33. Al-Ahzaab (De Bondgenoten)

– In de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. –
Bismillahi rahmani rahim

1. O Profeet, zoek bescherming bij Allah en gehoorzaam de ongelovigen en de huichelaars niet. Allah is Alwetend, Alwijs.
Ya ayyuha alnnabiyyu ittaqi Allaha wala tutiAAi alkafireena waalmunafiqeena inna Allaha kana AAaleeman hakeeman

2. Volg hetgeen u is geopenbaard van uw Heer. Voorwaar, Allah is goed op de hoogte van alles wat gij doet.
WaittabiAA ma yooha ilayka min rabbika inna Allaha kana bima taAAmaloona khabeeran

3. En stel uw vertrouwen in Allah, want Allah is als beschermer voldoende.
Watawakkal AAala Allahi wakafa biAllahi wakeelan

4. Allah heeft voor geen man twee harten in zijn binnenste gemaakt, noch heeft Hij uw vrouwen van wie gij wegblijft door haar moeder te noemen, tot uw moeders gemaakt, noch heeft Hij uw aangenomen zonen tot uw (werkelijke) zonen gemaakt. Dat is slechts een woord dat men uit, maar Allah spreekt de waarheid, en Hij wijst de weg.
Ma jaAAala Allahu lirajulin min qalbayni fee jawfihi wama jaAAala azwajakumu alla-ee tuthahiroona minhunna ommahatikum wamajaAAala adAAiyaakum abnaakum thalikum qawlukum bi-afwahikum waAllahu yaqoolu alhaqqa wahuwa yahdee alssabeela

5. Noemt hen bij hun vaders naam dat is billijker in de ogen van Allah. Maar als gij hun vader niet kent, dan zijn zij uw broeders in het geloof en uw vrienden, en er is geen zonde voor u in datgene waarin gij u vergist, maar wel in hetgeen uw hart zich heeft voorgenomen. Allah is Vergevensgezind, Genadevol.
OdAAoohum li-aba-ihim huwa aqsatu AAinda Allahi fa-in lam taAAlamoo abaahum fa-ikhwanukum fee alddeeni wamawaleekum walaysa AAalaykum junahun feema akhta/tum bihi walakin ma taAAammadat quloobukum wakana Allahu ghafooran raheeman

6. De Profeet is dichter bij de gelovigen dan zij zelven, en zijn vrouwen zijn hun moeders. En bloedverwanten zijn nader bij elkander volgens het Boek van Allah, dan de gelovigen en de Mohadjirien tenzij gij uw vrienden een gunst bewijst. Dit is in het Boek neergeschreven.
Alnnabiyyu awla bialmu/mineena min anfusihim waazwajuhu ommahatuhum waoloo al-arhami baAAduhum awla bibaAAdin fee kitabi Allahi mina almu/mineena waalmuhajireena illa an tafAAaloo ila awliya-ikum maAAroofan kana thalika fee alkitabi mastooran

7. En toen Wij met de profeten een verbond sloten: met u, met Noach, Abraham, Mozes, en Jezus de zoon van Maria, sloten wij een hecht verbond.
Wa-ith akhathna mina alnnabiyyeena meethaqahum waminka wamin noohin wa-ibraheema wamoosa waAAeesa ibni maryama waakhathna minhum meethaqan ghaleethan

8. Opdat Hij de waarachtigen over hun waarachtigheid moge ondervragen. En voor de ongelovigen heeft Hij een pijnlijke straf bereid.
Liyas-ala alssadiqeena AAan sidqihim waaAAadda lilkafireena AAathaban aleeman

9. O, gij die gelooft, herinnert u Allah’s gunst, aan u bewezen, toen er legers tegen u opkwamen en Wij tegen hen een wind zonden en legers die gij niet zaagt. En Allah ziet wat gij doet.
Ya ayyuha allatheena amanoo othkuroo niAAmata Allahi AAalaykum ith jaatkum junoodun faarsalna AAalayhim reehan wajunoodan lam tarawha wakana Allahu bima taAAmaloona baseeran

10. Toen zij jullie overvielen, van boven jullie en van onder jullie, en toen de ogen hun glans verloren en het hart opsteeg naar de keel, en jullie op uiteenlopende wijze begonnen te denken over Allah.
Ith jaookum min fawqikum wamin asfala minkum wa-ith zaghati al-absaru wabalaghati alquloobu alhanajira watathunnoona biAllahi alththunoona

