verwekken, Heilig is Hij. Wanneer Hij een beslissing neemt, zegt Hij daartoe slechts: “Wees”, en het wordt.
Ma kana lillahi an yattakhitha min waladin subhanahu itha qadaamran fa-innama yaqoolu lahu kun fayakoonu

36. “Voorwaar, Allah is mijn Heer en uw Heer. Aanbidt Hem derhalve, dit is de rechte weg.”
Wa-inna Allaha rabbee warabbukum faoAAbudoohu hatha siratun mustaqeemun

37. Doch (sommige) partijen verschillen (hierover) onderling van mening; maar wee de ongelovigen bij hun aanwezigheid op de grote Dag.
Faikhtalafa al-ahzabu min baynihim fawaylun lillatheena kafaroo min mashhadi yawmin AAatheemin

38. Hoe helder zal hun horen en hun zien zijn op die Dag wanneer zij tot Ons zullen komen. Waarlijk, de onrechtvaardigen zijn in duidelijke dwaling.
AsmiAA bihim waabsir yawma ya/toonana lakini alththalimoona alyawma fee dalalin mubeenin

39. En waarschuw hen voor de Dag der Smart wanneer het oordeel zal worden geveld. Thans zijn zij achteloos en geloven niet.
Waanthirhum yawma alhasrati ith qudiya al-amru wahum fee ghaflatin wahum la yu/minoona

40. Wij zijn het, Die de aarde en alles wat zich daarop bevindt zullen erven en tot Ons zullen zij worden teruggebracht.
Inna nahnu narithu al-arda waman AAalayha wa-ilaynayurjaAAoona

41. En vermeld Abraham in het Boek. Hij was een waarheidslievend profeet.
Waothkur fee alkitabi ibraheema innahu kana siddeeqan nabiyyan

42. Toen hij tot zijn vader zeide: “O mijn vader, waarom aanbidt gij hetgeen hoort noch ziet, noch u op enigerlei wijze kan baten?”
Ith qala li-abeehi ya abati lima taAAbudu ma la yasmaAAu walayubsiru wala yughnee AAanka shay-an

43. “O mijn vader, er is inderdaad kennis tot mij gekomen die niet tot u is gekomen, volg mij daarom, ik zal u naar een pad leiden dat effen en recht is.”
Ya abati innee qad jaanee mina alAAilmi ma lam ya/tika faittabiAAnee ahdika siratan sawiyyan

44. “O mijn vader, dien Satan niet want Satan is weerspannig tegen de Barmhartige;”
Ya abati la taAAbudi alshshaytana inna alshshaytana kana lilrrahmani AAasiyyan

45. “O mijn vader, ik vrees dat de straf van de Barmhartige u zal treffen en dat gij dan een gezel van Satan zult worden,”
Ya abati innee akhafu an yamassaka AAathabun mina alrrahmani fatakoona lilshshyatani waliyyan

46. Antwoordde hij: “Verzaakt gij mijn goden, o Abraham? Indien gij niet ophoudt, zal ik u zeker uitbannen. Laat mij een tijd met rust.”
Qala araghibun anta AAan alihatee ya ibraheemu la-in lam tantahi laarjumannaka waohjurnee maliyyan

47. Abraham zeide: “Vrede zij met u. Ik zal mijn Heer om vergiffenis voor u smeken. Hij is mij inderdaad genadig.”
Qala salamun AAalayka saastaghfiru laka rabbee innahu kana beehafiyyan

48. “En ik zal mij verre houden van u en van hetgeen gij nevens Allah aanroept, en ik zal tot mijn Heer bidden; waarschijnlijk zal ik in mijn gebed tot mijn Heer niet worden teleurgesteld.”
WaaAAtazilukum wama tadAAoona min dooni Allahi waadAAoo rabbee AAasa alla akoona biduAAa-i rabbee shaqiyyan

49. Toen hij zich van hen en van hetgeen zij nevens Allah aanbaden, had losgemaakt, schonken Wij hem Isaac en Jacob en maakten elk hunner profeet.
Falamma iAAtazalahum wama yaAAbudoona min dooni Allahi wahabna lahu ishaqa wayaAAqooba wakullan jaAAalna nabiyyan

