27. An-Naml (De Mieren)

– In de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. –
Bismillahi rahmani rahim

1. Taa Sien. Dit zijn de verzen van de Koran, het duidelijke Boek.
Ta-seen tilka ayatu alqur-ani wakitabin mubeenin

2. Een richtsnoer en goed nieuws voor de gelovigen.
Hudan wabushra lilmu/mineena

3. Die het gebed houden en de Zakaat betalen, en een vast geloof hebben in het Hiernamaals.
Allatheena yuqeemoona alssalata wayu/toona alzzakata wahum bial-akhirati hum yooqinoona

4. Voorzeker, die niet in het Hiernamaals geloven, hun daden hebben Wij voor hen schoonschijnend gemaakt, daarom lopen zij blindelings rond.
Inna allatheena la yu/minoona bial-akhirati zayyanna lahum aAAmalahum fahum yaAAmahoona

5. Zij zullen zeker een zware straf krijgen en zij zullen in het Hiernamaals de grootste verliezers zijn.
Ola-ika allatheena lahum soo-o alAAathabi wahum fee al-akhirati humu al-akhsaroona

6. Voorwaar, aan u wordt de Koran overgedragen door de Alwijze, de Alwetende.
Wa-innaka latulaqqa alqur-ana min ladun hakeemin AAaleemin

7. Gedenk toen Mozes tot zijn familieleden zeide: “Ik zie een vuur. Ik zal u daarvan enig bericht brengen of ik breng wat vuur mee opdat gij u moogt verwarmen.”
Ith qala moosa li-ahlihi innee anastu naran saateekum minha bikhabarin aw ateekum bishihabin qabasin laAAallakum tastaloona

8. En toen hij er bij kwam, riep een stem hem toe: “Gezegend is hij, die in het vuur is en gezegend is hij die er dichtbij is, glorie zij Allah, de Heer der Werelden!
Falamma jaaha noodiya an boorika man fee alnnari wamanhawlaha wasubhana Allahi rabbi alAAalameena

9. O Mozes, Ik ben Allah, de Machtige, de Alwijze.
Ya moosa innahu ana Allahu alAAazeezu alhakeemu

10. Werp uw staf neder.” Maar toen hij de staf zich als een slang zag bewegen, wendde hij zich af en wilde zich niet omkeren. (En Allah zeide) “O Mozes, vrees niet, voorwaar bij Mij vrezen de boodschappers niet.”
Waalqi AAasaka falamma raaha tahtazzu kaannaha jannun wallamudbiran walam yuAAaqqib ya moosa la takhaf innee la yakhafu ladayya almursaloona

11. Noch degene die kwaad doet en daarna het kwade door goed vereffent; want waarlijk, Ik ben dan Vergevensgezind, Genadevol.
Illa man thalama thumma baddala husnan baAAda soo-in fa-innee ghafoorun raheemun

12. En stop uw hand in uw boezem, zij zal zonder enige schade wit te voorschijn komen. Dit behoort tot de negen tekenen voor Pharao en zijn volk; want zij zijn een opstandig volk.”
Waadkhil yadaka fee jaybika takhruj baydaa min ghayri soo-in fee tisAAi ayatin ila firAAawna waqawmihi innahum kanoo qawman fasiqeena

13. Maar toen Onze verlichtende tekenen tot hen kwamen, zeiden zij: “Dit is openbare tovenarij.”
Falamma jaat-hum ayatuna mubsiratan qaloo hatha sihrun mubeenun

14. En zij verwierpen deze onrechtvaardig en aanmatigend terwijl hun zielen er van overtuigd waren. Ziet, hoe kwaad het einde was van de onruststokers.
Wajahadoo biha waistayqanat-ha anfusuhum thulman waAAuluwwan faonthur kayfa kana AAaqibatu almufsideena

15. En Wij gaven kennis aan David en Salomo, en zij zeiden: “Alle eer behoort aan Allah, Die ons boven vele van Zijn gelovige dienaren heeft verheven.”
Walaqad atayna dawooda wasulaymana AAilman waqalaalhamdu lillahi allathee faddalana AAala katheerin min AAibadihi almu/mineena

16. En Salomo volgde David op en hij zeide: “O gij mensen, ons is de taal der vogelen onderwezen, en ons werd alles geschonken. Dit is inderdaad Gods openbare gunst.”
Wawaritha sulaymanu dawooda waqala ya ayyuha alnnasu AAullimna mantiqa alttayri waooteena min kulli shay-in inna hathalahuwa alfadlu almubeenu