11. Toen werden de gelovigen beproefd en zij werden hevig geschokt.
Hunalika ibtuliya almu-minoona wazulziloo zilzalan shadeedan

12. En toen de huichelaars en zij in wier hart een ziekte is, zeiden: “Wat Allah en Zijn boodschapper ons beloofden was slechts bedrog.”
Wa-ith yaqoolu almunafiqoona waallatheena fee quloobihim maradun ma waAAadana Allahu warasooluhu illa ghurooran

13. En toen een gedeelte van hen zei: “O volk van Jasrab (Madinah), gij kunt hier geen stand houden, keert daarom terug.” En een gedeelte vroeg zelfs om toestemming van de Profeet, zeggende: “Onze huizen staan aan de vijand bloot.” Deze waren echter niet blootgesteld, zij wensten slechts te vluchten.
Wa-ith qalat ta-ifatun minhum ya ahla yathriba la muqama lakum fairjiAAoo wayasta/thinu fareequn minhumu alnnabiyya yaqooloona inna buyootana AAawratun wama hiya biAAawratin in yureedoona illa firaran

14. En als er binnengedrongen zou worden vanuit de verafgelegen delen ervan, en hen dan werd gevraagd om oorlog te voeren (tegen de moslims), dan hadden zij dat zeker gedaan, en zij zouden er slechts even in zijn gebleven.
Walaw dukhilat AAalayhim min aqtarihathumma su-iloo alfitnata laatawha wamatalabbathoo biha illa yaseeran

15. Waarlijk, zij hadden reeds vroeger een verbond gesloten dat zij hun rug niet zouden tonen. En er zal (hun) gevraagd worden over Allah’s verbond.
Walaqad kanoo AAahadoo Allaha min qablu layuwalloona al-adbara wakana AAahdu Allahi mas-oolan

16. Zeg: “Vlucht zal u stellig geen voordeel brengen als gij voor de dood of voor het gevecht vlucht; slechts korte tijd zult gij genieten.”
Qul lan yanfaAAakumu alfiraru in farartum mina almawti awi alqatli wa-ithan latumattaAAoona illa qaleelan

17. Zeg: “Wie is het, die u tegen Allah kan beschermen indien Hij u met kwaad wil treffen of barmhartigheid betonen? En zij zullen voor zich buiten Allah vriend noch helper vinden.”
Qul man tha allathee yaAAsimukum mina Allahi in arada bikum soo-an aw arada bikum rahmatan wala yajidoona lahum min dooni Allahi waliyyan wala naseeran

18. Allah kent degenen onder u die de mensen tegenhouden, en hen, die tegen hun broeders zeggen: “Komt naar ons toe,” en die zich weinig met de oorlog bemoeien.
Qad yaAAlamu Allahu almuAAawwiqeena minkum waalqa-ileena li-ikhwanihim halumma ilayna wala ya/toona alba/sa illa qaleelan

19. Zij zijn terughoudend in hun hulp voor u. Maar als het gevaar komt, ziet gij hen naar u kijken met rollende ogen als van iemand die bezwijmt bij de doodsstrijd. En als de vrees is weggevaagd, treffen zij u met hun scherpe tong door hun zucht naar rijkdommen. Zulken hebben niet oprecht geloofd; daarom heeft Allah hun werken vruchteloos gemaakt. Dit is gemakkelijk voor Allah.
Ashihhatan AAalaykum fa-itha jaa alkhawfu raaytahum yanthuroona ilayka tadooru aAAyunuhum kaallathee yughsha AAalayhi mina almawti fa-itha thahaba alkhawfu salaqookum bi-alsinatin hidadin ashihhatan AAala alkhayri ola-ika lam yu/minoo faahbata Allahu aAAmalahum wakana thalika AAala Allahi yaseeran

20. Zij denken, dat de bondgenoten niet zijn vertrokken; en als de bondgenoten zouden wederkomen, zouden zij gaarne onder de zwervende Arabieren in de woestijn willen zijn, nieuws over u vragende. En als zij onder u waren, zouden zij weinig vechten.
Yahsaboona al-ahzaba lam yathhaboo wa-in ya/ti al-ahzabu yawaddoo law annahum badoona fee al-aAArabi yas-aloona AAan anba-ikum walaw kanoo feekum ma qataloo illa qaleelan

