21. Al-Anbiyaae (De Profeten)

– In de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. –
Bismillahi rahmani rahim

1. Voor de mensen is de afrekening dichterbij gekomen en toch wenden zij zich in achteloosheid af.
Iqtaraba lilnnasi hisabuhum wahum fee ghaflatin muAAridoona

2. Er komt geen nieuwe Herinnering van hun Heer tot hen, maar zij horen het terwijl zij zich vermaken.
Ma ya/teehim min thikrin min rabbihim muhdathin illaistamaAAoohu wahum yalAAaboona

3. En hun hart is achteloos. En de onrechtvaardigen plegen overleg in het geheim zeggende: “Is deze (Mohammed) niet slechts een mens als gij? Wilt gij dan de tovenarij met open ogen tegemoet gaan?”
Lahiyatan quloobuhum waasarroo alnnajwa allatheena thalamoo hal hatha illa basharun mithlukum afata/toona alssihra waantum tubsiroona

4. Zeg: “Mijn Heer, weet wat in de hemel en op aarde wordt gezegd; Hij is de Alhorende, de Alwetende.”
Qala rabbee yaAAlamu alqawla fee alssama-i waal-ardi wahuwa alssameeAAu alAAaleemu

5. “Neen,” zeggen zij, “verwarde dromen; neen, hij heeft het verzonnen; neen, hij is een dichter. Laat hem ons een teken brengen zoals de vroegere (profeten) dit hebben gebracht.”
Bal qaloo adghathu ahlamin bali iftarahu bal huwa shaAAirun falya/tina bi-ayatin kama orsila al-awwaloona

6. Vََóór hen (bewoners van Mekka) heeft nooit een stad geloofd die Wij vernietigden; zullen deze dan wel geloven?
Ma amanat qablahum min qaryatin ahlaknaha afahum yu/minoona

7. En vََóór u zonden Wij slechts mannen aan wie Wij een openbaring hadden gezonden – Vraagt degenen, die de Vermaning bezitten, indien gij het niet weet.
Wama arsalna qablaka illa rijalan noohee ilayhim fais-aloo ahla alththikri in kuntum la taAAlamoona

8. En Wij maakten hun lichaam niet zodanig dat zij geen voedsel behoefden te gebruiken, evenmin dat zij voor eeuwen konden blijven leven.
Wama jaAAalnahum jasadan la ya/kuloona alttaAAama wama kanoo khalideena

9. Aldus vervulden Wij aan hen Onze belofte, en Wij redden hen en degenen die Wij wilden; doch Wij verdelgden de buitensporigen.
Thumma sadaqnahumu alwaAAda faanjaynahum waman nashao waahlakna almusrifeena

10. Wij hebben u een Boek (de Koran) nedergezonden waardoor gij tot aanzien kunt komen, wilt gij dan met begrijpen?
Laqad anzalna ilaykum kitaban feehi thikrukum afala taAAqiloona

11. Hoe menige stad vol van ongerechtigheid hebben Wij vernietigd en na haar hebben Wij een ander volk verwekt!
Wakam qasamna min qaryatin kanat thalimatan waansha/nabaAAdaha qawman akhareena

12. En toen zij Onze straf bemerkten, ziet, toen sloegen zij er voor op de vlucht.
Falamma ahassoo ba/sana itha hum minha yarkudoona

13. “Vlucht niet en keert terug tot de genoegens die u waren veroorloofd en tot uw woningen opdat gij ondervraagd zult worden.”
La tarkudoo wairjiAAoo ila ma otriftum feehi wamasakinikum laAAallakum tus-aloona

14. Zij antwoordden: “Wee ons, voorzeker, wij waren onrechtvaardig.”
Qaloo ya waylana inna kunna thalimeena

15. En hun geroep hield niet op totdat Wij hen nedermaaiden en uitblusten.
Fama zalat tilka daAAwahum hatta jaAAalnahum haseedan khamideena

16. Wij schiepen de hemel en de aarde en al hetgeen er tussen is, niet tot vermaak.
Wama khalaqna alssamaa waal-arda wama baynahuma laAAibeena

