23. Al-Mominoen (De Gelovigen)

– In de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. –
Bismillahi rahmani rahim

1. Werkelijk succesvol zijn de gelovigen.
Qad aflaha almu/minoona

2. Die nederig zijn in hun gebeden.
Allatheena hum fee salatihim khashiAAoona

3. En die al hetgeen ijdel is, schuwen.
Waallatheena hum AAani allaghwi muAAridoona

4. En die actief zijn in het betalen van Zakaat.
Waallatheena hum lilzzakati faAAiloona

5. En die hun seksuele passies onderdrukken.
Waallatheena hum lifuroojihim hafithoona

6. Behalve met hun vrouwen of hetgeen hun rechterhand bezit, want dan treft hen geen verwijt.
Illa AAala azwajihim aw ma malakat aymanuhum fa-innahum ghayru maloomeena

7. Doch degenen die deze perken te buiten gaan, zullen overtreders zijn.
Famani ibtagha waraa thalika faola-ika humu alAAadoona

8. Zij die zorgzaam zijn voor het hun toevertrouwde en voor hun overeenkomsten.
Waallatheena hum li-amanatihim waAAahdihim raAAoona

9. En die hun gebeden in acht nemen.
Waallatheena hum AAala salawatihim yuhafithoona

10. Dezen zijn de erfgenamen,
Ola-ika humu alwarithoona

11. Die het paradijs zullen erven. Zij zullen daarin vertoeven.
Allatheena yarithoona alfirdawsa hum feeha khalidoona

12. Voorwaar, Wij scheppen de mens uit een uittreksel van klei;
Walaqad khalaqna al-insana min sulalatin min teenin

13. Dan plaatsen Wij hem als een kleine levenskiem in een veilige plaats.
Thumma jaAAalnahu nutfatan fee qararin makeenin

14. Vervolgens vormen Wij de levenskiem tot een klonter bloed; daarna vormen Wij het geronnen bloed tot een (vormeloze) klomp; dan vormen Wij beenderen uit deze (vormeloze) klomp; daarna bekleden Wij deze beenderen met vlees; vervolgens ontwikkelen Wij het tot een nieuwe schepping. Gezegend zij Allah, de Beste Schepper.
Thumma khalaqna alnnutfata AAalaqatan fakhalaqna alAAalaqata mudghatan fakhalaqna almudghata AAithaman fakasawna alAAithama lahman thumma ansha/nahu khalqan akhara fatabaraka Allahu ahsanu alkhaliqeena

15. Voorzeker daarna sterft gij.
Thumma innakum baAAda thalika lamayyitoona

16. En op de Dag der Verrijzenis zult gij worden opgewekt.
Thumma innakum yawma alqiyamati tubAAathoona

17. En boven u hebben Wij zeven wegen gemaakt, en nimmer veronachtzamen Wij de schepping.
Walaqad khalaqna fawqakum sabAAa tara-iqa wama kunna AAani alkhalqi ghafileena

18. Wij zenden water uit de hemel neer in bepaalde hoeveelheid en Wij doen deze in de aarde blijven en voorzeker zijn Wij ook in staat die weer weg te nemen.
Waanzalna mina alssama-i maan biqadarin faaskannahu fee al-ardi wa-inna AAala thahabin bihi laqadiroona

19. En Wij brengen daarmede tuinen van dadelpalmen en wijnstokken voor u voort, waarvan gij overvloedig fruit hebt; en gij eet daarvan.
Faansha/na lakum bihi jannatin min nakheelin waaAAnabin lakum feeha fawakihu katheeratun waminha ta/kuloona

20. En Wij brengen een boom voort die groeit uit de berg Sinaï: deze brengt olie en een saus voort voor hen die het willen nuttigen.
Washajaratan takhruju min toori saynaa tanbutu bialdduhni wasibghin lilakileena

21. En in het vee is eveneens een les voor u. Wij geven u te drinken van de melk die in hun buik is en gij trekt er talrijke voordelen van en eveneens eet gij er van.
Wa-inna lakum fee al-anAAami laAAibratan nusqeekum mimma fee butooniha walakum feeha manafiAAu katheeratun waminha ta/kuloona