21. Voorwaar, gij hebt in de Profeet van Allah een prachtig voorbeeld voor ieder die Allah en de laatste Dag vreest, en die Allah vaak herdenkt.
Laqad kana lakum fee rasooli Allahi oswatunhasanatun liman kana yarjoo Allaha waalyawma al-akhira wathakara Allaha katheeran

22. En toen de gelovigen de scharen zagen, zeiden zij: “Dit is wat Allah en Zijn boodschapper ons beloofden; en Allah en Zijn boodschapper spraken de waarheid.” En dit vermeerderde slechts hun geloof en deed hun onderwerping toenemen.
Walamma raa almu/minoona al-ahzaba qaloo hatha ma waAAadana Allahu warasooluhu wasadaqa Allahu warasooluhu wama zadahum illaeemanan watasleeman

23. Er zijn mensen onder de gelovigen die trouw gebleven zijn aan het verbond dat zij met Allah hebben gesloten. Er zijn enigen onder hen die hun eed hebben gehouden, en anderen die nog wachten en geenszins veranderd zijn;
Mina almu/mineena rijalun sadaqoo maAAahadoo Allaha AAalayhi faminhum man qadanahbahu waminhum man yantathiru wama baddaloo tabdeelan

24. Zodat Allah de waarachtigen voor hun oprechtheid moge belonen en de huichelaars straffen zoals Hij wil, of Zich tot hen in barmhartigheid wenden. Voorwaar, Allah is Vergevensgezind, Genadevol.
Liyajziya Allahu alssadiqeena bisidqihim wayuAAaththiba almunafiqeena in shaa aw yatooba AAalayhim inna Allaha kana ghafooran raheeman

25. Allah weerhield de ongelovigen in hun woede; zij verwierven geen voordeel. En Allah was toereikend (als Beschermer) voor de gelovigen in de slag. Allah is Sterk, Almachtig.
Waradda Allahu allatheena kafaroo bighaythihim lam yanaloo khayran wakafa Allahu almu/mineena alqitala wakana Allahu qawiyyan AAazeezan

26. En Hij verdreef degenen onder de Mensen van het Boek die hen steunden uit hun forten en Hij vervulde hun harten met ontzag; jullie doodden een aantal, en een aantal namen jullie gevangen.
Waanzala allatheena thaharoohum min ahli alkitabi min sayaseehim waqathafa fee quloobihimu alrruAAba fareeqan taqtuloona wata/siroona fareeqan

27. En Hij deed u hun land, huizen en hun rijkdommen erven en ook een land waarop gij nog nooit een voet had gezet. Allah heeft macht over alle dingen.
Waawrathakum ardahum wadiyarahum waamwalahum waardan lam tataooha wakana Allahu AAala kulli shay-in qadeeran

28. O profeet! Zeg aan uw vrouwen, “Wanneer jullie verlangen naar dit wereldse leven en zijn verfraaiing, kom, ik zal jullie een voorziening geven en jullie toestaan op plezierige wijze te vertrekken.
Ya ayyuha alnnabiyyu qul li-azwajika in kuntunna turidna alhayata alddunya wazeenatahafataAAalayna omattiAAkunna waosarrihkunna sarahan jameelan

29. En wanneer jullie verlangen naar Allah en Zijn Boodschapper en naar het verblijf in het Hiernamaals, dan heeft Allah voor de weldoeners onder jullie zeker een geweldige beloning bereid.”
Wa-in kuntunna turidna Allaha warasoolahu waalddara al-akhirata fa-inna Allaha aAAadda lilmuhsinati minkunna ajran AAatheeman

30. O vrouwen van de profeet! Als iemand onder u schuldig is aan een openbaar onbetamelijk gedrag zal haar straf worden verdubbeld. En dit is gemakkelijk voor Allah.
Ya nisaa alnnabiyyi man ya/ti minkunna bifahishatin mubayyinatin yudaAAaf lahaalAAathabu diAAfayni wakana thalika AAalaAllahi yaseeran