17. Indien Wij een spel hadden willen doen, dan zouden Wij met Onszelf hebben gespeeld, maar dit doen Wij niet.
Law aradna an nattakhitha lahwan laittakhathnahu min ladunna in kunna faAAileena

18. Neen, Wij stellen de waarheid tegenover de valsheid zodat de eerste de laatste het hoofd breekt en ziet, zij vergaat. En wee u, wegens hetgeen gij beweert.
Bal naqthifu bialhaqqi AAala albatili fayadmaghuhu fa-itha huwa zahiqun walakumu alwaylu mimma tasifoona

19. Hem behoort wat in de hemelen en op aarde is, en degenen die zich in Zijn tegenwoordigheid bevinden, zijn niet te trots om Hem te aanbidden, noch worden zij dit moede;
Walahu man fee alssamawati waal-ardi waman AAindahu layastakbiroona AAan AAibadatihi wala yastahsiroona

20. Zij verheerlijken Hem dag en nacht, en zij verslappen hierin nimmer.
Yusabbihoona allayla waalnnahara la yafturoona

21. Hebben zij (de afgodendienaars) goden genomen van de aarde die de doden kunnen opwekken?
Ami ittakhathoo alihatan mina al-ardi hum yunshiroona

22. Indien er naast Allah andere Goden waren in (de hemel en op aarde) zouden dezen voorzeker tot chaos zijn vervallen. Verheven is Allah, de Heer van de Troon, boven hetgeen zij zeggen.
Law kana feehima alihatun illa Allahu lafasadata fasubhana Allahi rabbi alAAarshi AAamma yasifoona

23. Hij kan niet worden ondertraagd betreffende hetgeen Hij doet, doch zij zullen worden ondervraagd.
La yus-alu AAamma yafAAalu wahum yus-aloona

24. Hebben zij Goden buiten Hem genomen? Zeg: “Komt met uw bewijzen.” Hier is de verkondiging dergenen die vََóór mij waren. Doch de meesten hunner kennen de waarheid niet en zij zijn er afkerig van.
Ami ittakhathoo min doonihi alihatan qul hatoo burhanakum hathathikru man maAAiya wathikru man qablee bal aktharuhum layaAAlamoona alhaqqa fahum muAAridoona

25. En Wij zonden geen boodschapper vََr u zonder hem te openbaren: “Voorzeker er is geen God buiten Mij, aanbidt derhalve Mij alleen.”
Wama arsalna min qablika min rasoolin illa noohee ilayhi annahu lailaha illa ana faoAAbudooni

26. En zij zeggen: “De Barmhartige heeft Zich een zoon genomen.” Heilig is Hij. Neen, zij zijn slechts geëerde dienaren.
Waqaloo ittakhatha alrrahmanu waladan subhanahu bal AAibadun mukramoona

27. Zij spreken niet eer Hij het beveelt, en zij handelen volgens Zijn gebod.
La yasbiqoonahu bialqawli wahum bi-amrihi yaAAmaloona

28. Hij weet wat vََóór hen is, en wat achter hen is, zij zijn voor niemand voorspraak behalve voor degene die Hem behaagt en zij sidderen uit eerbied voor Hem.
YaAAlamu ma bayna aydeehim wama khalfahum walayashfaAAoona illa limani irtada wahum min khashyatihi mushfiqoona

29. En wie hunner zou zeggen: “Ik ben een God naast Hem,” die zouden Wij met de hel vergelden. Aldus vergelden Wij de onrechtvaardigen.
Waman yaqul minhum innee ilahun min doonihi fathalika najzeehi jahannama kathalika najzee alththalimeena

30. Hebben de ongelovigen niet ingezien dat de hemel en de aarde gesloten waren en dat Wij ze dan hebben geopend? En al hetgeen leeft, hebben Wij uit water gemaakt. Willen zij dan toch niet geloven?
Awa lam yara allatheena kafaroo anna alssamawati waal-arda kanataratqan fafataqnahuma wajaAAalna mina alma-i kulla shay-in hayyin afala yu/minoona