17. Er waren legers voor Salomo verzameld van djinn, mensen en vogelen en zij werden in slagorde opgesteld.
Wahushira lisulaymana junooduhu mina aljinni waal-insi waalttayri fahum yoozaAAoona

18. Toen zij tot het dal van de mieren kwamen, zei een mier: “O gij mieren, gaat uw woningen binnen opdat Salomo en zijn scharen u niet verpletteren zonder dit te bemerken.”
Hatta itha ataw AAala wadi alnnamli qalat namlatun ya ayyuhaalnnamlu odkhuloo masakinakum la yahtimannakum sulaymanu wajunooduhu wahum la yashAAuroona

19. Daarop glimlachte hij, zich verbazend over haar woorden en hij zeide: “Mijn Heer, doe mij dankbaar zijn voor Uw gunst, die Gij mij en mijn ouders hebt bewezen en laat mij het goede doen dat U behaagt en laat mij door Uw barmhartigheid tot Uw rechtvaardige dienaren behoren.”
Fatabassama dahikan min qawliha waqala rabbi awziAAnee an ashkura niAAmataka allatee anAAamta AAalayya waAAalawalidayya waan aAAmala salihan tardahu waadkhilnee birahmatika fee AAibadika alssaliheena

20. En hij overzag de vogelen, en zeide: “Hoe kan het zijn dat ik de hop niet zie? Is hij onder de afwezigen?
Watafaqqada alttayra faqala ma liya la ara alhudhuda am kana mina algha-ibeena

21. Ik zal hem zeker streng straffen of ik zal hem doden, als hij mij geen duidelijke uitleg geeft.”
LaoAAaththibannahu AAathaban shadeedan aw laathbahannahu aw laya/tiyannee bisultanin mubeenin

22. En hij duurde niet lang, totdat deze kwam en zeide: “Ik heb datgene gezien wat gij niet weet; en ik heb over Saba betrouwbare inlichtingen meegebracht.
Famakatha ghayra baAAeedin faqala ahattu bima lam tuhit bihi waji/tuka min saba-in binaba-in yaqeenin

23. Ik vond een vrouw, die daar regeerde en haar is alles gegeven en zij heeft een machtige troon.
Innee wajadtu imraatan tamlikuhum waootiyat min kulli shay-in walaha AAarshun AAatheemun

24. Ik vond, dat zij en haar volk de zon aanbaden in plaats van Allah en Satan heeft hun werken voor schoonschijnend gemaakt en heeft hun de weg versperd, zodat zij geen rechte leiding volgen;
Wajadtuha waqawmaha yasjudoona lilshshamsi min dooni Allahi wazayyana lahumu alshshaytanu aAAmalahum fasaddahum AAani alssabeeli fahum la yahtadoona

25. Zij aanbidden Allah niet, Die hetgeen in de hemelen en op aarde verborgen is aan het licht brengt en Die weet wat gij verbergt en wat gij toont.”
Alla yasjudoo lillahi allathee yukhriju alkhabaa fee alssamawati waal-ardi wayaAAlamu ma tukhfoona wama tuAAlinoona

26. Allah! Er is geen God naast Hem, de Heer van de Grote Troon.
Allahu la ilaha illa huwa rabbu alAAarshi alAAatheemi

27. Salomo zeide: “Wij zullen zien of gij de waarheid hebt gesproken of dat gij tot de leugenaars behoort.
Qala sananthuru asadaqta am kunta mina alkathibeena

28. Ga met deze mijn brief en leg hem voor hen neder, trek u dan van hen terug, en zie welk antwoord zij terugzenden.”
Ithhab bikitabee hatha faalqih ilayhim thumma tawalla AAanhum faonthur matha yarjiAAoona

29. Zij (de Koningin) zeide: “Gij, leiders, er is aan mij een nobele brief afgeleverd.
Qalat ya ayyuha almalao innee olqiya ilayya kitabun kareemun

30. Hij is van Salomo en luidt: “In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle.
Innahu min sulaymana wa-innahu bismi Allahi alrrahmani alrraheemi