31. Maar wie van u aan Allah en Zijn boodschapper gehoorzaamt en goede werken doet, haar zullen Wij dubbel belonen en Wij hebben voor haar een waardige voorziening bereid.
Waman yaqnut minkunna lillahi warasoolihi wataAAmal salihan nu/tiha ajraha marratayni waaAAtadna laha rizqan kareeman

32. O vrouwen van de profeet, gij zijt niet zoals een andere vrouw. Indien gij godvruchtig zijt, spreekt dan niet op een verleidelijke manier, anders zal hij in wiens hart ziekte is, verwachtingen koesteren; maar spreekt een oprechte taal.
Ya nisaa alnnabiyyi lastunna kaahadin mina alnnisa-i ini ittaqaytunna fala takhdaAAna bialqawli fayatmaAAa allathee fee qalbihi maradun waqulna qawlan maAAroofan

33. Blijft in uw huizen en stelt uw schoonheid niet ten toon als in de vroegere dagen der onwetendheid; leeft het gebed na, en betaalt de Zakaat (armenbelasting) en gehoorzaamt Allah en Zijn boodschapper. O huisgenoten, Allah wenst alleen onreinheid van u te verwijderen, en u schoon en zuiver te maken.
Waqarna fee buyootikunna wala tabarrajna tabarruja aljahiliyyati al-oola waaqimna alssalata waateena alzzakata waatiAAna Allaha warasoolahu innama yureedu Allahu liyuthhiba AAankumu alrrijsa ahla albayti wayutahhirakum tatheeran

34. En herinnert u de woorden van Allah en de wijsheid die in uw huizen wordt verkondigd; want Allah is Aldoordringend, Alkennend.
Waothkurna ma yutla fee buyootikunna minayati Allahi waalhikmati inna Allaha kana lateefan khabeeran

35. Voorwaar, de Moslims en de Moslima’s en de gelovige mannen en vrouwen, de gehoorzame mannen en vrouwen, de waarachtige mannen en vrouwen, de standvastige mannen en vrouwen, de mannen en de vrouwen die nederig zijn, de mannen en de vrouwen die aalmoezen geven, de mannen en de vrouwen die vasten, de mannen en de vrouwen die hun kuisheid bewaren, de mannen en de vrouwen die Allah vaak gedenken – voor zulken heeft Allah vergiffenis en een grote beloning bereid.
Inna almuslimeena waalmuslimati waalmu/mineena waalmu/minati waalqaniteena waalqanitati waalssadiqeena waalssadiqati waalssabireena waalssabirati waalkhashiAAeena waalkhashiAAati waalmutasaddiqeena waalmutasaddiqati waalssa-imeena waalssa-imati waalhafitheena furoojahum waalhafithati waalththakireena Allaha katheeran waalththakirati aAAadda Allahu lahum maghfiratan waajran AAatheeman

36. En het betaamt de gelovige man of vrouw niet, wanneer Allah en Zijn boodschapper over een zaak hebben beslist, dat er voor hen een keuze zou zijn in die zaak. En wie Allah en Zijn boodschapper niet gehoorzaamt, is zeker klaarblijkelijk afgedwaald.
Wama kana limu/minin wala mu/minatin ithaqada Allahu warasooluhu amran an yakoona lahumu alkhiyaratu min amrihim waman yaAAsi Allaha warasoolahu faqad dalla dalalan mubeenan

37. En toen jij tegen degene die door Allah was begunstigd en die jij had begunstigd zei: Houd jouw echtgenote voor jezelf en voldoe jouw plicht aan Allah; en in jouw hart verborg jij wat Allah aan het licht zou brengen, en jij vreesde mensen terwijl Allah er meer recht op heeft dat jij Hem vreest. Dus toen Zaid haar huwelijkse band verbrak, gaven Wij haar aan jou tot echtgenote, zodat er voor de gelovigen geen moeilijkheid zou zijn aangaande de echtgenotes van hun aangenomen zonen, wanneer deze hun huwelijkse band hebben verbroken. En Allah’s bevel wordt altijd uitgevoerd.
Wa-ith taqoolu lillathee anAAama Allahu AAalayhi waanAAamta AAalayhi amsik AAalayka zawjaka waittaqi Allaha watukhfee fee nafsika maAllahu mubdeehi watakhsha alnnasa waAllahu ahaqqu an takhshahu falamma qada zaydun minhawataran zawwajnakaha likay la yakoona AAalaalmu/mineena harajun fee azwaji adAAiya-ihim itha qadaw minhunna wataran wakana amru Allahi mafAAoolan