31. En Wij hebben op aarde onwrikbare bergen geplaatst, opdat zij niet met hen (de mensen) zouden beven; en Wij hebben er wijde wegen gemaakt, opdat zij de juiste richting zouden volgen.
WajaAAalna fee al-ardi rawasiya an tameeda bihim wajaAAalnafeeha fijajan subulan laAAallahum yahtadoona

32. En Wij hebben de hemel gemaakt tot een welbeschermd dak; niettemin wenden zij zich af van deze tekenen.
WajaAAalna alssamaa saqfan mahfoothan wahum AAan ayatihamuAAridoona

33. En Hij is het, Die de nacht en de dag schiep. Ook de zon en de maan, elk hunner beweegt zich langs een (vaste) baan.
Wahuwa allathee khalaqa allayla waalnnahara waalshshamsa waalqamara kullun fee falakin yasbahoona

34. Wij hebben aan niemand vََóór u een eeuwig leven geschonken. Indien gij sterft, zouden zij hier dan voor eeuwig kunnen blijven?
Wama jaAAalna libasharin min qablika alkhulda afa-in mitta fahumu alkhalidoona

35. Iedere ziel moet de dood proeven. En Wij testen jullie met kwaad en met goed, om jullie te beproeven. En tot Ons worden jullie teruggebracht.
Kullu nafsin tha-iqatu almawti wanablookum bialshsharri waalkhayri fitnatan wa-ilayna turjaAAoona

36. Wanneer de ongelovigen u zien, spotten zij slechts met u, zij zeggen: “Is dit degene die kwaad spreekt van uw Goden?” terwijl zij het zijn die de verkondiging van de Barmhartige verwerpen.
Wa-itha raaka allatheena kafaroo in yattakhithoonaka illa huzuwan ahatha allathee yathkuru alihatakum wahum bithikri alrrahmani hum kafiroona

37. De mens is met een haastige natuur geschapen. Ik zal u Mijn tekenen tonen, doch vraagt Mij niet ze te verhaasten.
Khuliqa al-insanu min AAajalin saoreekum ayatee falatastaAAjiloona

38. En zij zeggen: “Wanneer zal deze belofte worden vervuld, indien gij waarachtig zijt?”
Wayaqooloona mata hatha alwaAAdu in kuntum sadiqeena

39. O, wisten de ongelovigen maar de tijd wanneer zij niet bij machte zullen zijn het Vuur van hun gezicht of van hun rug te weren en niet zullen worden geholpen!
Law yaAAlamu allatheena kafaroo heena la yakuffoona AAan wujoohihimu alnnara wala AAan thuhoorihim wala hum yunsaroona

40. Neen, onverwachts zal het hen achterhalen en het zal hen verbijsteren; en zij zullen niet bij machte zijn het te voorkomen, noch zal hun uitstel worden gegeven.
Bal ta/teehim baghtatan fatabhatuhum fala yastateeAAoona raddahawala hum yuntharoona

41. Voorzeker werden de boodschappers vََóór u ook bespot, maar degenen die hen bespotten, werden door het bespotte getroffen.
Walaqadi istuhzi-a birusulin min qablika fahaqa biallatheena sakhiroo minhum ma kanoo bihi yastahzi-oona

42. Zeg: “Wie beschermt u dag en nacht behalve de Barmhartige?” Neen, zij wenden zich af van de gedachtenis aan hun Heer.
Qul man yaklaokum biallayli waalnnahari mina alrrahmani bal hum AAan thikri rabbihim muAAridoona

43. Hebben zij goden die hen kunnen beschermen tegen Ons? Zij kunnen zichzelf niet helpen, noch worden zij door Ons bijgestaan.
Am lahum alihatun tamnaAAuhum min doonina la yastateeAAoona nasra anfusihim wala hum minna yushaboona