50. En Wij schonken hun Onze barmhartigheid en een verheven en goede naam.
Wawahabna lahum min rahmatina wajaAAalna lahum lisana sidqin AAaliyyan

51. En vermeld Mozes in het Boek. Voorwaar hij was een uitverkorene, boodschapper en profeet.
Waothkur fee alkitabi moosa innahu kana mukhlasan wakana rasoolan nabiyyan

52. Wij riepen hem van de rechter zijde van de Berg (Sinaï), en deden hem tot Ons naderen om met hem te spreken.
Wanadaynahu min janibi alttoori al-aymani waqarrabnahu najiyyan

53. En Wij schonken hem, door Onze barmhartigheid zijn broeder Aaron als profeet en helper.
Wawahabna lahu min rahmatina akhahu haroona nabiyyan

54. En gedenk Ismaël in het Boek. Hij was getrouw aan zijn belofte En hij was (eveneens) een boodschapper – profeet.
Waothkur fee alkitabi ismaAAeela innahu kana sadiqa alwaAAdi wakana rasoolan nabiyyan

55. Hij placht zijn volk gebeden en aalmoezen aan te bevelen en zijn Heer had welbehagen in hem.
Wakana ya/muru ahlahu bialssalati waalzzakati wakana AAinda rabbihi mardiyyan

56. En vermeld Idries in het Boek Hij was een waarheidslievend profeet.
Waothkur fee alkitabi idreesa innahu kana siddeeqan nabiyyan

57. En Wij verhieven hem tot een hoge plaats.
WarafaAAnahu makanan AAaliyyan

58. Dezen zijn het over wie Allah Zijn zegeningen heeft uitgestort; namelijk de profeten van het nageslacht van Adam en van degenen die Wij met Noach droegen (in de ark) en van het nageslacht van Abraham en Israël; en zij behoren tot degenen die Wij leidden en uitverkoren. Toen de tekenen van de Weldadige hun werden voorgelezen vielen zij buigend en wenend neder.
Ola-ika allatheena anAAama Allahu AAalayhim mina alnnabiyyeena min thurriyyati adama wamimman hamalna maAAa noohin wamin thurriyyati ibraheema wa-isra-eela wamimman hadaynawaijtabayna itha tutla AAalayhim ayatu alrrahmani kharroo sujjadan wabukiyyan

59. Hen volgden de bozen op, die het gebed verwaarloosden, en hun hartstochten gehoor gaven. Weldra zullen zij hun ondergang tegemoet gaan.
Fakhalafa min baAAdihim khalfun adaAAoo alssalata waittabaAAoo alshshahawati fasawfa yalqawna ghayyan

60. Maar zij die berouw hebben en geloven en goede werken verrichten, zullen het paradijs binnengaan en zij zullen geenszins schade lijden.
Illa man taba waamana waAAamila salihan faola-ika yadkhuloona aljannata wala yuthlamoona shay-an

61. Tuinen der eeuwigheid, dat is een belofte van het Onzienlijke, welke de Barmhartige aan Zijn dienaren heeft gedaan. Voorwaar, Zijn belofte zal zeker worden vervuld.
Jannati AAadnin allatee waAAada alrrahmanu AAibadahu bialghaybi innahu kana waAAduhu ma/tiyyan

62. Zij zullen daarin geen ijdel gesprek horen: slechts “vrede”, en ’s morgens en ’s avonds zullen zij hun levensonderhoud ontvangen.
La yasmaAAoona feeha laghwan illa salaman walahum rizquhum feeha bukratan waAAashiyyan

63. Aldus is het paradijs dat Wij als erfenis geven aan Onze dienaren, die rechtvaardig zijn.
Tilka aljannatu allatee noorithu min AAibadina man kana taqiyyan

64. “Wij (engelen) dalen slechts neder op bevel van uw Heer. Aan Hem behoort al hetgeen vََr ons is en al hetgeen achter ons is en al hetgeen er tussen ligt; en uw Heer vergeet nimmer.”
Wama natanazzalu illa bi-amri rabbika lahu ma bayna aydeenawama khalfana wama bayna thalika wama kana rabbuka nasiyyan