38. Voor de Profeet schuilt er geen kwaad in wat Allah voor hem heeft verordend. Zo heeft Allah dat ook gedaan met degenen die zijn voorgegaan. En het bevel van Allah is een verordening die onbetwistbaar is gemaakt.
Ma kana AAala alnnabiyyi min harajin feemafarada Allahu lahu sunnata Allahi fee allatheena khalaw min qablu wakana amru Allahi qadaran maqdooran

39. Degenen die de boodschap van Allah overbrengen en Hem vrezen, en die niemand vrezen behalve Allah. En Allah is Genoegzaam om de rekening op te maken.
Allatheena yuballighoona risalati Allahi wayakhshawnahu wala yakhshawna ahadan illaAllaha wakafa biAllahi haseeban

40. Mohammed is niet de vader van één uwer mannen, maar de boodschapper van Allah en het zegel der profeten; Allah heeft kennis van alle dingen.
Ma kana muhammadun aba ahadin min rijalikum walakin rasoola Allahi wakhatama alnnabiyyeena wakana Allahu bikulli shay-in AAaleeman

41. O, gij die gelooft! Gedenkt Allah veelvuldig.
Ya ayyuha allatheena amanoo othkuroo Allahathikran katheeran

42. En prijst Zijn Heiligheid ’s morgens en ’s avonds.
Wasabbihoohu bukratan waaseelan

43. Hij is het Die u zegent en ook Zijn engelen doen dit, opdat Hij u van de duisternissen tot het licht moge leiden. En Hij is voor de gelovigen Genadig.
Huwa allathee yusallee AAalaykum wamala-ikatuhu liyukhrijakum mina alththulumati ilaalnnoori wakana bialmu/mineena raheeman

44. De Dag waarop zij Hem zullen ontmoeten zal hun groet “Vrede” zijn. En Hij heeft hun een eervolle beloning bereid.
Tahiyyatuhum yawma yalqawnahu salamun waaAAadda lahum ajran kareeman

45. O, profeet. Wij hebben u als getuige, drager van blijde tijdingen en waarschuwer gezonden.
Ya ayyuha alnnabiyyu inna arsalnaka shahidan wamubashshiran wanatheeran

46. En als een roeper tot Allah door Zijn gebod, en als een stralende zon.
WadaAAiyan ila Allahi bi-ithnihi wasirajan muneeran

47. Verkondig derhalve aan de gelovigen het blijde nieuws dat zij van Allah grote genade zullen ontvangen.
Wabashshiri almu/mineena bi-anna lahum mina Allahi fadlan kabeeran

48. En gehoorzaam de ongelovigen en de huichelaars niet en sla geen acht op hun grievende taal, stel uw vertrouwen in Allah, want Allah is Toereikend als Beschermer.
Wala tutiAAi alkafireena waalmunafiqeena wadaAA athahum watawakkal AAala Allahi wakafa biAllahi wakeelan

49. O, gij die gelooft! Als gij een gelovige vrouw huwt en daarna van haar scheidt voordat gij haar hebt aangeraakt dan behoeft zij om uwentwille geen wachtperiode te berekenen. Schenkt haar daarom een gave en laat haar op een grootmoedige wijze vrij.
Ya ayyuha allatheena amanoo itha nakahtumu almu/minati thumma tallaqtumoohunna min qabli an tamassoohunna fama lakum AAalayhinna min AAiddatin taAAtaddoonaha famattiAAoohunna wasarrihoohunna sarahan jameelan