31. Hij zegt, “Verhef julliezelf niet tegen mij en kom onderworpen tot mij.”
Alla taAAloo AAalayya wa/toonee muslimeena

32. Zij zeide: “Gij leiders, geeft mij raad in de zaak die voor mij ligt, ik beslis niets totdat gij er mee instemt.”
Qalat ya ayyuha almalao aftoonee fee amree ma kuntu qatiAAatan amran hatta tashhadoona

33. Zij antwoordden: “Wij hebben de macht en wij bezitten een grote dapperheid in de oorlog, maar de zaak is in uw handen; overdenk daarom wat gij zult bevelen.”
Qaloo nahnu oloo quwwatin waoloo ba/sin shadeedin waal-amru ilayki faonthuree matha ta/mureena

34. Zij zeide: “Voorzeker, koningen verwoesten een stad als zij er (met geweld) binnen trekken en maken de hoogsten van het volk tot de laagsten. Zo handelen dezen (zeker ook met ons).
Qalat inna almulooka itha dakhaloo qaryatan afsadoohawajaAAaloo aAAizzata ahliha athillatan wakathalika yafAAaloona

35. Maar ik ga hun geschenken sturen en afwachten waarmede de afgevaardigden terugkeren.”
Wa-innee mursilatun ilayhim bihadiyyatin fanathiratun bima yarjiAAu almursaloona

36. Toen de gezant (der koningin) tot Salomo kwam, zeide deze: “Schenkt gij mij rijkdommen? Maar datgene wat Allah mij geschonken heeft is beter dan wat Hij u heeft gegeven. Neen, gij verheft u op uw gaven.
Falamma jaa sulaymana qala atumiddoonani bimalin famaataniya Allahu khayrun mimma atakum bal antum bihadiyyatikum tafrahoona

37. Gaat tot hen terug, want wij zullen zeker tot hen komen met scharen waartegen zij geen macht zullen hebben, wij zullen hen met ontering daaruit (de stad) verdrijven en zij zullen vernederd worden.”
IrjiAA ilayhim falana/tiyannahum bijunoodin la qibala lahum biha walanukhrijannahum minha athillatan wahum saghiroona

38. Hij (Salomo) zeide: “O edelen, welke onder u zal mij een passende troon voor haar brengen voordat zij onderdanig tot mij komt?”
Qala ya ayyuha almalao ayyukum ya/teenee biAAarshiha qabla an ya/toonee muslimeena

39. Een dappere van de djinn zeide: “Ik zal deze tot u brengen voordat gij van uw kamp opstaat en zeker heb ik daar macht over en ik ben betrouwbaar.”
Qala AAifreetun mina aljinni ana ateeka bihi qabla an taqooma min maqamika wa-inne AAalayhi laqawiyyun ameenun

40. Iemand, die kennis van het geschrift had zeide: “Ik zal hem tot u brengen vََr uw bode terugkeert,” en toen Salomo de troon naast zich zag geplaatst, zeide hij: “Dit is bij de gratie van mijn Heer, opdat Hij mij moge beproeven of ik dankbaar of ondankbaar ben. En wie dankbaar is, is dankbaar voor het welzijn van zijn eigen ziel, maar wie ondankbaar is, waarlijk mijn Heer is Zichzelf-genoeg, Geëerd.”
Qala allathee AAindahu AAilmun mina alkitabi ana ateeka bihi qabla an yartadda ilayka tarfuka falamma raahu mustaqirran AAindahu qala hatha min fadli rabbee liyabluwanee aashkuru am akfuru waman shakara fa-innama yashkuru linafsihi waman kafara fa-inna rabbee ghaniyyun kareemun

41. En hij (Salomo) zeide: “Zorgt dat haar eigen troon haar tegenstaat. Wij zullen zien of zij de rechte weg volgt of dat zij behoort tot degenen die van de rechte weg worden afgeleid.”
Qala nakkiroo laha AAarshaha nanthur atahtadee am takoonu mina allatheena la yahtadoona

42. En toen zij kwam, werd haar gevraagd: “Is uw troon als deze?” Zij antwoordde: “Hij is als het ware dezelfde.” En ons is voordien kennis gegeven en wij zijn reeds onderdanig geworden.”
Falamma jaat qeela ahakatha AAarshuki qalat kaannahu huwa waooteena alAAilma min qabliha wakunna muslimeena

43. Hij (Salomo) weerhield haar van het aanbidden van hetgeen zij in plaats van Allah aanbad; want zij behoorde tot een ongelovig volk.
Wasaddaha ma kanat taAAbudu min dooni Allahi innaha kanat min qawmin kafireena

