28. Al-Qasas (De Verhalen)

– In de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. –
Bismillahi rahmani rahim

1. Taa Sien Miem.
Ta-seen-meem

2. Dit zijn de verzen van het duidelijke Boek.
Tilka ayatu alkitabi almubeeni

3. Wij dragen u het verhaal van Mozes en Pharao voor, in waarheid, ten bate van een volk dat wil geloven.
Natloo AAalayka min naba-i moosa wafirAAawna bialhaqqi liqawmin yu/minoona

4. Waarlijk, Pharao handelde aanmatigend in het land en deed het volk er van in partijen scheiden; van een groep die hij als zwak beschouwde doodde hij de zonen en spaarde de vrouwen. Zeker, hij behoorde tot de onheilstichters.
Inna firAAawna AAala fee al-ardi wajaAAala ahlaha shiyaAAan yastadAAifu ta-ifatan minhum yuthabbihu abnaahum wayastahyee nisaahum innahu kana mina almufsideena

5. En Wij wensten hun die op aarde als zwak beschouwd werden een gunst te bewijzen door hen tot erfgenamen en leiders te maken.
Wanureedu an namunna AAala allatheena istudAAifoo fee al-ardi wanajAAalahum a-immatan wanajAAalahumu alwaritheena

6. En hen te vestigen op aarde; om Pharao en Hamaan en hun scharen datgene te tonen waarvoor zij vreesden.
Wanumakkina lahum fee al-ardi wanuriya firAAawna wahamana wajunoodahuma minhum ma kanoo yahtharoona

7. En Wij openbaarden aan de moeder van Mozes: “Zoog hem; en indien gij voor hem vreest, werp hem dan in de rivier en vrees noch treur; want Wij zullen hem aan u teruggeven en zullen hem tot een boodschapper maken.”
Waawhayna ila ommi moosa an ardiAAeehi fa-itha khifti AAalayhi faalqeehi fee alyammi wala takhafee wala tahzanee inna raddoohu ilayki wajaAAiloohu mina almursaleena

8. En Pharao’s familie nam hem op zodat hij voor hen een vijand en een smart zou worden; want Pharao en Hamaan en hun scharen waren boosdoeners.
Failtaqatahu alu firAAawna liyakoona lahum AAaduwwan wahazanan inna firAAawna wahamana wajunoodahuma kanoo khati-eena

9. En Pharao’s vrouw zeide: “(Dit kind is) een troost voor de ogen voor u en voor mij. Dood hem niet. Hij kan nuttig voor ons zijn of wij kunnen hem als zoon opnemen.” Maar zij doorzagen het niet.
Waqalati imraatu firAAawna qurratu AAaynin lee walaka la taqtuloohu AAasa an yanfaAAana aw nattakhithahu waladan wahum la yashAAuroona

10. En het hart der moeder van Mozes werd vrij (van angst). Zij had het bijna onthuld als Wij haar hart niet gesterkt hadden om tot de gelovigen te behoren.
Waasbaha fu-adu ommi moosa farighan in kadat latubdee bihi lawla an rabatna AAala qalbiha litakoona mina almu/mineena

11. En zij zeide tot zijn zuster: “Ga hem achterna.” Zij sloeg hem van verre gade en de anderen bemerkten het niet.
Waqalat li-okhtihi qusseehi fabasurat bihi AAan junubin wahum layashAAuroona

12. En Wij hadden hem de minnen voordien verboden. Daarom zeide zij (zijn zuster): “Zal ik u een familie noemen die hem voor u zal grootbrengen en die voor hem welwillend zal zijn?”
Waharramna AAalayhi almaradiAAa min qablu faqalat hal adullukum AAala ahli baytin yakfuloonahu lakum wahum lahu nasihoona

13. Zo gaven Wij hem aan zijn moeder terug opdat haar oog getroost mocht worden en opdat zij niet behoefde te treuren en opdat zij mocht weten dat de belofte van Allah waar is. Maar de meeste mensen kennen (de Waarheid) niet.
Faradadnahu ila ommihi kay taqarra AAaynuha wala tahzana walitaAAlama anna waAAda Allahi haqqun walakinna aktharahum layaAAlamoona

14. En toen hij volwassen werd en zijn volle kracht had bereikt, gaven wij hem wijsheid en kennis; zo belonen Wij hen die goed doen.
Walamma balagha ashuddahu waistawa ataynahu hukman waAAilman wakathalika najzee almuhsineena