44. Neen, Wij hebben deze (mensen) en hun vaderen een voorziening gegeven totdat het leven hun verlengd werd. Zien zij met dat Wij het land (der ongelovigen) bezoeken, het van de buitenzijde af besnoeiend? Zullen zij dan de overhand hebben?
Bal mattaAAna haola-i waabaahum hatta tala AAalayhimu alAAumuru afala yarawna anna na/tee al-arda nanqusuha min atrafihaafahumu alghaliboona

45. Zeg: “Ik waarschuw u slechts door Openbaring.” Doch de doven horen de roep niet wanneer zij worden gewaarschuwd.
Qul innama onthirukum bialwahyi wala yasmaAAu alssummu aldduAAaa itha ma yuntharoona

46. En indien een ademtocht der kastijding van uw Heer hen raakt, zullen zij ongetwijfeld zeggen: “Wee ons, wij waren inderdaad onrechtvaardigen.”
Wala-in massat-hum nafhatun min AAathabi rabbika layaqoolunna ya waylana inna kunna thalimeena

47. En Wij zullen weegschalen der gerechtigheid instellen op de Dag der Opstanding, zodat geen enkele ziel in enig opzicht onrecht zal worden aangedaan. En al was het slechts het gewicht van een mosterdzaadje, Wij zullen het naar voren brengen en Wij zijn voldoende als Rekenaar.
WanadaAAu almawazeena alqista liyawmi alqiyamati fala tuthlamu nafsun shay-an wa-in kana mithqala habbatin min khardalin atayna bihawakafa bina hasibeena

48. En Wij schonken Mozes en Aaron het Onderscheid, tot een licht en een gedachtenis voor de godvrezenden.
Walaqad atayna moosa waharoona alfurqana wadiyaan wathikran lilmuttaqeena

49. Die hun Heer in het verborgene vrezen en het Uur duchten.
Allatheena yakhshawna rabbahum bialghaybi wahum mina alssaAAati mushfiqoona

50. En dit (de Koran) is een gezegende verkondiging die Wij hebben nedergezonden: zult gij deze dan ontkennen?
Wahatha thikrun mubarakun anzalnahu afaantum lahu munkiroona

51. En voorheen schonken Wij aan Abraham zijn rechtschapenheid en Wij kenden hem goed.
Walaqad atayna ibraheema rushdahu min qablu wakunna bihi AAalimeena

52. Toen hij tot zijn vader en tot zijn volk zeide: “Wat zijn deze beelden waaraan gij zo gehecht zijt?”
Ith qala li-abeehi waqawmihi ma hathihi alttamatheelu allatee antum laha AAakifoona

53. Antwoordden zij: “Wij vonden dat onze vaderen deze aanbaden.”
Qaloo wajadna abaana laha AAabideena

54. Hij zeide: “Voorwaar, gij met uw vaderen verkeert in duidelijke dwaling.”
Qala laqad kuntum antum waabaokum fee dalalin mubeenin

55. Zij zeiden: “Hebt gij ons de waarheid gebracht, of speelt gij slechts met ons?”
Qaloo aji/tana bialhaqqi am anta mina allaAAibeena

56. Hij antwoordde: “Neen, uw Heer is de Heer van de hemelen en van de aarde, Die deze schiep en ik leg getuigenis er van af.”
Qala bal rabbukum rabbu alssamawati waal-ardi allathee fatarahunna waana AAala thalikum mina alshshahideena

57. En, bij Allah, ik zal tegen uw afgoden een plan beramen nadat gij hun uw rug hebt toegewend.”
WataAllahi laakeedanna asnamakum baAAda an tuwalloo mudbireena

58. Alsdan brak hij ze in stukken, behalve de grootste daarvan, opdat zij zich tot hem zouden wenden.
FajaAAalahum juthathan illa kabeeran lahum laAAallahum ilayhi yarjiAAoona

59. (Toen zij dit zagen) zeiden zij: “Wie heeft dit onze Goden aangedaan? Voorwaar, hij moet een boosdoener zijn.”
Qaloo man faAAala hatha bi-alihatina innahu lamina alththalimeena