44. Er werd tot haar gezegd “Ga het paleis binnen.” En toen zij het zag, dacht zij dat het een massa water was, en zij raakte in verwarring. Hij zeide: “Het is een paleis dat geplaveid is met glas.” Zij zeide: “Mijn Heer, ik heb mijn ziel inderdaad onrecht aangedaan; en ik onderwerp mij met Salomo aan Allah, de Heer der Werelden.”
Qeela laha odkhulee alssarha falamma raat-hu hasibat-hu lujjatan wakashafat AAan saqayha qala innahu sarhun mumarradun min qawareera qalat rabbi innee thalamtu nafsee waaslamtu maAAa sulaymana lillahi rabbi alAAalameena

45. En Wij zonden zeker tot de Samoed hun broeder Salih, die zeide: “Aanbidt Allah.” Maar ziet, zij werden in twee partijen gesplitst die met elkander twistten.
Walaqad arsalna ila thamooda akhahum salihan ani oAAbudoo Allaha fa-itha hum fareeqani yakhtasimoona

46. Hij zeide: “O mijn volk, waarom wenst gij het kwade te verhaasten boven het goede? Waarom vraagt gij geen vergiffenis aan Allah, opdat u barmhartigheid betoond moge worden?”
Qala ya qawmi lima tastaAAjiloona bialssayyi-ati qabla alhasanati lawla tastaghfiroona Allaha laAAallakum turhamoona

47. Zij antwoordden: “Wij voorzien kwaad wegens u en degenen die met u zijn.” Hij zeide: “Uw kwade verwachting is bij Allah. Neen, gij zijt een volk dat beproefd wordt.”
Qaloo ittayyarna bika wabiman maAAaka qala ta-irukum AAinda Allahi bal antum qawmun tuftanoona

48. En er waren negen personen in de stad die onrust in het land stichtten en zich niet wilden verbeteren,
Wakana fee almadeenati tisAAatu rahtin yufsidoona fee al-ardi wala yuslihoona

49. Zij zeiden: “Zweert tot elkander bij Allah, dat wij zeker Salih en zijn familie in de nacht zullen aanvallen en daarna zullen wij tot zijn bloedverwanten zeggen: “Wij waren geen getuigen van de vernietiging van zijn familie en wij spreken zeker de waarheid.”
Qaloo taqasamoo biAllahi lanubayyitannahu waahlahu thumma lanaqoolanna liwaliyyihi ma shahidna mahlika ahlihi wa-innalasadiqoona

50. En zij smeedden een plan, en Wij maakten ook een plan (tegen hen) maar zij bemerkten het niet.
Wamakaroo makran wamakarna makran wahum layashAAuroona

51. Ziet dan hoe het einde van hun plan was; Wij vernietigden hen en hun volk, allen tezamen.
Faonthur kayfa kana AAaqibatu makrihim anna dammarnahum waqawmahum ajmaAAeena

52. En dit zijn hun ingestorte huizen omdat zij onrechtvaardig waren. Daarin is voorwaar een teken voor een volk, dat begrijpt.
Fatilka buyootuhum khawiyatan bima thalamoo inna fee thalika laayatan liqawmin yaAAlamoona

53. En Wij redden hen die geloofden en godvrezend waren.
Waanjayna allatheena amanoo wakanoo yattaqoona

54. En Lot, toen hij tot zijn volk zeide: “Begaat gij onzedelijkheid tegen beter weten in?
Walootan ith qala liqawmihi ata/toona alfahishata waantum tubsiroona

55. Nadert gij wellustig de mannen in plaats van de vrouwen? Neen, gij zijt een onwetend volk.”
A-innakum lata/toona alrrijala shahwatan min dooni alnnisa-i bal antum qawmun tajhaloona

56. Maar het antwoord van zijn volk was niets anders dan dat zij zeiden: “Verdrijft Lot’s familie uit uw stad want zij zijn mensen, die zich rein willen houden.”
Fama kana jawaba qawmihi illa an qaloo akhrijoo ala lootin min qaryatikum innahum onasun yatatahharoona

57. Daarom redden Wij hem en zijn familie behalve zijn vrouw; Wij deden haar tot de achterblijvenden behoren.
Faanjaynahu waahlahu illa imraatahu qaddarnaha mina alghabireena