50. O profeet, Wij hebben voor u uw vrouwen wettig gemaakt, aan wie gij haar huwelijksgiften hebt gegeven, en degenen die uw rechterhand bezit van haar, die Allah u als een oorlogsbuit heeft gegeven en de dochters van uw ooms en tantes van vaderszijde en de dochters van uw ooms en tantes van moederszijde die met u emigreerden, en elke gelovige vrouw indien zij zich aan de profeet toevertrouwt als de profeet haar wenst te huwen; dit is slechts voor u en niet voor de gelovigen. Wij hebben reeds kenbaar gemaakt wat Wij omtrent hun (gelovige) vrouwen en degenen die hun rechterhand bezit, hebben verordend, opdat er geen blaam u aankleve. Allah is Vergevensgezind, Genadevol.
Ya ayyuha alnnabiyyu inna ahlalna laka azwajaka allatee atayta ojoorahunna wama malakat yameenuka mimma afaa Allahu AAalayka wabanati AAammika wabanati AAammatika wabanati khalika wabanati khalatika allatee hajarna maAAaka waimraatan mu/minatan in wahabat nafsaha lilnnabiyyi in arada alnnabiyyu an yastankihaha khalisatan laka min dooni almu/mineena qad AAalimna ma faradnaAAalayhim fee azwajihim wama malakat aymanuhum likayla yakoona AAalayka harajun wakana Allahu ghafooran raheeman

51. Gij moogt verlaten wie gij wilt en tot u nemen wie gij wilt, er rust geen blaam op u wanneer gij haar terugneemt van wie gij u afzijdig hebt gehouden. Dit is het meest passend om hen verust te stellen, zodat zij niet treuren en allen tevreden mogen zijn met hetgeen gij haar geeft. En Allah weet wat in uw hart is; Allah is Alwetend, Verdraagzaam.
Turjee man tashao minhunna watu/wee ilayka man tashao wamani ibtaghayta mimman AAazalta fala junaha AAalayka thalika adna an taqarra aAAyunuhunna wala yahzanna wayardayna bimaataytahunna kulluhunna waAllahu yaAAlamu mafee quloobikum wakana Allahu AAaleemanhaleeman

52. Het is u hierna niet toegestaan vrouwen te huwen noch haar voor andere vrouwen te ruilen, zelfs al behaagt u haar schoonheid, met uitzondering van haar die uw rechterhand mocht bezitten. En Allah houdt de wacht over alle dingen.
La yahillu laka alnnisao min baAAdu wala an tabaddala bihinna min azwajin walaw aAAjabakahusnuhunna illa ma malakat yameenuka wakana Allahu AAala kulli shay-in raqeeban

53. O, gij die gelooft! Gaat de huizen van de profeet niet binnen tenzij gij uitgenodigd wordt tot een maaltijd, doch niet wachtend tot deze gereed is. Wanneer gij zijt uitgenodigd, komt dan binnen; en wanneer gij gegeten hebt vertrekt dan en blijft niet praten. Dat is lastig voor de profeet; hij is verlegen voor u, maar Allah aarzelt niet om de waarheid (te zeggen). En als gij haar (zijn vrouwen) om iets vraagt, vraagt het dan van achter het gordijn. Dat is reiner voor uw hart en haar hart. En het past u niet de boodschapper van Allah lastig te vallen, noch dat gij ooit zijn vrouwen na hem zoudt huwen. Dat zou in de ogen van Allah inderdaad een grote (belediging) zijn.
Ya ayyuha allatheena amanoo la tadkhuloo buyoota alnnabiyyi illa an yu/thana lakum ilataAAamin ghayra nathireena inahu walakin ithaduAAeetum faodkhuloo fa-itha taAAimtum faintashiroo wala musta/niseena lihadeethin innathalikum kana yu/thee alnnabiyya fayastahyee minkum waAllahu la yastahyee mina alhaqqi wa-itha saaltumoohunna mataAAan fais-aloohunna min wara-i hijabin thalikum atharu liquloobikum waquloobihinna wama kana lakum an tu/thoo rasoola Allahi wala an tankihoo azwajahu min baAAdihi abadan inna thalikum kana AAinda Allahi AAatheeman

54. Of gij iets openbaar maakt of verbergt, waarlijk Allah heeft kennis van alle dingen.
In tubdoo shay-an aw tukhfoohu fa-inna Allaha kana bikulli shay-in AAaleeman

55. Er rust op haar (uw vrouwen) geen schuld als zij zich tonen aan haar vaders of haar zonen of haar broeders of de zonen van haar broeders, of de zonen van haar zusters en hun vrouwen of hun ondergeschikten. Maar vreest Allah. Voorwaar, Allah is Getuige van alle dingen.
La junaha AAalayhinna fee aba-ihinna walaabna-ihinna wala ikhwanihinna wala abna-i ikhwanihinna wala abna-i akhawatihinna wala nisa-ihinna wala ma malakat aymanuhunna waittaqeena Allaha inna Allaha kana AAala kulli shay-in shaheedan