60. Enigen hunner zeiden: “Wij hoorden een jonge man over hen spreken; hij heet Abraham.”
Qaloo samiAAna fatan yathkuruhum yuqalu lahu ibraheemu

61. Zij zeiden: “Brengt hem dan voor de ogen des volks, opdat zij kunnen getuigen.”
Qaloo fa/too bihi AAala aAAyuni alnnasi laAAallahum yashhadoona

62. Zij vroegen: “Hebt gij dit onze Goden aangedaan, o Abraham?”
Qaloo aanta faAAalta hatha bi-alihatina ya ibraheemu

63. Hij antwoordde: “Iemand heeft het gedaan; dit is de grootste van hen. Vraagt hen of zij kunnen spreken.”
Qala bal faAAalahu kabeeruhum hatha fais-aloohum in kanoo yantiqoona

64. Toen kwamen zij tot inkeer en zeiden (bij zichzelf) “Gij zijt zelf de boosdoeners.”
FarajaAAoo ila anfusihim faqaloo innakum antumu alththalimoona

65. En zij lieten (beschaamd) het hoofd hangen, “Gij weet wel dat deze niet kunnen spreken.”
Thumma nukisoo AAala ruoosihim laqad AAalimta ma haola-i yantiqoona

66. Hij zeide: “Aanbidt gij dan in plaats van Allah datgene wat u geenszins kan baten noch schaden?”
Qala afataAAbudoona min dooni Allahi ma la yanfaAAukum shay-an wala yadurrukum

67. “Schande over u en over hetgeen gij buiten Allah aanbidt. Hebt gij dan geen verstand?”
Offin lakum walima taAAbudoona min dooni Allahi afalataAAqiloona

68. Zij zeiden: “Verbrandt hem en helpt uw goden indien gij iets wilt doen.”
Qaloo harriqoohu waonsuroo alihatakum in kuntum faAAileena

69. Wij zeiden: “O vuur, wees koel en onschadelijk voor Abraham.”
Qulna ya naru koonee bardan wasalaman AAala ibraheema

70. En zij wensten hem kwaad te doen doch Wij deden hen de grootste verliezers zijn.
Waaradoo bihi kaydan fajaAAalnahumu al-akhsareena

71. En Wij redden hem en Lot en voerden hen naar het land dat Wij zegenden voor alle volkeren.
Wanajjaynahu walootan ila al-ardi allatee barakna feehalilAAalameena

72. En Wij schonken hem Izaak en Jacob als kleinzoon en Wij maakten hen allen rechtvaardig.
Wawahabna lahu ishaqa wayaAAqooba nafilatan wakullan jaAAalnasaliheena

73. En Wij maakten hen tot leiders die de mensen leidden op Ons bevel en Wij zonden een Openbaring tot hen, die aanspoorde, goede werken te doen, het gebed te onderhouden en aalmoezen te geven. En zij aanbaden Ons alleen.
WajaAAalnahum a-immatan yahdoona bi-amrina waawhaynailayhim fiAAla alkhayrati wa-iqama alssalati wa-eetaa alzzakati wakanoo lana AAabideena

74. En aan Lot schonken Wij wijsheid en kennis. En Wij bevrijdden hem uit de stad die gruwelijk handelde. Zij waren inderdaad een boos en opstandig volk.
Walootan ataynahu hukman waAAilman wanajjaynahu mina alqaryati allatee kanat taAAmalu alkhaba-itha innahum kanoo qawma saw-in fasiqeena

75. En Wij namen hem in Onze barmhartigheid op, want hij was een der rechtvaardigen.
Waadkhalnahu fee rahmatina innahu mina alssaliheena

76. En toen Noach voordien riep, verhoorden Wij zijn gebed en redden hem en zijn gezin uit de grote ramp.
Wanoohan ith nada min qablu faistajabna lahu fanajjaynahu waahlahu mina alkarbi alAAatheemi