58. En Wij deden een regen over hen komen, en vreselijk was de regen voor de gewaarschuwden.
Waamtarna AAalayhim mataran fasaa mataru almunthareena

59. Zeg: “Alle lof behoort aan Allah en vrede zij met Zijn uitverkoren dienaren. Is Allah beter of wat zij met Hem vereenzelvigen?
Quli alhamdu lillahi wasalamun AAala AAibadihi allatheena istafa allahu khayrun amma yushrikoona

60. Hij Die de hemelen en de aarde schiep en water uit de hemelen nederzendt waarmee Hij prachtige tuinen doet groeien? Gij zoudt hun bomen niet kunnen doen groeien. Is er een God naast Allah? Neen, zij zijn een volk dat het spoor bijster is.
Amman khalaqa alssamawati waal-arda waanzala lakum mina alssama-i maan faanbatna bihi hada-iqa thata bahjatin ma kana lakum an tunbitoo shajaraha a-ilahun maAAa Allahi bal hum qawmun yaAAdiloona

61. Hij Die de aarde tot een rustplaats maakte, er rivieren in plaatste en er hechte bergen op zette en een dam tussen de beide zeeën? Is er een God naast Allah? Neen, de meesten hunner (willen) het niet weten.
Amman jaAAala al-arda qararan wajaAAala khilalaha anharan wajaAAala laha rawasiya wajaAAala bayna albahrayni hajizan a-ilahun maAAa Allahi bal aktharuhum la yaAAlamoona

62. Hij Die de wanhopige verhoort als deze Hem aanroept, en het kwade wegneemt en u opvolgers op aarde maakt? Is er een God naast Allah? Hoe weinig lering trekt gij er uit!
Amman yujeebu almudtarra itha daAAahu wayakshifu alssoo-a wayajAAalukum khulafaa al-ardi a-ilahun maAAa Allahi qaleelan ma tathakkaroona

63. Hij, Die u leidt in het duister van het land en van de zee, en Die u winden zendt als boodschappers van blijde tijdingen (regen) door Zijn barmhartigheid? Is er een God naast Allah? Verheven is Allah boven hetgeen zij met Hem vereenzelvigen.
Amman yahdeekum fee thulumati albarri waalbahri waman yursilu alrriyaha bushran bayna yaday rahmatihi a-ilahun maAAa Allahi taAAala Allahu AAamma yushrikoona

64. Hij Die de schepping voortbrengt en dat dan herhaalt, en u (voedsel) voorziet uit de hemel en de aarde? Is er een God naast Allah?” Zeg: “Geeft uw bewijs hiervoor als gij waarachtig zijt.”
Amman yabdao alkhalqa thumma yuAAeeduhu waman yarzuqukum mina alssama-i waal-ardi a-ilahun maAAa Allahi qul hatoo burhanakum in kuntum sadiqeena

65. Zeg: “Niemand in de hemelen en op aarde kent het onzienlijke, behalve Allah; en zij weten niet wanneer zij zullen worden opgewekt.
Qul la yaAAlamu man fee alssamawati waal-ardi alghayba illaAllahu wama yashAAuroona ayyana yubAAathoona

66. Neen, hun kennis heeft geheel gefaald betreffende het Hiernamaals, neen, zij twijfelen er aan, neen, zij zijn er blind voor.”
Bali iddaraka AAilmuhum fee al-akhirati bal hum fee shakkin minha bal hum minha AAamoona

67. En de ongelovigen zeggen: “Zullen wij wanneer wij en onze vaderen tot stof zijn geworden inderdaad worden opgewekt?
Waqala allatheena kafaroo a-itha kunna turaban waabaona a-innalamukhrajoona

68. Er was ons voorheen reeds mede gedreigd, – ons en onze voorvaderen; dit zijn niets dan fabelen der ouden!”
Laqad wuAAidna hatha nahnu waabaona min qablu in hatha illaasateeru al-awwaleena

69. Zeg tot hen: “Reist op aarde en ziet hoe het einde der zondaren was.”
Qul seeroo fee al-ardi faonthuroo kayfa kana AAaqibatu almujrimeena

70. En treur niet om hen, noch wees bezorgd voor hun samenzwering.
Wala tahzan AAalayhim wala takun fee dayqin mimmayamkuroona