65. Hij is de Heer der hemelen en der aarde en al hetgeen hier tussen is. Dien Hem derhalve en wees volhardend in Zijn aanbidding. Kent gij Zijn gelijke?
Rabbu alssamawati waal-ardi wama baynahuma faoAAbudhu waistabir liAAibadatihi hal taAAlamu lahu samiyyan

66. En de mens zegt: “Zal ik wanneer ik dood ben, dan tot leven worden terug gebracht?”
Wayaqoolu al-insanu a-itha ma mittu lasawfa okhraju hayyan

67. Herinnert de mens zich dan niet dat Wij hem voorheen hebben geschapen toen hij nog niets was?
Awa la yathkuru al-insanu anna khalaqnahu min qablu walam yaku shay-an

68. En bij uw Heer, Wij zullen hen en de duivelen zeker verzamelen: dan zullen Wij hen op de knieën rondom de hel plaatsen.
Fawarabbika lanahshurannahum waalshshayateena thumma lanuhdirannahum hawla jahannama jithiyyan

69. Dan zullen Wij zeker uit elke groep diegenen onder hen uitkiezen die het opstandigst waren tegen de Weldadige.
Thumma lananziAAanna min kulli sheeAAatin ayyuhum ashaddu AAala alrrahmani AAitiyyan

70. En voorzeker, Wij weten het best wie onder hen het meest verdienen daarin te branden.
Thumma lanahnu aAAlamu biallatheena hum awla biha siliyyan

71. Er is niemand onder u of hij zal er toe komen – dit is een door uw Heer vastgesteld besluit.
Wa-in minkum illa wariduha kana AAala rabbika hatman maqdiyyan

72. Dan zullen Wij de rechtvaardigen redden en de bozen op hun knieën daarin achterlaten.
Thumma nunajjee allatheena ittaqaw wanatharu alththalimeena feehajithiyyan

73. En wanneer Onze duidelijke tekenen aan hen worden voorgehouden zeggen de ongelovigen tot de gelovigen: “Welke van de twee partijen neemt de beste plaats in en welke is beter als kring?”
Wa-itha tutla AAalayhim ayatuna bayyinatin qala allatheena kafaroo lillatheena amanoo ayyu alfareeqayni khayrun maqaman waahsanu nadiyyan

74. Hoevele geslachten hebben Wij niet vََóór hen verdelgd, die een groter bezit hadden en een beter uiterlijk!
Wakam ahlakna qablahum min qarnin hum ahsanu athathan wari/yan

75. Zeg: “De Weldadige geeft degenen die dwalen uitstel totdat zij zullen zien hetgeen waarmee zij worden bedreigd, – zij het de kastijding of het Uur – daarna zullen zij weten wie de slechtste plaats inneemt en wie zwakkere strijdkrachten heeft.
Qul man kana fee alddalalati falyamdud lahu alrrahmanu maddanhatta itha raaw ma yooAAadoona imma alAAathaba wa-immaalssaAAata fasayaAAlamoona man huwa sharrun makanan waadAAafu jundan

76. En Allah vermeerdert leiding voor degenen die leiding volgen. De blijvende goede werken geven een betere beloning en (vormen) de beste toevlucht bij uw Heer.
Wayazeedu Allahu allatheena ihtadaw hudan waalbaqiyatu alssalihatu khayrun AAinda rabbika thawaban wakhayrun maraddan

77. Hebt gij hem dan gezien die Onze tekenen verwerpt en zegt: “Mij zullen zeker rijkdommen en kinderen worden geschonken?”
Afaraayta allathee kafara bi-ayatina waqala laootayanna malan wawaladan

78. Heeft hij toegang tot het Onzienlijke gehad of heeft hij een belofte uit de hand van de Weldadige ontvangen?
AttalaAAa alghayba ami ittakhatha AAinda alrrahmani AAahdan

79. Neen, hetgeen hij zegt tekenen Wij aan en Wij zullen de straf voor hem vermeerderen.
Kalla sanaktubu ma yaqoolu wanamuddu lahu mina alAAathabi maddan

80. En Wij zullen al hetgeen waarover hij spreekt erven en hij zal alleen tot Ons komen.
Wanarithuhu ma yaqoolu waya/teena fardan