15. En hij ging de stad binnen op een tijdstip waarop de bewoners achteloos waren, en hij vond er twee vechtende mannen, de ene van zijn eigen volk en de andere van zijn vijanden. En hij die van zijn volk was zocht hulp tegen hem die tot zijn vijanden behoorde. Daarom stompte Mozes hem zodat deze stierf. Hij zeide: “Dit is Satan’s werk, en deze is inderdaad een vijand en openbare verleider.”
Wadakhala almadeenata AAala heeni ghaflatin min ahliha fawajada feeharajulayni yaqtatilani hatha min sheeAAatihi wahatha min AAaduwwihi faistaghathahu allathee min sheeAAatihi AAala allathee min AAaduwwihi fawakazahu moosa faqada AAalayhi qala hatha min AAamali alshshaytani innahu AAaduwwun mudillun mubeenun

16. Hij zeide: “Mijn Heer, ik heb mijn eigen ziel onrecht gedaan, bescherm mij.” Daarom vergaf Hij hem; want Hij is de Vergevensgezinde, de Genadevolle.
Qala rabbi innee thalamtu nafsee faighfir lee faghafara lahu innahu huwa alghafooru alrraheemu

17. Hij zeide: “Mijn Heer, door de gunsten die Gij mij hebt bewezen zal ik nooit de schuldigen ondersteunen.”
Qala rabbi bima anAAamta AAalayya falan akoona thaheeran lilmujrimeena

18. En in de morgen was hij in de stad, vrezend, op zijn hoede; en ziet! hij, die de vorige dag zign hulp had gezocht riep wederom tot hem om hulp. Mozes zeide tot hem: “Gij zijt voorzeker stellig een dwalende.”
Faasbaha fee almadeenati kha-ifan yataraqqabu fa-itha allathee istansarahu bial-amsi yastasrikhuhu qala lahu moosa innaka laghawiyyun mubeenun

19. En toen hij hem wilde grijpen die een vijand van beiden was, zeide deze: “O Mozes, wilt gij mij ook doden, zoals gij gisteren een man gedood hebt? Gij wenst slechts een geweldenaar te worden in het land en wilt geen vredestichter zijn.”
Falamma an arada an yabtisha biallathee huwa AAaduwwun lahuma qala ya moosa atureedu an taqtulanee kama qatalta nafsan bial-amsi in tureedu illaan takoona jabbaran fee al-ardi wama tureedu an takoona mina almusliheena

20. En er kwam een man aangehold van het andere einde der stad, zeggende: “O Mozes, waarlijk, de leiders beraadslagen om u te doden. Ga daarom weg, ik ben u welgezind.”
Wajaa rajulun min aqsa almadeenati yasAAa qala ya moosa inna almalaa ya/tamiroona bika liyaqtulooka faokhruj innee laka mina alnnasiheena

21. Daarop ging hij heen, vrezende en op zijn hoede. Hij bad: “Mijn Heer, verlos mij van het kwaadaardige volk.”
Fakharaja minha kha-ifan yataraqqabu qala rabbi najjinee mina alqawmi alththalimeena

22. En toen hij zijn gezicht naar Midian keerde, zeide hij: “Ik hoop dat mijn Heer mij naar de rechte weg zal leiden.”
Walamma tawajjaha tilqaa madyana qala AAasa rabbee an yahdiyanee sawaa alssabeeli

23. En toen hij bij de bron van Midian aankwam, vond hij daar een groep mannen die hun vee drenkten. En hij vond naast hen twee vrouwen die (haar kudden) terughielden. Mozes zeide tot haar: “Wat scheelt u?” Zij antwoordden: “Wij kunnen niet drenken, totdat de herders hun kudden terugnemen want onze vader is een zeer oude man.”
Walamma warada maa madyana wajada AAalayhi ommatan mina alnnasi yasqoona wawajada min doonihimu imraatayni tathoodani qala makhatbukuma qalata la nasqee hatta yusdira alrriAAao waaboona shaykhun kabeerun

24. Daarop drenkte hij voor haar. Daarna ging hij opzij in de schaduw, en zeide: “Mijn Heer, ik heb behoefte aan wat Gij mij voor goeds moogt nederzenden.”
Fasaqa lahuma thumma tawalla ila alththilli faqala rabbi innee limaanzalta ilayya min khayrin faqeerun

25. En een der twee vrouwen kwam verlegen naar hem toelopen. Zij zeide: “Mijn vader roept u opdat hij u moge belonen omdat gij voor ons gedrenkt hebt.” Dan, toen hij tot hem kwam en hem het verhaal vertelde, zeide hij: “Vrees niet, gij zijt een onrechtvaardig volk ontvlucht.”
Fajaat-hu ihdahuma tamshee AAala istihya-in qalat inna abee yadAAooka liyajziyaka ajra ma saqayta lana falamma jaahu waqassa AAalayhi alqasasa qala la takhaf najawta mina alqawmi alththalimeena