71. En zij zullen zeggen: “Wanneer zal deze bedreiging worden vervuld als gij de waarheid spreekt?”
Wayaqooloona mata hatha alwaAAdu in kuntum sadiqeena

72. Zeg: “Het kan zijn, dat een gedeelte van de straf die gij wildet verhaasten, reeds dicht bij u is gekomen.”
Qul AAasa an yakoona radifa lakum baAAdu allathee tastaAAjiloona

73. En waarlijk, uw Heer is goedertieren voor de mensen maar de meesten hunner zijn ondankbaar.
Wa-inna rabbaka lathoo fadlin AAala alnnasi walakinna aktharahum la yashkuroona

74. En zeker uw Heer weet alles wat hun hart verbergt en wat het openbaart.
Wa-inna rabbaka layaAAlamu ma tukinnu sudooruhum wamayuAAlinoona

75. En er is niets in de hemelen of op aarde verborgen, of het staat in een duidelijk boek opgeschreven.
Wama min gha-ibatin fee alssama-i waal-ardi illa fee kitabin mubeenin

76. Waarlijk deze Koran legt aan de kinderen van Israël veel uit van hetgeen waaromtrent zij verschillen.
Inna hatha alqur-ana yaqussu AAala banee isra-eela akthara allathee hum feehi yakhtalifoona

77. En voorwaar, het is richtsnoer en barmhartigheid voor de gelovigen.
Wa-innahu lahudan warahmatun lilmu/mineena

78. En voorwaar uw Heer zal over hen beslissen door Zijn gebod en Hij is de Almachtige, de Alwetende.
Inna rabbaka yaqdee baynahum bihukmihi wahuwa alAAazeezu alAAaleemu

79. Stel dan uw vertrouwen in Allah; voorzeker gij bezit de duidelijke Waarheid.
Fatawakkal AAala Allahi innaka AAala alhaqqi almubeeni

80. Waarlijk, gij kunt de doden, noch de doven de oproep doen horen als Zij zich verwijderen.
Innaka la tusmiAAu almawta wala tusmiAAu alssumma aldduAAaa itha wallaw mudbireena

81. Noch kunt gij de blindeen van hun dwaling afleiden. Gij kunt alleen hen doen horen die in Onze tekenen willen geloven en zich onderwerpen.
Wama anta bihadee alAAumyi AAan dalalatihim in tusmiAAu illa man yu/minu bi-ayatina fahum muslimoona

82. En wanneer het Woord voor hun bewaarheid wordt, zullen Wij een dier uit de aarde te voorschijn brengen dat hen zal verwonden, omdat de mensen niet in Onze tekenen geloven.
Wa-itha waqaAAa alqawlu AAalayhim akhrajna lahum dabbatan mina al-ardi tukallimuhum anna alnnasa kanoo bi-ayatina layooqinoona

83. En op de Dag waarop Wij van elk volk degenen zullen verzamelen die Onze tekenen loochenden, zullen zij in groepen worden bijeengehouden,
Wayawma nahshuru min kulli ommatin fawjan mimman yukaththibu bi-ayatina fahum yoozaAAoona

84. Wanneer zij komen, zal Hij zeggen: “Hebt gij Onze tekenen geloochend voordat gij deze trachttet te begrijpen of wat deedt gij?”
Hatta itha jaoo qala akaththabtum bi-ayatee walam tuheetoo bihaAAilman ammatha kuntum taAAmaloona

85. En het oordeel zal op hen vallen wegens hun ongerechtigheid en zij zullen niet kunnen spreken.
WawaqaAAa alqawlu AAalayhim bima thalamoo fahum layantiqoona

86. Hebben zij niet gezien dat Wij de nacht hebben ingesteld opdat zij er in mogen rusten, en de dag om licht te geven. Daarin zijn voorwaar tekenen voor een volk dat gelooft.
Alam yaraw anna jaAAalna allayla liyaskunoo feehi waalnnahara mubsiran inna fee thalika laayatin liqawmin yu/minoona

87. En de Dag, waarop de bazuin zal worden geblazen, zullen zij (allen) die in de hemelen en ook zij die op aarde zijn, schrikken, behalve degenen die Allah wil (sparen). En allen zullen nederig tot Hem komen.
Wayawma yunfakhu fee alssoori fafaziAAa man fee alssamawati waman fee al-ardi illa man shaa Allahu wakullun atawhu dakhireena