81. Zij hebben andere goden naast Allah genomen, opdat dezen een bron van macht voor hen mogen zijn.
Waittakhathoo min dooni Allahi alihatan liyakoonoo lahum AAizzan

82. Stellig niet! Integendeel zij (de afgoden) zullen hun aanbidding ontkennen en hun tegenstanders blijken te zijn.
Kalla sayakfuroona biAAibadatihim wayakoonoona AAalayhimdiddan

83. Ziet gij niet dat Wij duivelen over de ongelovigen hebben losgelaten om hen aan te sporen?
Alam tara anna arsalna alshshayateena AAala alkafireena taozzuhum azzan

84. Wees daarom niet gehaast tegenover hen, Wij zullen voor hen de juiste (vergelding) voorbereiden.
Fala taAAjal AAalayhim innama naAAuddu lahum AAaddan

85. Ten dage waarop Wij de godvrezenden in groepen zullen verzamelen tot de Barmhartige.
Yawma nahshuru almuttaqeena ila alrrahmani wafdan

86. Zullen Wij de schuldigen als een dorstige kudde naar de hel drijven.
Wanasooqu almujrimeena ila jahannama wirdan

87. Zij zullen geen voorspraak hebben behalve degenen die van de Weldadige een belofte hebben ontvangen.
La yamlikoona alshshafaAAata illa mani ittakhatha AAinda alrrahmani AAahdan

88. En zij zeggen: “De Barmhartige heeft zich een zoon genomen.”
Waqaloo ittakhatha alrrahmanu waladan

89. Gij hebt voorzeker een lastering uitgesproken.
Laqad ji/tum shay-an iddan

90. De hemelen dreigen vaneen te scheuren, en de aarde te splijten en de bergen in stukken te vallen.
Takadu alssamawatu yatafattarna minhu watanshaqqu al-ardu watakhirru aljibalu haddan

91. Daar zij aan de Barmhartige een zoon hebben toegekend.
An daAAaw lilrrahmani waladan

92. Terwijl de Barmhartige te verheven is om een zoon te hebben.
Wama yanbaghee lilrrahmani an yattakhitha waladan

93. Er is niemand in de hemelen en op de aarde die niet als een dienaar tot de Barmhartige zal komen.
In kullu man fee alssamawati waal-ardi illa atee alrrahmani AAabdan

94. Voorwaar, Hij kent hen en heeft hen allen precies geteld.
Laqad ahsahum waAAaddahum AAaddan

95. En op de Dag der Opstanding zal elk hunner alleen tot Hem komen.
Wakulluhum ateehi yawma alqiyamati fardan

96. Degenen die geloven en goede daden doen – aan hen zal de Barmhartige liefde betonen.
Inna allatheena amanoo waAAamiloo alssalihati sayajAAalu lahumu alrrahmanu wuddan

97. Aldus hebben Wij hem (de Koran) gemakkelijk voor uw tong gemaakt, opdat gij er mede goede tijdingen aan de godvruchtigen moogt geven en een twistziek volk er door moogt waarschuwen.
Fa-innama yassarnahu bilisanika litubashshira bihi almuttaqeena watunthira bihi qawman luddan

98. En hoevele geslachten hebben Wij vََóór hen niet vernietigd? Kunt gij een enkeling hunner zien of een voetstap van hen horen?
Wakam ahlakna qablahum min qarnin hal tuhissu minhum min ahadin aw tasmaAAu lahum rikzan

alkahf-vorigesurahhoofdstuk-svAllahtaahaa-volgendesurahhoofdstuk-svAllah


De controverse met het Christendom wordt in dit hoofdstuk voortgezet, en het hoofdstuk is genoemd naar de moeder van Jezus, Maria. Hier worden de omstandigheden rondom de geboorte van Jezus verhaald. Waar het vorige hoofdstuk zich meer bezigheid met de geschiedenis van het Christendom dan met zijn leerstellingen, poogt dit hoofdstuk de onjuistheid van de christelijke religieuze dogma’s aan te tonen. Het toont met zekerheid aan dat deze dogma’s innovaties zijn, die volkomen vreemd zijn aan de leerstellingen van alle profeten.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s