26. Een der twee vrouwen zeide: “O, mijn vader neem hem in dienst, want de beste man die gij kunt huren is hij, die sterk, vertrouwenswaardig is.”
Qalat ihdahuma ya abati ista/jirhu inna khayra mani ista/jarta alqawiyyu al-ameenu

27. En hij zeide: “Ik zou u een dezer twee dochters van mij uithuwen, mits gij acht jaren voor mij werkt. En als gij er tien voltooit dan zou dit uit uw vrije wil geschieden. En ik zal u geen moeilijkheden opleggen; gij zult vinden, als Allah het wil, dat ik tot de rechtvaardigen behoor.”
Qala innee oreedu an onkihaka ihda ibnatayya hatayni AAala an ta/juranee thamaniya hijajin fa-in atmamta AAashran famin AAindika wama oreedu an ashuqqa AAalayka satajidunee in shaa Allahu mina alssaliheena

28. Mozes antwoordde: “Dat is een overeenkomst tussen u en mij. Welke van de twee termijnen ik ook vervul, er zal mij geen onrecht worden aangedaan; en Allah is Getuige van hetgeen wij zeggen.”
Qala thalika baynee wabaynaka ayyama al-ajalayni qadaytu falaAAudwana AAalayya waAllahu AAala ma naqoolu wakeelun

29. Toen Mozes de termijn had voltooid, en met zijn familie op reis ging, bemerkte hij een vuur in de richting van de berg Sinaï. Hij zeide tot zijn familie: “Wacht hier, ik zie een vuur, misschien kan ik u nieuws of wat vuur daarvan brengen opdat gij u moogt verwarmen.”
Falamma qada moosa al-ajala wasara bi-ahlihi anasa min janibi alttoori naran qala li-ahlihi omkuthoo innee anastu naran laAAallee ateekum minhabikhabarin aw jathwatin mina alnnari laAAallakum tastaloona

30. En toen hij er bij kwam werd hij door een stem van de rechterzijde van het dal geroepen, op de heilige plaats van uit de boom: “O Mozes, voorwaar, Ik ben Allah, de Heer der Werelden.
Falamma ataha noodiya min shati-i alwadi al-aymani fee albuqAAati almubarakati mina alshshajarati an ya moosa innee ana Allahu rabbu alAAalameena

31. Werp uw staf neder.” En toen hij hem zag bewegen als een slang, vluchtte hij en keerde niet om. “O Mozes, kom en vrees niet, want gij behoort tot hen die veilig zijn.”
Waan alqi AAasaka falamma raaha tahtazzu kaannaha jannun wallamudbiran walam yuAAaqqib ya moosa aqbil wala takhaf innaka mina al-amineena

32. “Steek uw hand in uw boezem; zij zal zonder ziekte wit te voorschijn komen – en wees niet bang voor gevaar – dit zijn twee tekenen van uw Heer aan Pharao en zijn leiders. Waarlijk, zij zijn een opstandig volk.”
Osluk yadaka fee jaybika takhruj baydaa min ghayri soo-in waodmum ilayka janahaka mina alrrahbi fathanika burhanani min rabbika ila firAAawna wamala-ihi innahum kanoo qawman fasiqeena

33. Hij (Mozes) zeide: “Mijn Heer, ik doodde een man onder hen, en ik vrees dat zij mij nu zullen doden.
Qala rabbi innee qataltu minhum nafsan faakhafu an yaqtulooni

34. Maar mijn broeder Aaron is beter bespraakt dan ik, zend hem daarom met mij als helper, opdat hij moge getuigen van mijn waarheid, want ik vrees dat zij mij zullen verloochenen.”
Waakhee haroonu huwa afsahu minnee lisanan faarsilhu maAAiya rid-an yusaddiqunee innee akhafu an yukaththibooni

35. God zeide: “Wij zullen uw arm door uw broeder versterken en Wij zullen u beiden macht geven zodat zij u niet zullen kunnen bereiken. Door Onze tekenen zult gij beiden en zij die u volgen overwinnaars worden.”
Qala sanashuddu AAadudaka bi-akheeka wanajAAalu lakuma sultanan fala yasiloona ilaykuma bi-ayatina antuma wamani ittabaAAakumaalghaliboona