88. En gij ziet de bergen en gij denkt ze onbewegelijk terwijl zij als de wolken voorbijgaan. Dit is Allah’s werk Die alles volmaakt heeft geschapen. Voorwaar, Hij is goed op de hoogte van hetgeen gij doet.
Watara aljibala tahsabuha jamidatan wahiya tamurru marra alssahabi sunAAa Allahi allathee atqana kulla shay-in innahu khabeerun bima tafAAaloona

89. Wie een goede daad doet, zal een betere beloning hebben dan deze en zij zullen op die Dag veilig zijn voor schrik.
Man jaa bialhasanati falahu khayrun minha wahum min fazaAAin yawma-ithin aminoona

90. Maar zij die een slechte daad begaan, zullen op hun aangezicht in het Vuur worden nedergeworpen. “Gij wordt slechts beloond voor hetgeen gij hebt gedaan.”
Waman jaa bialssayyi-ati fakubbat wujoohuhum fee alnnari hal tujzawna illa ma kuntum taAAmaloona

91. Zeg: “Het is mij geboden alleen de Heer dezer stad die Hij heilig heeft verklaard te aanbidden, en aan Hem behoren alle dingen, en het is mij geboden tot de Moslims te behoren
Innama omirtu an aAAbuda rabba hathihi albaldati allatheeharramaha walahu kullu shay-in waomirtu an akoona mina almuslimeena

92. En de Koran te verkondigen.” Wie daarom leiding volgt, volgt haar ten eigen bate. En zeg tegen hem die dwaalt: “Ik ben slechts een waarschuwer.”
Waan atluwa alqur-ana famani ihtada fa-innama yahtadee linafsihi waman dalla faqul innama ana mina almunthireena

93. En zeg: “Alle eer behoort aan Allah, Hij zal u Zijn tekenen tonen en gij zult ze kennen.” En uw Heer is niet onachtzaam omtrent hetgeen gij doet.
Waquli alhamdu lillahi sayureekum ayatihi fataAArifoonahawama rabbuka bighafilin AAamma taAAmaloona

26ashoearaae-vorigesurahhoofdstuk-svAllah28alqasas-volgendesurahhoofdstuk-svAllah


De titel van dit hoofdstuk is gebaseerd op een stam die bekend staat als de Naml. Deze stam wordt in vers 18 genoemd in verband met de opmars van Salomo tegen de Koningin van Seba. Zie voor de datum van de openbaring en het verband met het voorgaande hoofdstuk de inleidende noot bij het vorige hoofdstruk. De Qoer-ān is het woord van Allāh dat de Heilige Profeet (s.a.w.) van boven ontving, net zoals Mozes een roep ontving op de berg Sinaï. De vijanden van de eerstgenoemde zouden net zo behandeld worden als die van de laatstgenoemde. Dit is de inhoud van de eerste paragraaf. De tweede en derde zijn gewijd aan de geschiedenis van Salomo, waarmee de toekomstige grootsheid van de Heilige Profeet (s.a.w.) wordt aangegeven. Het is in werkelijkheid een deel van de geschiedenis van Mozes, aangezien het Israëlitische koninkrijk haar volle glorie bereikte onder Salomo, en Mozes stierf voordat er enig Israëlitische koninkrijk gevestigd was. Aan de andere kant was de Heilige Profeet Moehammad (s.a.w.) voorbestemd om profetische grootsheid te combineren met het koningschap, de glorie van Salomo met de eenvoud van Mozes. Tijdens zijn leven werd hij erkend als koning van Arabië. Toch leidde hij, ondanks dat hij met koninklijke glorie gekroond was, een door eenvoud getekend leven. Het hoofdstuk vervolgt met een korte verwijzing naar de geschiedenissen van Sālih en Lot in de vierde paragraaf, wier tegenstanders vernietigd werden. De vijfde kan beschouwd worden als het natuurlijke gevolg van deze vernietiging, namelijk dat de gelovigen verheven zullen worden. De zesde paragraaf stelt echter dat de triomf van de Profeet (s.a.w.) niet gemarkeerd zou worden door de volledige vernietiging van zijn vijanden, zoals in het geval van deze profeten, maar door de uiteindelijke geestelijke wederopstanding van degenen die volkomen doof, doen en dood leken te zijn. De laatste paragraaf geeft aan dat alleen de grootste tegenstanders zouden sterven.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s