77. En Wij stonden hem bij tegen degenen die Onze tekenen verloochenden. Zij waren voorzeker een slecht volk; derhalve verdronken Wij hen allen.
Wanasarnahu mina alqawmi allatheena kaththaboo bi-ayatinainnahum kanoo qawma saw-in faaghraqnahum ajmaAAeena

78. En toen David en Salomo rechtspraken betreffende het veld waar de geiten van zekere mensen bij nacht graasden, waren Wij Getuige van hun oordeel.
Wadawooda wasulaymana ith yahkumani fee alharthi ith nafashat feehi ghanamu alqawmi wakunna lihukmihim shahideena

79. Wij schonken Salomo begrip van de zaak en aan elk hunner schonken Wij wijsheid en kennis. En Wij noopten de bergen en de vogels om samen met David Gods heerlijkheid te loven. En Wij waren het, Die dat deden.
Fafahhamnaha sulaymana wakullan atayna hukman waAAilman wasakhkharna maAAa dawooda aljibala yusabbihna waalttayra wakunna faAAileena

80. En Wij leerden hem de kunst, maliënkolders voor u te maken, opdat deze u zouden beschermen tegen aanvallen. Zult gij dan niet erkentelijk zijn?
WaAAallamnahu sanAAata laboosin lakum lituhsinakum min ba/sikum fahal antum shakiroona

81. En Wij maakten de geweldige wind aan Salomo onderdanig. Deze blies om zijnentwille in de richting van het land dat Wij hadden gezegend. En Wij bezitten kennis van alle dingen.
Walisulaymana alrreeha AAasifatan tajree bi-amrihi ila al-ardi allatee barakna feeha wakunna bikulli shay-in AAalimeena

82. En Wij maakten onder de duivels, die voor hem doken en daarnaast andere arbeid verrichtten en Wij waren het die over hen waakten.
Wamina alshshayateeni man yaghoosoona lahu wayaAAmaloona AAamalan doona thalika wakunna lahum hafitheena

83. En (gedenk) Job toen hij tot zijn Heer riep, zeggende: “Kwelling heeft mij terneer geworpen en Gij zijt de Genadigste der genadigen.”
Waayyooba ith nada rabbahu annee massaniya alddurru waanta arhamu alrrahimeena

84. Wij verhoorden daarom zijn gebed en bevrijdden hem van moeilijkheden en gaven hem de zijnen en het gelijke er van daarnevens, als een bewijs Onzer barmhartigheid en als een herinnering voor de vromen.
Faistajabna lahu fakashafna ma bihi min durrin waataynahu ahlahu wamithlahum maAAahum rahmatan min AAindina wathikralilAAabideena

85. En Ismaël en Idries en Zol-Kifl; allen behoorden tot de standvastigen.
Wa-ismaAAeela wa-idreesa watha alkifli kullun mina alssabireena

86. En Wij namen hen op in Onze genade want zij behoorden tot de rechtvaardigen.
Waadkhalnahum fee rahmatina innahum mina alssaliheena

87. En Zonnoen (Jonas) toen hij in toorn heenging en dacht dat Wij geen macht over hem hadden en in de duisternis uitriep, zeggende: “Er is geen God dan Gij. Heilig zijt Gij. Ik behoorde inderdaad tot de onrechtvaardigen.”
Watha alnnooni ith thahaba mughadiban fathanna an lan naqdira AAalayhi fanada fee alththulumati an la ilaha illa anta subhanaka innee kuntu mina alththalimeena

88. Wij verhoorden toen zijn gebed en namen zijn droefenis van hem weg. En aldus verlossen Wij de gelovigen.
Faistajabna lahu wanajjaynahu mina alghammi wakathalika nunjee almu/mineena

89. En Zacharia, toen hij tot zijn Heer riep, zeggende: “Mijn Heer, laat mij niet alleen en Gij zijt de Beste der erfgenamen.
Wazakariyya ith nada rabbahu rabbi la tatharnee fardan waanta khayru alwaritheena