22. Daarop zowel als op schepen wordt gij gedragen.
WaAAalayha waAAala alfulki tuhmaloona

23. En Wij zonden Noach tot zijn volk, en hij zeide: “O mijn volk, dien Allah. Gij hebt geen andere God buiten Hem. Wilt gij dan niet vrezen?”
Walaqad arsalna noohan ila qawmihi faqala ya qawmi oAAbudoo Allaha ma lakum min ilahin ghayruhu afala tattaqoona

24. En de hoofden van zijn volk, die ongelovig waren, zeiden: “Hij is slechts een mens zoals gij, hij zou zich boven u willen verheffen. En indien het Allah had behaagd, had Hij voorzeker engelen nedergezonden. Wij hebben nooit van zulk (een boodschapper) onder onze voorvaderen gehoord.
Faqala almalao allatheena kafaroo min qawmihi ma hatha illabasharun mithlukum yureedu an yatafaddala AAalaykum walaw shaa Allahu laanzala mala-ikatan ma samiAAna bihatha fee aba-ina al-awwaleena

25. Hij is slechts een bezetene; wacht daarom een korte wijle, (ongetwijfeld zal hem iets overkomen).”
In huwa illa rajulun bihi jinnatun fatarabbasoo bihi hatta heenin

26. Noach zeide: “O mijn Heer, help mij, want zij hebben mij verloochend.”
Qala rabbi onsurnee bima kaththabooni

27. Toen openbaarden Wij hem: “Bouw de Ark onder Onze ogen en in overeenstemming met Onze openbaring. En wanneer Ons bevel komt en de oppervlakte der aarde overstroomt, neem dan aan boord twee (exemplaren) van wat nodig is en uw gezin, behalve degenen tegen wie het woord reeds is uitgevaardigd. En spreek Mij niet over de onrechtvaardigen, want zij zullen worden verdronken.
Faawhayna ilayhi ani isnaAAi alfulka bi-aAAyunina wawahyina fa-itha jaa amruna wafara alttannooru faosluk feeha min kullin zawjayni ithnayni waahlaka illa man sabaqa AAalayhi alqawlu minhum walatukhatibnee fee allatheena thalamoo innahum mughraqoona

28. “En wanneer gij de Ark zult hebben betrokken – gij en degenen die met u zijn zeg dan: “Alle lof behoort aan Allah, Die ons van een boosaardig volk heeft gered.”
Fa-itha istawayta anta waman maAAaka AAala alfulki faquli alhamdu lillahi allathee najjana mina alqawmi alththalimeena

29. En zeg: “Mijn Heer, verleen mij een gezegende landing, want Gij zijt de Beste Landingshulp.”
Waqul rabbi anzilnee munzalan mubarakan waanta khayru almunzileena

30. Voorwaar, hierin zijn tekenen, en waarlijk Wij stellen (de mensen) op de proef.
Inna fee thalika laayatin wa-in kunna lamubtaleena

31. Toen verwekten Wij een ander geslacht na hen.
Thumma ansha/na min baAAdihim qarnan akhareena

32. En Wij zonden onder hen een boodschapper uit hun midden, die zeide: “Dient Allah, gij hebt geen andere God dan Hem. Wilt gij dan niet vrezen?”
Faarsalna feehim rasoolan minhum ani oAAbudoo Allaha ma lakum min ilahin ghayruhu afala tattaqoona

33. En de hoofdmannen van zijn volk, die ongelovig waren en die de ontmoeting in het Hiernamaals loochenden en wie Wij in dit leven overvloed (van het goede der aarde) hadden gegeven, zeiden: “Dit is slechts een mens, zoals gij. Hij eet van hetgeengij eet en drinkt van hetgeen gij drinkt.
Waqala almalao min qawmihi allatheena kafaroo wakaththaboo biliqa-i al-akhirati waatrafnahum fee alhayati alddunya ma hatha illabasharun mithlukum ya/kulu mimma ta/kuloona minhu wayashrabu mimma tashraboona