56. Allah en Zijn engelen zenden zegeningen over de profeet. O, gij die gelooft, zendt zegeningen over hem en wenst hem vrede met alle eerbied toe.
Inna Allaha wamala-ikatahu yusalloona AAalaalnnabiyyi ya ayyuha allatheena amanoo salloo AAalayhi wasallimoo tasleeman

57. Betreffende hen, die Allah en Zijn boodschapper lastig vallen, Allah heeft hen in deze wereld en in het Hiernamaals vervloekt en heeft een vernederende straf voor hen bereid.
Inna allatheena yu/thoona Allaha warasoolahu laAAanahumu Allahu fee alddunya waal-akhirati waaAAadda lahum AAathaban muheenan

58. En zij, die gelovige mannen en vrouwen lastig vallen zonder dat dezen er schuld aan hebben, dragen voorzeker de schuld van laster en een openlijke zonde.
Waallatheena yu/thoona almu/mineena waalmu/minati bighayri ma iktasaboo faqadi ihtamaloo buhtanan wa-ithman mubeenan

59. O profeet! Zeg aan uw vrouwen en uw dochters en de vrouwen der gelovigen dat zij een gedeelte van haar omslagdoeken over haar (hoofd) laten hangen. Dit is beter, opdat zij mogen worden onderscheiden en niet lastig worden gevallen. En Allah is Vergevensgezind, Genadevol.
Ya ayyuha alnnabiyyu qul li-azwajika wabanatika wanisa-i almu/mineena yudneena AAalayhinna min jalabeebihinna thalika adna an yuAArafna fala yu/thayna wakana Allahu ghafooran raheeman

60. Indien de huichelaars en degenen in wier hart een ziekte is en degenen die opschudding in de stad veroorzaken, niet ophouden, zullen Wij u zeker tegen hen in beweging brengen; dan zullen zij slechts voor een korte tijd in uw nabijheid mogen vertoeven.
La-in lam yantahi almunafiqoona waallatheena fee quloobihim maradun waalmurjifoona fee almadeenati lanughriyannaka bihim thumma layujawiroonaka feeha illa qaleelan

61. Vervloekt zijn zij; waar zij zich ook bevinden zullen zij worden gegrepen en gedood.
MalAAooneena ayna ma thuqifoo okhithoo waquttiloo taqteelan

62. Voorwaar, zo was Allah’s handelwijze met degenen die voordien zijn heengegaan en in Allah’s handelwijze zult gij geen verandering vinden.
Sunnata Allahi fee allatheena khalaw min qablu walan tajida lisunnati Allahi tabdeelan

63. De mensen vragen u over het Uur. Zeg: “De kennis er van is slechts bij Allah,” gij weet het niet; het kan zijn dat het Uur nabij is.
Yas-aluka alnnasu AAani alssaAAati qul innama AAilmuha AAinda Allahi wama yudreeka laAAalla alssaAAata takoonu qareeban

64. Allah heeft de ongelovigen zeker vervloekt en heeft een laaiend Vuur voor hen bereid.
Inna Allaha laAAana alkafireena waaAAadda lahum saAAeeran

65. Daarin zullen zij voor lange tijd vertoeven en zullen vriend noch helper vinden.
Khalideena feeha abadan la yajidoona waliyyan wala naseeran

66. De Dag waarop hun gezicht zich in het Vuur zal wentelen zullen zij zeggen: “O, hadden wij slechts Allah en Zijn boodschapper gehoorzaamd!”
Yawma tuqallabu wujoohuhum fee alnnari yaqooloona ya laytana ataAAna Allaha waataAAnaalrrasoola

67. En zij zullen zeggen: “Onze Heer, wij gehoorzaamden onze leiders en onze grote mannen maar zij deden ons van de rechte weg afdwalen.
Waqaloo rabbana inna ataAAna sadatanawakubaraana faadalloona alssabeela

68. Onze Heer, geef hun een dubbele straf en vloek hen met een zware vloek.”
Rabbana atihim diAAfayni mina alAAathabi wailAAanhum laAAnan kabeeran