36. En toen Mozes met Onze duidelijke tekenen tot hen kwam, zeiden zij: “Dit is niets dan verzonnen tovenarij, en wij hoorden nooit van iets dergelijks onder onze voorvaderen.”
Falamma jaahum moosa bi-ayatina bayyinatin qaloo ma hatha illa sihrun muftaran wama samiAAna bihatha fee aba-ina al-awwaleena

37. Mozes zeide: “Mijn Heer weet het beste wie de leiding van Hem heeft gebracht en voor wie de gelukkige beloning van het tehuis zal zijn. Waarlijk, de onrechtvaardigen zullen nooit slagen.”
Waqala moosa rabbee aAAlamu biman jaa bialhuda min AAindihi waman takoonu lahu AAaqibatu alddari innahu la yuflihu alththalimoona

38. En Pharao zeide: “O leiders, ik erken geen God voor u naast mij; stook voor mij een vuur O Hamaan, om stenen van klei te bakken en bouw een toren, opdat ik moge opklimmen naar de God van Mozes want waarlijk ik beschouw hem als een leugenaar.”
Waqala firAAawnu ya ayyuha almalao ma AAalimtu lakum min ilahin ghayree faawqid lee ya hamanu AAala altteeni faijAAal lee sarhan laAAallee attaliAAu ila ilahi moosa wa-innee laathunnuhu mina alkathibeena

39. En hij en zijn legers handelden ten onrechte aanmatigend in het land. En zij dachten, dat zij nooit naar Ons zouden worden teruggebracht.
Waistakbara huwa wajunooduhu fee al-ardi bighayri alhaqqi wathannoo annahum ilayna la yurjaAAoona

40. Daarom grepen Wij hem en zijn scharen en wierpen hen midden in de zee. Zie dan hoe slecht het einde der boosdoeners was.
Faakhathnahu wajunoodahu fanabathnahum fee alyammi faonthur kayfa kana AAaqibatu alththalimeena

41. En Wij gaven hun leiders die tot het Vuur uitnodigen; en op de Dag der Opstanding zullen zij niet worden geholpen.
WajaAAalnahum a-immatan yadAAoona ila alnnari wayawma alqiyamati la yunsaroona

42. En Wij deden hen in deze wereld door een vloek achtervolgen, en op de Dag der Opstanding zullen zij de verachten zijn.
WaatbaAAnahum fee hathihi alddunya laAAnatan wayawma alqiyamati hum mina almaqbooheena

43. En Wij gaven het Boek aan Mozes nadat Wij de vroegere geslachten hadden vernietigd als een duidelijk bewijs voor de mensen en als een leiding en een genade, opdat zij er lering uit mochten trekken.
Walaqad atayna moosa alkitaba min baAAdi ma ahlakna alquroona al-oola basa-ira lilnnasi wahudan warahmatan laAAallahum yatathakkaroona

44. En gij (Mohammed) waart niet aan de westelijke kant (van de berg) toen Wij Mozes de geboden mededeelden, noch waart gij onder de aanwezigen.
Wama kunta bijanibi algharbiyyi ith qadayna ila moosa al-amra wamakunta mina alshshahideena

45. Maar Wij brachten vele geslachten na Mozes voort en het leven werd voor hen verlengd. En gij waart geen bewoner onder het volk van Midian, die Onze tekenen aan hen voordroeg, maar Wij waren het, Die boodschappers stuurden.
Walakinna ansha-na quroonan fatatawala AAalayhimu alAAumuru wamakunta thawiyan fee ahli madyana tatloo AAalayhim ayatina walakinna kunnamursileena

46. En gij waart niet aan de bergkant toen Wij (naar Mozes) riepen. Maar uit barmhartigheid van uw Heer zijt gij gezonden, opdat gij een volk naar hetwelk geen waarschuwer kwam vََr u moogt waarschuwen opdat zij er lering uit mogen trekken.
Wama kunta bijanibi alttoori ith nadayna walakin rahmatan min rabbika litunthira qawman ma atahum min natheerin min qablika laAAallahum yatathakkaroona

47. En indien een ramp over hen zou komen wegens hetgeen zij verdienen, mogen zij niet meer zeggen: “Onze Heer, waarom zondt Gij ons geen boodschapper, opdat wij Uwe tekenen hadden kunnen volgen en onder de gelovigen konden zijn?”
Walawla an tuseebahum museebatun bima qaddamat aydeehim fayaqooloo rabbana lawla arsalta ilayna rasoolan fanattabiAAa ayatika wanakoona mina almu/mineena