34. En indien gij een man gelijk aan uzelf gehoorzaamt dan zijt gij zeker verloren.
Wala-in ataAAtum basharan mithlakum innakum ithan lakhasiroona

35. Belooft hij u dat wanneer gij dood zijt en stof en beenderen zijt geworden, gij weder zult worden opgewekt?
AyaAAidukum annakum itha mittum wakuntum turaban waAAithaman annakum mukhrajoona

36. Verre, verre is hetgeen u wordt beloofd!
Hayhata hayhata lima tooAAadoona

37. Er is geen ander leven buiten ons tegenwoordige leven; wij leven en sterven en zullen niet worden opgewekt.
In hiya illa hayatuna alddunya namootu wanahya wama nahnu bimabAAootheena

38. Hij is niet anders dan een mens die een leugen heeft verzonnen over Allah; wij zullen in hem stellig niet geloven.”
In huwa illa rajulun iftara AAala Allahi kathiban wama nahnu lahu bimu/mineena

39. Hij zeide: “Mijn Heer, help mij, want zij hebben mij verloochend.”
Qala rabbi onsurnee bima kaththabooni

40. (God) zeide: “Binnen korte tijd zullen zij zeker spijt krijgen.”
Qala AAamma qaleelin layusbihunna nadimeena

41. Terecht greep hen daarom de rukwind en Wij maakten hen als wrakhout. Vervloekt zij het onrechtvaardige volk.
Faakhathat-humu alssayhatu bialhaqqi fajaAAalnahum ghuthaan fabuAAdan lilqawmi alththalimeena

42. Toen verwekten Wij na hen andere geslachten.
Thumma ansha/na min baAAdihim quroonan akhareena

43. Geen volk kan zijn vastgestelde tijd overschrijden, evenmin kunnen zij die uitstellen.
Ma tasbiqu min ommatin ajalaha wama yasta/khiroona

44. Dan zonden Wij Onze boodschappers de een na de ander. Telkens wanneer een Boodschapper tot een volk kwam, verloochenden zij hem. Dus deden Wij hen elkander opvolgen en maakten hen tot legenden. Vervloekt zij het volk dat niet wil geloven.
Thumma arsalna rusulana tatra kulla ma jaa ommatan rasooluha kaththaboohu faatbaAAna baAAdahum baAAdan wajaAAalnahum ahadeetha fabuAAdan liqawmin layu/minoona

45. Dan zonden Wij Mozes en zijn broeder Aaron met Onze tekenen en een duidelijk gezag.
Thumma arsalna moosa waakhahu haroona bi-ayatina wasultanin mubeenin

46. Tot Pharao en zijn opperhoofden; zij toonden hoogmoed en waren een aanmatigend volk.
Ila firAAawna wamala-ihi faistakbaroo wakanoo qawman AAaleena

47. En zij zeiden: “Moeten wij geloven in twee mannen aan ons gelijk terwijl hun volk onze slaaf is?”
Faqaloo anu/minu libasharayni mithlina waqawmuhuma lana AAabidoona

48. Derhalve verloochenden zij hen en zij behoorden tot degenen die vernietigd werden.
Fakaththaboohuma fakanoo mina almuhlakeena

49. En wij schonken Mozes het Boek opdat zij (de kinderen Israëls) leiding mochten volge.
Walaqad atayna moosa alkitaba laAAallahum yahtadoona

50. En Wij bestemden de zoon van Maria en zijn moeder tot een teken en schonken hun toevlucht op een hoog plateau met groene weiden en bronnen.
WajaAAalna ibna maryama waommahu ayatan waawaynahuma ila rabwatin thati qararin wamaAAeenin

51. O gij boodschappers, eet van hetgeen rein is en verricht goede werken. Voorwaar Ik weet goed wat gij doet.
Ya ayyuha alrrusulu kuloo mina alttayyibati waiAAmaloo salihan innee bimataAAmaloona AAaleemun