90. Toen verhoorden Wij zijn gebed en beloofden hem Johannes en Wij maakten zijn vrouw geschikt (een kind te krijgen). Zij plachten met elkander te wedijveren in goede werken en zij riepen Ons in hoop en vrees aan en waren nederig voor Ons.
Faistajabna lahu wawahabna lahu yahya waaslahna lahu zawjahu innahum kanoo yusariAAoona fee alkhayrati wayadAAoonana raghaban warahaban wakanoo lana khashiAAeena

91. En (gedenk) haar, die haar kuisheid bewaarde; Wij bliezen haar Onze geest in en Wij maakten haar en haar zoon tot een teken voor alle volkeren.
Waallatee ahsanat farjaha fanafakhna feeha min roohinawajaAAalnaha waibnaha ayatan lilAAalameena

92. Voorwaar, dit is uw gemeenschap: één gemeenschap; en Ik ben uw Heer, aanbidt Mij derhalve.
Inna hathihi ommatukum ommatan wahidatan waana rabbukum faoAAbudooni

93. Doch zij (hun volgelingen) hebben hun eenheid verbroken; toch zullen zij allen tot Ons terugkeren.
WataqattaAAoo amrahum baynahum kullun ilayna rajiAAoona

94. Wie ook goede werken verricht en een gelovige is, voor diens ijver zal geen ondankbaarheid zijn. Wij zullen dit voorzeker in zijn voordeel boekstaven.
Faman yaAAmal mina alssalihati wahuwa mu/minun fala kufrana lisaAAyihi wa-inna lahu katiboona

95. En voor een stad die Wij verdelgd hebben, is het een onherroepelijk gebod, dat het (volk) niet zal terugkeren.
Waharamun AAala qaryatin ahlaknaha annahum la yarjiAAoona

96. Zelfs wanneer Gog en Magog zullen worden losgelaten en zij elke hoogte zullen overschrijden.
Hatta itha futihat ya/jooju wama/jooju wahum min kulli hadabin yansiloona

97. En als de ware Belofte nadert, dan ziet, de ogen der ongelovigen zullen verstard zijn. (Zij zullen zeggen): “O! wee ons, wij waren hier inderdaad onachtzaam over, neen, wij waren onrechtvaardigen.”
Waiqtaraba alwaAAdu alhaqqu fa-itha hiya shakhisatun absaru allatheena kafaroo ya waylana qad kunna fee ghaflatin min hatha bal kunna thalimeena

98. Voorwaar, gij met hetgeen gij buiten Allah aanbidt, zult de brandstof der hel zijn. Daartoe zult gij komen.
Innakum wama taAAbudoona min dooni Allahi hasabu jahannama antum laha waridoona

99. Indien dezen werkelijk Goden waren geweest zouden zij niet daarin zijn gegaan; nu zullen allen er in verblijven.
Law kana haola-i alihatan ma waradooha wakullun feeha khalidoona

100. Daarin zullen zij weeklagen en niets horen.
Lahum feeha zafeerun wahum feeha la yasmaAAoona

101. Voorzeker degenen, aan wie door Ons tevoren de belofte van een goede beloning is gedaan, dezen zullen er ver van verwijderd worden.
Inna allatheena sabaqat lahum minna alhusna ola-ika AAanhamubAAadoona

102. Geen gerucht daarvan (van de hel) zullen zij horen, en zij zullen voor eeuwig vertoeven in hetgeen hun zielen begeren.
La yasmaAAoona haseesaha wahum fee ma ishtahat anfusuhum khalidoona

103. De grote ontzetting zal hen niet beangstigen en de engelen zullen hen tegemoet komen, zeggende: “Dit is de Dag die u was beloofd.”
La yahzunuhumu alfazaAAu al-akbaru watatalaqqahumu almala-ikatu hatha yawmukumu allathee kuntum tooAAadoona

104. De Dag, waarop Wij de hemelen zullen oprollen zoals een schrijver zijn geschriften oprolt. Gelijk Wij de schepping eerst begonnen, aldus zullen Wij haar terugbrengen – een Belofte van Ons; voorwaar Wij zullen deze nakomen.
Yawma natwee alssamaa katayyi alssijlli lilkutubi kama bada/naawwala khalqin nuAAeeduhu waAAdan AAalayna inna kunnafaAAileena