48. Maar toen de Waarheid van Ons tot hen kwam, zeiden zij: “Waarom is hem niet hetzelfde gegeven als aan Mozes werd gegeven?” Verwierpen zij datgene niet, wat Mozes voorheen was gegeven? Zij zeiden: “Twee tovenaars die elkander ondersteunen.” En dezen zeggen: “Wij geloven in beiden niet.”
Falamma jaahumu alhaqqu min AAindina qaloo lawla ootiya mithla maootiya moosa awa lam yakfuroo bima ootiya moosa min qablu qaloo sihrani tathahara waqaloo inna bikullin kafiroona

49. Zeg: “Brengt dan een Boek van Allah dat een betere leiding geeft dan dit, ik zal dat volgen, indien gij waarachtig zijt.”
Qul fa/too bikitabin min AAindi Allahi huwa ahda minhuma attabiAAhu in kuntum sadiqeena

50. Maar als zij u niet antwoorden, weet dan dat zij slechts hun eigen begeerten volgen. En wie dwaalt meer dan hij die zijn eigen neigingen volgt zonder de leiding van Allah? Voorwaar, Allah leidt de onrechtvaardige mensen niet.
Fa-in lam yastajeeboo laka faiAAlam annama yattabiAAoona ahwaahum waman adallu mimmani ittabaAAa hawahu bighayri hudan mina Allahi inna Allaha la yahdee alqawma alththalimeena

51. En Wij hebben inderdaad het Woord voortdurend aan hen nedergezonden opdat zij er lering uit mogen trekken.
Walaqad wassalna lahumu alqawla laAAallahum yatathakkaroona

52. Zij aan wie Wij het Boek voordien gaven, geloven er in.
Allatheena ataynahumu alkitaba min qablihi hum bihi yu/minoona

53. En als het aan hen is voorgedragen, zeggen zij: “Wij geloven er in. Voorwaar, het is de Waarheid van onze Heer. Inderdaad, wij hadden ons zelf reeds onderworpen.”
Wa-itha yutla AAalayhim qaloo amanna bihi innahu alhaqqu min rabbinainna kunna min qablihi muslimeena

54. Hun beloning zal hun tweemaal worden gegeven want zij zijn standvastig geweest en omdat zij het kwade met het goede weren, en mededelen van hetgeen waarmee Wij hen hebben voorzien.
Ola-ika yu/tawna ajrahum marratayni bima sabaroo wayadraoona bialhasanati alssayyi-ata wamimma razaqnahum yunfiqoona

55. Wanneer zij ijdele gesprekken horen, wenden zij zich er van af en zeggen: “Aan ons onze werken en aan u uw werken. Vrede zij met u. Wij zoeken de onwetenden niet.”
Wa-itha samiAAoo allaghwa aAAradoo AAanhu waqaloo lanaaAAmaluna walakum aAAmalukum salamun AAalaykum la nabtaghee aljahileena

56. Waarlijk, gij zult hen die gij wilt niet kunnen leiden, maar Allah leidt wie Hij wil; en Hij kent hen het beste die geleid willen worden.
Innaka la tahdee man ahbabta walakinna Allaha yahdee man yashao wahuwa aAAlamu bialmuhtadeena

57. En zij (de bewoners van Mekka) zeggen: “Als wij de leiding met u zouden volgen, zouden wij van ons land worden weggevoerd.” Hebben Wij voor hen geen veilig heiligdom opgericht waarheen allerlei vruchten worden gebracht als een voorziening van Ons? Maar de meesten onder hen begrijpen het niet.
Waqaloo in nattabiAAi alhuda maAAaka nutakhattaf min ardina awa lam numakkin lahum haraman aminan yujba ilayhi thamaratu kulli shay-in rizqan min ladunna walakinna aktharahum la yaAAlamoona

58. En hoeveel steden hebben Wij niet vernietigd die trots waren op hun middelen van bestaan! En ginds waren hun woonplaatsen die tot op enkele na niet meer bewoond zijn geworden. En Wij zijn het Die de erfgenamen werden.
Wakam ahlakna min qaryatin batirat maAAeeshataha fatilka masakinuhum lam tuskan min baAAdihim illa qaleelan wakunna nahnu alwaritheena

59. En uw Heer is niet zo, dat Hij steden vernietigt, voordat Hij in de hoofdstad een boodschapper heeft verwekt die hun Ons woord verkondigt; noch verwoesten Wij steden tenzij de bewoners er van onrechtvaardig zijn.
Wama kana rabbuka muhlika alqura hatta yabAAatha fee ommiharasoolan yatloo AAalayhim ayatina wama kunna muhlikee alqura illawaahluha thalimoona