52. En weet dat uw gemeenschap één gemeenschap is en dat Ik uw Heer ben. Neemt Mij derhalve tot uw Beschermer.
Wa-inna hathihi ommatukum ommatan wahidatan waana rabbukum faittaqooni

53. Maar zij hebben hun godsdienst onder elkander verdeeld, elke partij verheugt zich over hetgeen zij bezit.
FataqattaAAoo amrahum baynahum zuburan kullu hizbin bima ladayhim farihoona

54. Laat hen daarom voor een tijd aan hun onwetendheid over.
Fatharhum fee ghamratihim hatta heenin

55. Denken zij dat vanwege de rijkdom en de zonen waarmee Wij hen helpen,
Ayahsaboona annama numidduhum bihi min malin wabaneena

56. Wij Ons haasten hun goed te doen? Neen, zij begrijpen het niet.
NusariAAu lahum fee alkhayrati bal la yashAAuroona

57. Voorwaar, degenen die sidderen van ontzag voor hun Heer,
Inna allatheena hum min khashyati rabbihim mushfiqoona

58. En degenen die geloven in de tekenen van hun Heer,
Waallatheena hum bi-ayati rabbihim yu/minoona

59. En degenen die hun Heer geen deelgenoten toeschrijven,
Waallatheena hum birabbihim la yushrikoona

60. En degenen die weggeven hetgeen zij (kunnen) geven terwijl hun hart is vervuld van vrees. omdat zij tot hun Heer zullen terugkeren,
Waallatheena yu/toona ma ataw waquloobuhum wajilatun annahum ila rabbihim rajiAAoona

61. Dezen zijn het die zich haasten en wedijveren in het doen van goede werken.
Ola-ika yusariAAoona fee alkhayrati wahum laha sabiqoona

62. Wij belasten geen ziel boven haar vermogen. Bij Ons is een boek, dat de waarheid spreekt en hun zal geen onrecht worden aangedaan.
Wala nukallifu nafsan illa wusAAaha waladayna kitabun yantiqu bialhaqqi wahum la yuthlamoona

63. Maar hun hart is onverschillig jegens dit Boek, en buitendien hebben zij bezigheden waarmee zij voortgaan;
Bal quloobuhum fee ghamratin min hatha walahum aAAmalun min dooni thalika hum laha AAamiloona

64. Totdat, wanneer Wij degenen hunner die in weelde leven met straf grijpen, ziet, dan jammeren zij allen om hulp.
Hatta itha akhathna mutrafeehim bialAAathabi itha hum yaj-aroona

65. Klaag niet op deze Dag, want gij zult door Ons niet worden geholpen.
La taj-aroo alyawma innakum minna la tunsaroona

66. Mijn woorden werden u verkondigd, doch gij placht u af te keren.
Qad kanat ayatee tutla AAalaykum fakuntum AAala aAAqabikum tankisoona

67. Hovaardig, in dwaasheid er over pratende.
Mustakbireena bihi samiran tahjuroona

68. Hebben zij dan niet over het Woord nagedacht, of is er iets tot hen gekomen dat niet tot hun voorvaderen kwam?
Afalam yaddabbaroo alqawla am jaahum ma lam ya/ti abaahumu al-awwaleena

69. Of hebben zij hun boodschapper niet erkend dat zij hem niet aanvaarden?
Am lam yaAArifoo rasoolahum fahum lahu munkiroona

70. Of zeggen zij: “Hij is krankzinng?” Neen, hij heeft hun de Waarheid gebracht maar de meesten hunner houden niet van de Waarheid.
Am yaqooloona bihi jinnatun bal jaahum bialhaqqi waaktharuhum lilhaqqi karihoona

71. En indien de Waarheid hun wensen had gevolgd, voorwaar dan zouden de hemelen en de aarde en al hetgeen daarin is, in wanorde zijn geraakt. Neen, Wij hebben hun een vermaning gezonden doch zij wenden zich ervan af.
Walawi ittabaAAa alhaqqu ahwaahum lafasadati alssamawatu waal-ardu waman feehinna bal ataynahum bithikrihim fahum AAan thikrihim muAAridoona