105. En voordien hebben Wij na de Vermaning in de geschriften geschreven dat Mijn rechtvaardige dienaren de aarde zullen erven.
Walaqad katabna fee alzzaboori min baAAdi alththikri anna al-arda yarithuha AAibadiya alssalihoona

106. Voorzeker, hierin ligt een boodschap voor mensen die God dienen.
Inna fee hatha labalaghan liqawmin AAabideena

107. En Wij hebben u (Mohammed) slechts als genade voor de werelden gezonden.
Wama arsalnaka illa rahmatan lilAAalameena

108. Zeg: “Voorzeker, mij is geopenbaard dat uw God slechts een enig God is, zult gij u dan aan Hem onderwerpen?”
Qul innama yooha ilayya annama ilahukum ilahun wahidun fahal antum muslimoona

109. Maar indien zij zich afwenden, zeg dan: “Ik heb u allen gelijkelijk ingelicht en ik weet niet of hetgeen waar gij mee bedreigd wordt, nabij of ver is.”
Fa-in tawallaw faqul athantukum AAala sawa-in wa-in adree aqareebun am baAAeedun ma tooAAadoona

110. “Voorwaar, Hij weet wat openlijk besproken wordt en Hij weet hetgeen gij verbergt.”
Innahu yaAAlamu aljahra mina alqawli wayaAAlamu mataktumoona

111. “En ik weet niet of het voor u een beproeving is of een voordeel voor een bepaalde tijd.”
Wa-in adree laAAallahu fitnatun lakum wamataAAun ila heenin

112. Zeg: “Mijn Heer, oordeel in waarheid.” En “Onze Heer is de Barmhartige Wiens hulp moet worden ingeroepen tegen hetgeen gij zegt.”
Qala rabbi ohkum bialhaqqi warabbuna alrrahmanu almustaAAanu AAala ma tasifoona

taahaa-vorigesurahhoofdstuk-svAllahalhadj-volgendesurahhoofdstuk-svAllah


Dit hoofdstuk gaat meer over de verlossing van de rechtschapenen dan over de bestraffing van de zondaars, meer over de triomf van de waarheid dan over de vernietiging van de leugen, hoewel het zonder twijfel het ander impliceert. Hoewel het hoofdstuk deels gewijd is aan algemene stellingen die betrekking hebben op de verlossing van de profeten en de uiteindelijke triomf van hun zaak – vandaar dat het de naam De Profeten draagt – wordt er in het bijzonder verwezen naar de geschiedenis van Abraham, zoals naar de geschiedenis van Mozes in het vorige hoofdstuk. Het hoofdstuk opent met de zekerheid van de bestraffing van de tegenstanders en vervolgt met een duidelijke verklaring dat het oordeel nadert en de afrekening nabij is. Dan wordt ons verteld dat de Waarheid moet zegevieren, zoals zij dat altijd heeft gedaan, en dit wordt in de tweede paragraaf aangetoond. De derde paragraaf brengt de waarheid van de openbaring in het algemeen onder de aandacht, en de openbaring van de Profeet (s.a.w.) in het bijzonder. De vierde vraagt aandacht voor de overheersing van genade in de Goddelijke aard, omdat de bestraffing van de tegenstanders van de Heilige Profeet (s.a.w.) specifiek werd gekenmerkt door een barmhartige behandeling. In dit opzicht werd Abraham zijn voorbeeld, wiens geschiedenis het onderwerp vormt van de volgende paragraaf. De zesde paragraaf toont aan hoe profeten altijd onder de meest kritieke omstandigheden uit handen van hun vijanden werden verlost, en de laatste paragraaf voegt eraan toe dat de rechtschapenen het land zullen erven en dat de Waarheid uiteindelijk zal overheersen. Zie wat betreft de datum van zijn openbaring de introductie van hoofdstuk 17.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s