60. En wat u gegeven is dient slechts als middel van bestaan voor het tegenwoordige leven en ter versiering er van; en hetgeen bij Allah is, is beter en van langere duur. Wilt gij dit niet begrijpen?
Wama ooteetum min shay-in famataAAu alhayati alddunya wazeenatuhawama AAinda Allahi khayrun waabqa afala taAAqiloona

61. Staat hij aan wie Wij een goede belofte hebben gedaan, die hij (vervuld) zal zien, gelijk met degenen, die Wij van de goederen dezer wereld hebben gegeven en zal hij dan op de Dag der Opstanding naar de hel worden gebracht?
Afaman waAAadnahu waAAdan hasanan fahuwa laqeehi kaman mattaAAnahu mataAAa alhayati alddunya thumma huwa yawma alqiyamati mina almuhdareena

62. En op die Dag zal God hen roepen en zeggen: “Waar zijn Mijn deelgenoten die gij u beweerdet te zijn?”
Wayawma yunadeehim fayaqoolu ayna shuraka-iya allatheena kuntum tazAAumoona

63. Zij, tegen wie het Woord van kracht zal worden, zullen zeggen: “Onze Heer, dit zijn degenen die wij deden dwalen. Wij deden hen dwalen zoals wij dwaalden. Wij betuigen onze onschuld aan U. Wij waren het niet die zij aanbaden.”
Qala allatheena haqqa AAalayhimu alqawlu rabbana haola-i allatheena aghwayna aghwaynahum kama ghawayna tabarra/na ilayka ma kanoo iyyanayaAAbudoona

64. En er zal worden gezegd: “Roept uw afgoden aan.” En zij zullen hen aanroepen maar deze zullen hen niet horen. Terwijl zij de straf zullen zien. Hadden zij slechts de leiding gevolgd!
Waqeela odAAoo shurakaakum fadaAAawhum falam yastajeeboo lahum waraawoo alAAathaba law annahum kanoo yahtadoona

65. En de dag dat Hij hen zal roepen en zeggen: “Wat was het antwoord dat jullie de boodschappers gaven?”
Wayawma yunadeehim fayaqoolu matha ajabtumu almursaleena

66. Dan zullen alle uitvluchten op die Dag voor hen duister worden en zij zullen elkander niet kunnen vragen.
FaAAamiyat AAalayhimu al-anbao yawma-ithin fahum la yatasaaloona

67. Maar hij, die berouw heeft, gelooft en goed doet, zal waarschijnlijk tot de geslaagden behoren.
Faamma man taba waamana waAAamila salihan faAAasa an yakoona mina almufliheena

68. Uw Heer schept en kiest wat Hij wil, zij (de afgoden) hebben geen keuze. Glorie zij Allah en verheven is Hij boven alles wat zij met Hem vereenzelvigen.
Warabbuka yakhluqu ma yashao wayakhtaru ma kana lahumu alkhiyaratu subhana Allahi wataAAala AAamma yushrikoona

69. En uw Heer weet wat hun harten verbergen en wat zij openbaren.
Warabbuka yaAAlamu ma tukinnu sudooruhum wama yuAAlinoona

70. En Hij is Allah; er is geen God naast Hem. Aan Hem behoort alle roem in deze wereld en in het Hiernamaals. Van Hem is het gebod en tot Hem zult gij worden teruggebracht.
Wahuwa Allahu la ilaha illa huwa lahu alhamdu fee al-oola waal-akhirati walahu alhukmu wa-ilayhi turjaAAoona

71. Zeg: “Vertelt mij, als Allah de nacht over u doet voortduren tot de Dag der Opstanding, welke God is er naast Allah die u een licht kan brengen? Wilt gij dan niet luisteren?”
Qul araaytum in jaAAala Allahu AAalaykumu allayla sarmadan ila yawmi alqiyamati man ilahun ghayru Allahi ya/teekum bidiya-in afala tasmaAAoona

72. Zeg: “Vertelt mij, als Allah de dag voor u doet voortduren tot de Dag der Opstanding welke God is er dan naast Allah die u een nacht kan brengen waarin gij kunt rusten? Wilt gij dat niet inzien?”
Qul araaytum in jaAAala Allahu AAalaykumu alnnahara sarmadan ilayawmi alqiyamati man ilahun ghayru Allahi ya/teekum bilaylin taskunoona feehi afala tubsiroona

73. Het is door Zijn barmhartigheid dat Hij nacht en dag voor u heeft ingesteld opdat gij er in moogt rusten en naar Zijn overvloed moogt uitzien, en opdat gij dankbaar moogt zijn.
Wamin rahmatihi jaAAala lakumu allayla waalnnahara litaskunoo feehi walitabtaghoo min fadlihi walaAAallakum tashkuroona