72. Of vraagt gij van hen enige beloning? Doch de beloning van uw Heer is beter en Hij is de beste Voorziener.
Am tas-aluhum kharjan fakharaju rabbika khayrun wahuwa khayru alrraziqeena

73. En gij roept hen, voorzeker, tot het rechte pad;
Wa-innaka latadAAoohum ila siratin mustaqeemin

74. Maar degenen, die in het Hiernamaals niet geloven dwalen inderdaad van dit pad af.
Wa-inna allatheena la yu/minoona bial-akhirati AAani alssirati lanakiboona

75. En indien Wij ons over hen ontfermden en hun kwaal verlichtten, zouden zij toch blindelings in hun overtreding volharden.
Walaw rahimnahum wakashafna ma bihim min durrin lalajjoo fee tughyanihim yaAAmahoona

76. Wij troffen hen door een straf, doch zij werden niet nederig voor hun Heer noch werden zij ootmoedig.
Walaqad akhathnahum bialAAathabi fama istakanoo lirabbihim wama yatadarraAAoona

77. Maar, wanneer Wij voor hen de poort der gestrenge straf openen, dan zullen zij tot wanhoop vervallen.
Hatta itha fatahna AAalayhim baban tha AAathabin shadeedin itha hum feehi mublisoona

78. Allah is het, Die oren, en ogen en hart voor u heeft geschapen, doch gij betoont weinig dank.
Wahuwa allathee anshaa lakumu alssamAAa waal-absara waal-af-idata qaleelan ma tashkuroona

79. En Hij is het, Die u heeft vermenigvuldigd op aarde en tot Hem zult gij worden verzameld.
Wahuwa allathee tharaakum fee al-ardi wa-ilayhi tuhsharoona

80. En Hij is het, Die leven schenkt en de dood veroorzaakt en in Zijn handen is de wisseling van nacht en dag. Wilt gij dan niet begrijpen?
Wahuwa allathee yuhyee wayumeetu walahu ikhtilafu allayli waalnnahari afala taAAqiloona

81. Doch zij zeggen hetzelfde als de voormalige volkeren zeiden.
Bal qaloo mithla ma qala al-awwaloona

82. Zij zeggen: “Zullen wij, wanneer wij dood zijn en tot beenderen en stof geworden, dan inderdaad weer worden opgewekt?
Qaloo a-itha mitna wakunna turaban waAAithaman a-inna lamabAAoothoona

83. “Dit werd ons en onze voorvaderen ook beloofd maar het zijn slechts fabelen der ouden.”
Laqad wuAAidna nahnu waabaona hatha min qablu in hatha illa asateeru al-awwaleena

84. Zeg: “Wie behoort de aarde toe en al hetgeen daarop is, als gij het weet?”
Qul limani al-ardu waman feeha in kuntum taAAlamoona

85. Zij zullen zeggen: “Aan Allah.” Zeg: “Wilt gij er dan geen lering uit trekken?”
Sayaqooloona lillahi qul afala tathakkaroona

86. Zeg: “Wie is de Heer der zeven hemelen en de Heer van de Grote Troon?”
Qul man rabbu alssamawati alssabAAi warabbu alAAarshi alAAatheemi

87. Zij zullen zeggen: “Allah.” Zeg: “Wilt gij Hem dan niet tot uw Beschermer nemen?”
Sayaqooloona lillahi qul afala tattaqoona

88. Zeg: “Wie is het in Wiens hand de heerschappij over alle dingen is – en Die beschermt doch tegen Wie er geen bescherming is, – als gij het weet?”
Qul man biyadihi malakootu kulli shay-in wahuwa yujeeru wala yujaru AAalayhi in kuntum taAAlamoona

89. Zij zullen antwoorden: “Dit behoort aan Allah.” Zeg: “Waarom wordt gij dan misleid?”
Sayaqooloona lillahi qul faanna tusharoona

90. Wij hebben hun de Waarheid gebracht en zij zijn zeker leugenaars.
Bal ataynahum bialhaqqi wa-innahum lakathiboona

91. Allah heeft zich geen zoon genomen, noch is er enige God naast Hem, anders zou elke God hetgeen Hij schiep, voor zich houden, en sommigen hunner zouden zeker anderen hebben overwonnen. Verheven is Allah boven al hetgeen zij beweren.
Ma ittakhatha Allahu min waladin wama kana maAAahu min ilahin ithan lathahaba kullu ilahin bimakhalaqa walaAAala baAAduhum AAala baAAdin subhana Allahi AAamma yasifoona

92. Kenner van het ongeziene en het geziene. Hij is verheven boven hetgeen zij met Hem vereenzelvigen.
AAalimi alghaybi waalshshahadati fataAAala AAamma yushrikoona

93. Zeg: “Mijn Heer, indien Gij mij datgene zoudt laten zien waarmee zij bedreigd worden.
Qul rabbi imma turiyannee ma yooAAadoona

94. Mijn Heer, plaats mij dan niet te midden van het onrechtvaardige volk.”
Rabbi fala tajAAalnee fee alqawmi alththalimeena

95. En voorzeker, Wij hebben de macht u datgene te laten zien waarmee Wij hen bedreigen.
Wa-inna AAala an nuriyaka ma naAAiduhum laqadiroona

96. Verdrijf het kwade met het beste. Wij zijn op de hoogte van hetgeen zij zeggen,
IdfaAA biallatee hiya ahsanu alssayyi-ata nahnu aAAlamu bima yasifoona

97. En zeg: “Mijn Heer, bij U zoek ik mijn toevlucht tegen de inblazingen der duivelen.
Waqul rabbi aAAoothu bika min hamazati alshshayateeni

98. En bij U mijn Heer zoek ik mijn toevlucht, opdat zij niet bij mij komen.”
WaaAAoothu bika rabbi an yahdurooni

99. Wanneer de dood tot een hunner komt, zegt deze smekend: “Mijn Heer, zend mij terug.
Hatta itha jaa ahadahumu almawtu qala rabbi irjiAAooni

100. Opdat ik recht doe in hetgeen ik heb achtergelaten.” (Dan wordt er gezegd): “In geen geval; het is slechts een woord dat hij uit.” En achter hen is een hindernis tot de Dag waarop zij gewekt zullen worden.
LaAAallee aAAmalu salihan feema taraktu kalla innaha kalimatun huwa qa-iluha wamin wara-ihim barzakhun ila yawmi yubAAathoona

101. En wanneer de bazuin wordt geblazen zal er die Dag geen verwantschap tussen hen bestaan, noch zal de een naar de ander vragen.
Fa-itha nufikha fee alssoori fala ansaba baynahum yawma-ithin wala yatasaaloona

102. Dan zullen zij slagen, wier schalen zwaar zijn.
Faman thaqulat mawazeenuhu faola-ika humu almuflihoona

103. Doch zij, wier werken licht zijn – dit zijn degenen die hun ziel benadeelden – zullen in de hel vertoeven.
Waman khaffat mawazeenuhu faola-ika allatheena khasiroo anfusahum fee jahannama khalidoona

104. Het Vuur zal hun gezicht branden en zij zullen er in verschrompelen.
Talfahu wujoohahumu alnnaru wahum feeha kalihoona

105. (Er zal gezegd worden): Werden Mijn woorden U niet verkondigd? Maar gij placht ze te verloochenen.
Alam takun ayatee tutla AAalaykum fakuntum biha tukaththiboona

106. Zij zullen antwoorden: “O, onze Heer onze tegenspoed heeft ons overweldigd en wij waren een dwalend volk.
Qaloo rabbana ghalabat AAalayna shiqwatuna wakunna qawman dalleena

107. Onze Heer, neem ons daaruit; indien wij in het (kwade) terugvallen dan zijn wij stellig onrechtvaardig.
Rabbana akhrijna minha fa-in AAudna fa-inna thalimoona