74. Gedenkt de dag waarop Hij hen zal oproepen en zeggen: “Waar zijn Mijn mededingers, die gij u placht te verbeelden?”
Wayawma yunadeehim fayaqoolu ayna shuraka-iya allatheena kuntum tazAAumoona

75. En Wij zullen uit elk volk een getuige nemen en Wij zullen zeggen: “Brengt uw bewijs.” Dan zullen zij weten dat de Waarheid aan Allah behoort. En hetgeen zij plachten te verzinnen zal mislukken.
WanazaAAna min kulli ommatin shaheedan faqulna hatoo burhanakum faAAalimoo anna alhaqqa lillahi wadalla AAanhum ma kanoo yaftaroona

76. Korach behoorde voorwaar tot het volk van Mozes, maar hij gedroeg zich aanmatigend tegenover hen. En Wij hadden hem zoveel schatten gegeven dat zijn sleutels zeker een last waren geweest voor een groep sterke mannen. Toen zijn volk tot hem zeide: “Poch niet, want Allah houdt niet van degenen die pochen.
Inna qaroona kana min qawmi moosa fabagha AAalayhim waataynahu mina alkunoozi ma inna mafatihahu latanoo-o bialAAusbati olee alquwwati ith qala lahu qawmuhu la tafrah inna Allaha la yuhibbu alfariheena

77. Maar zoek door hetgeen Allah u heeft gegeven het tehuis van het Hiernamaals; en vergeet uw deel aan de wereld niet, en doe goed (aan anderen) zoals Allah u goed gedaan heeft; en schep geen wanorde op aarde, want Allah heeft hen, die onheil stichten, niet lief.”
Waibtaghi feema ataka Allahu alddara al-akhirata wala tansa naseebaka mina alddunya waahsin kama ahsana Allahu ilayka wala tabghi alfasada fee al-ardi inna Allaha la yuhibbu almufsideena

78. Hij antuoordde: “Mij werd het alleen door mijn kennis gegeven.” Wist hij niet dat Allah vََr hem vele geslachten had vernietigd die machtiger waren dan hij en groter in aantal? En de schuldigen worden niet gevraagd omtrent hun zonden.
Qala innama ooteetuhu AAala AAilmin AAindee awa lam yaAAlam anna Allaha qad ahlaka min qablihi mina alqurooni man huwa ashaddu minhu quwwatan waaktharu jamAAan wala yus-alu AAan thunoobihimu almujrimoona

79. Hij bleef verschijnen voor zijn volk met pracht en praal. Zij, die het leven dezer wereld wensten, zeiden: “O, ware ons hetzelfde gegeven als Korach. Waarlijk, hij is bezitter van een groot fortuin.”
Fakharaja AAala qawmihi fee zeenatihi qala allatheena yureedoona alhayata alddunya ya layta lana mithla ma ootiya qaroonu innahu lathoohaththin AAatheemin

80. Maar zij, aan wie kennis was gegeven, zeiden: “Wee u, de beloning van Allah is beter voor degenen die geloven en goede werken doen; en het zal niemand worden geschonken behalve hun die geduldig zijn.”
Waqala allatheena ootoo alAAilma waylakum thawabu Allahi khayrun liman amana waAAamila salihan wala yulaqqaha illa alssabiroona

81. Dan deden Wij hem en zijn huis in de aarde verzinken; en hij had geen partij om hem tegen Allah te helpen noch kon hij zich verdedigen.
Fakhasafna bihi wabidarihi al-arda fama kana lahu min fi-atin yansuroonahu min dooni Allahi wama kana mina almuntasireena

82. En zij, die zijn plaats de vorige dag hadden begeerd, begonnen (de volgende dag) te zeggen: “O wee, Allah vergroot en verkleint de voorziening voor wie Hij wil van Zijn dienaren. Indien Allah ons niet genadig was geweest zou Hij ons ook in de aarde hebben doen verzinken. Wee, de ondankbaren slagen nooit.”
Waasbaha allatheena tamannaw makanahu bial-amsi yaqooloona waykaanna Allaha yabsutu alrrizqa liman yashao min AAibadihi wayaqdiru lawla an manna Allahu AAalayna lakhasafa bina waykaannahu la yuflihu alkafiroona

83. Daar is het tehuis van het Hiernamaals! Wij geven het degenen die op aarde geen zelfverheffing wensen, noch wanorde stichten, en het einde is voor de godvruchtigen.
Tilka alddaru al-akhiratu najAAaluha lillatheena la yureedoona AAuluwwan fee al-ardi wala fasadan waalAAaqibatu lilmuttaqeena