108. Hij zal zeggen: “Blijft daarin vernederd en spreekt niet tot Mij.
Qala ikhsaoo feeha wala tukallimooni

109. Waarlijk, er was een gedeelte van Mijn dienaren dat placht te zeggen: “O, onze Heer, wij hebben geloofd, vergeef ons daarom en wees Barmhartig jegens ons. En Gij zijt de Beste der barmhartigen.”
Innahu kana fareequn min AAibadee yaqooloona rabbana amanna faighfir lana wairhamna waanta khayru alrrahimeena

110. Maar gij maaktet hen ten spot totdat dezen u Mijn gedachtenis deden vergeten omdat gij hen placht uit te lachen.
Faittakhathtumoohum sikhriyyan hatta ansawkum thikree wakuntum minhum tadhakoona

111. Inderdaad heb Ik hen heden beloond wegens hun geduld. Voorzeker, zij zijn de overwinnaars.”
Innee jazaytuhumu alyawma bima sabaroo annahum humu alfa-izoona

112. Hij (God) zal vragen: “Hoeveel jaren zijt gij op de aarde gebleven?”
Qala kam labithtum fee al-ardi AAadada sineena

113. Zij zullen antwoorden: “Wij bleven een dag of een deel van een dag. Vraag dus degenen die rekening houden.”
Qaloo labithna yawman aw baAAda yawmin fais-ali alAAaddeena

114. Hij (Allah) zal zeggen: “Gij bleeft een korte tijd, hadt gij het maar geweten.”
Qala in labithtum illa qaleelan law annakum kuntum taAAlamoona

115. Dacht gij, dat Wij u tevergeefs schiepen en dat gij niet tot Ons zult worden teruggebracht?
Afahasibtum annama khalaqnakum AAabathan waannakum ilayna la turjaAAoona

116. Verheven is Allah, de ware Koning. Er is geen God behalve Hij, de Heer van de aanzienlijke Troon.
FataAAala Allahu almaliku alhaqqu la ilaha illa huwa rabbu alAAarshi alkareemi

117. En diegene die naast Allah een andere god aanroept heeft daar geen bewijs voor: en de vergelding ervan berust bij zijn Heer. Voorzeker de ongelovigen slagen nooit!
Waman yadAAu maAAa Allahi ilahan akhara la burhana lahu bihi fa-innama hisabuhu AAinda rabbihi innahu la yuflihu alkafiroona

118. En zeg: “O mijn Heer, vergeef en wees Barmhartig, want Gij zijt de Barmhartigste der barmhartigen.”
Waqul rabbi ighfir wairham waanta khayru alrrahimeena

alhadj-vorigesurahhoofdstuk-svAllahanoer-volgendesurahhoofdstuk-svAllah


Dit hoofdstuk, dat de derde groep Makkah-hoofdstukken afsluit, staat bekend onder de naam De Gelovigen, omdat het gaat over het succes van de gelovigen. Het wordt terecht beschouwd als een van de laatste Makkah-openbaringen, en dit wordt door intern bewijsmateriaal afdoende ondersteund. Als een afsluitend woordt vol vriendelijke raad en als een overtuigde verwoording van het succes van de gelovigen, vormt het hoofdstuk zonder twijfel een toepassing vervolg op een groep van hoofdstukken die gaan over de grootse en zegevierde toekomst van de Islām. Het lijkt in feite het onderwerp van het voorgaande hoofdstuk voort te zetten, en benadrukt daarom in de eerste paragraaf het succes van de gelovigen in heldere en krachtige bewoordingen. De eerste paragraaf wordt gevolgd door twee andere, die refereren aan vergelijkbaar succes van eerdere profeten. De vierde paragraaf vertelt ons dat de geschiedenis van de Profeet (s.a.w.) in feite een herhaling is van de geschiedenis van voorgaande profeten. De laatste grote Goddelijke openbaring vormde een laatste slag voor het polytheïsme, dat eigenlijk veroordeeld werd uit monde van zijn eigen aanhangers, zoals de vijfde paragraaf laat zien. De zesde paragraaf beëndigt het onderwerp door te laten zien hoe de zondaars uiteindelijk hun slechte daden zullen betreuren.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s