84. Zij die goed doen worden er beter voor beloond, maar zij die kwaad doen, worden slechts vergolden naar datgene wat zij deden.
Man jaa bialhasanati falahu khayrun minha waman jaa bialssayyi-ati falayujza allatheena AAamiloo alssayyi-ati illa ma kanoo yaAAmaloona

85. Voorwaar, Hij, Die de verkondiging van de Koran u oplegde, zal u tot de plaats van terugkeer brengen. Zeg: “Mijn Heer weet het beste wie de ware leiding heeft gebracht en wie op een openlijk dwaalspoor is.”
Inna allathee farada AAalayka alqur-ana laradduka ila maAAadin qul rabbee aAAlamu man jaa bialhuda waman huwa fee dalalin mubeenin

86. En gij hadt niet verwacht dat het Boek (de Koran) aan u zou worden geopenbaard; maar het is een barmhartigheid van uw Heer; wees daarom nooit een ondersteuner der ongelovigen.
Wama kunta tarjoo an yulqa ilayka alkitabu illa rahmatan min rabbika falatakoonanna thaheeran lilkafireena

87. En laten zij u niet afwenden van de woorden van Allah nadat zij tot u zijn nedergezonden; en roep anderen tot uw Heer, en behoor niet tot de afgodendienaren.
Wala yasuddunnaka AAan ayati Allahi baAAda ith onzilat ilayka waodAAu ila rabbika wala takoonanna mina almushrikeena

88. En roep geen andere god aan naast Allah. Er is geen God behalve Hij. Alles zal vergaan, behalve Hij. Aan Hem behoort het oordeel, en tot Hem zullen jullie worden teruggebracht.
Wala tadAAu maAAa Allahi ilahan akhara la ilaha illa huwa kullu shay-in halikun illa wajhahu lahu alhukmu wa-ilayhi turjaAAoona

27annaml-vorigesurahhoofdstuk-svAllah29alankaboet-volgendesurahhoofdstuk-svAllah


Dit hoofdstuk, dat bekendstaat als De Vertelling, is hoofdzakelijk gewijd aan de geschiedenis van Mozes en vestigt de aandacht op de voorspelling van Mozes die betrekking heeft op de komst van de Profeet (s.a.w.). Sommigen beweren dat dit hoofdstuk aan de Heilige Profeet (s.a.w.) werd geopenbaard in de plaats Djahfah, gedurende de reis naar Madinah na zijn vlucht uit Makkah (I‘Ab-AH). Volgens anderen werd echter alleen v. 85, dat een triomfantelijke terugkeer van de Heilige Profeet (s.a.w.) naar Makkah voorspelde, daar geopenbaard (AH). Die laatste lijkt de juiste zienswijze. Zie de inleiding van het 26e hoofdstuk. De gelijkenis van de Profeet (s.a.w.) met Mozes is het hoofdthema van dit hoofdstuk, en de openbaring van Mozes wordt hier genoemd als duidelijk bewijs van de waarheid van de openbaring van de Heilige Profeet Moehammad (s.a.w.). De eerste vier paragrafen worden in beslag genomen door een opsomming van de belangrijkste gebeurtenissen uit het leven van Mozes, van zijn geboorte tot het moment dat hij de Israëlieten met succes uit Egypte leidde. Ook wordt er melding gemaakt van de verdrinking van de Egyptische legers. Hier vinden we wel details uit die periode die nergens anders gegeven worden. De vertelling van Mozes wordt gevolgd door de vijfde paragraaf, die aangeeft dat er nu een profeet zoals Mozes was opgestaan, voor wiens waarheid de openbaring van Mozes een duidelijke getuigenis vormde. De zesde paragraaf bevestigt de waarheid van de openbaring van de Qoer-ān, terwijl de zevende laat zien dat zijn tegenstanders verslagen zullen worden. De achtste paragraaf noemt het voorbeeld van Korach, wiens rijkdom hem tot zijn ondergang leidde, en vormt een waarschuwing voor de tegenstanders dat zij niet teveel vertrouwen moeten hebben in aardse bezittingen. Het zou ook een waarschuwing kunnen zijn voor de moeslims, die betrekking heeft op de tijd dat zij rijk en machtig zullen zijn. Het hoofdstuk eindigt met een aankondiging van de uiteindelijke overwinning van de Heilige Profeet (s.a.w.), en van zijn triomfantelijke binnenkomst in dezelfdse stad waaruit hij nu verdreven werd.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s