69. O, gij die gelooft! weest niet zoals degenen die Mozes ergerden! Allah echter zuiverde hem van hetgeen zij zeiden. En hij was in aanzien bij Allah.
Ya ayyuha allatheena amanoo la takoonoo kaallatheena athaw moosa fabarraahu Allahu mimma qaloo wakana AAinda Allahi wajeehan

70. O, gij die gelooft! Vreest Allah en spreekt de waarheid.
Ya ayyuha allatheena amanoo ittaqoo Allaha waqooloo qawlan sadeedan

71. Hij zal uw werken goed voor u maken en u uw zonden vergeven. En wie Allah en Zijn boodschapper gehoorzaamt, heeft zeker een grote overwinning behaald.
Yuslih lakum aAAmalakum wayaghfir lakumthunoobakum waman yutiAAi Allaha warasoolahu faqad faza fawzan AAatheeman

72. Voorwaar, Wij boden de hemelen, de aarde en de bergen aan, hun (iets) toe te vertrouwen, maar zij weigerden dit te dragen en vreesden er voor, maar de mens nam het op zich. Inderdaad, hij is zeer onrechtvaardig (jegens zichzelf), onwetend.
Inna AAaradna al-amanata AAala alssamawati waal-ardi waaljibali faabayna an yahmilnahawaashfaqna minha wahamalaha al-insanu innahu kana thalooman jahoolan

73. Het gevolg er van is dat Allah huichelachtige mannen en vrouwen, en afgodendienaren en afgodendienaressen zal straffen. En Allah wendt zich in barmhartigheid tot gelovige mannen en vrouwen, en Allah is Vergevensgezind, Genadevol.
LiyuAAaththiba Allahu almunafiqeena waalmunafiqati waalmushrikeena waalmushrikati wayatooba Allahu AAala almu/mineena waalmu/minati wakana Allahu ghafooran raheeman

asadjdah-vorigesurahhoofdstuk-svAllahsabae-volgendesurahhoofdstuk-svAllah


Dit hoofdstuk draagt de naam De Bondgenoten, waarmee de Qoeraisj wordt bedoeld, in confederatie met andere idolate stammen en met de joden. De tegenstanders hadden nu besloten om de moeslims helemaal uit te roeien, en zij belegerden Madinah met een groep van meer dan tienmaal de aanwezige moeslimstrijdkrachten. Omdat deze strijd een zeer prominente plaats inneemt in de vroege geschiedenis van de Islām, verdient hij zeker het belang dat eraan wordt toegekend. De strijd van de Bondgenoten vond plaats in Sjawwāl van het vierde jaar van de Hidjrah, en de openbaring van dit hoofdstuk behoort dan ook tot dat jaar. De meeste andere onderwerpen die hierin behandeld worden, zoals het huwelijk van de Profeet (s.a.w.) met Zainab en zijn huwelijken in het algemeen, kunnen wat later worden geplaatst, maar niet na het zevende jaar van de Hidjrah. De reden waarom dit hoofdstuk deze plaats inneemt in de rangschikking van de hoofdstukken van de Heilige Qoer-ān, is vrij duidelijk. De laatste groep Makkah-hoofdstukken die hieraan voorafgaat, geeft uitdrukking aan een serie machtige profetieën die de toekomstige grootsheid van de moeslims voorspellen. Hier wordt ons getoond hoe de strijdkrachrten die ingezet werden om de Islām te vernietigen machteloos werden gemaakt, en hoe dit voor de moeslims de weg vrijmaakte om de beloofde grootsheid te bereiken. De eerste paragraaf gaat over lichamelijke en geestelijke relaties en refereert aan de geestelijke relatie van de Profeet (s.a.w.) met de gelovigen. De krachtige aanval van de Qoeraisj en hun bondgenoten op de moeslims, waarover in de tweede en derde paragraaf gesproken wordt, was in feite een toevlucht tot brute kracht met het doel de Islām uit te schakelen. De bespreking hiervan is eigenlijk bedoeld om een genadeklap toe te brengen aan de valse propaganda die stelt dat de Islām door middel van het zwaard werd verspreid. In feite is het zo dat de Islām verspreid werd ondanks het zwaard. Deze propaganda tegen de Islām die nu wordt voortgezet, steunt op twee pilaren van onjuiste voorstelling van zaken. De eerste heeft betrekking op het zwaard en de tweede op het huiselijk leven van de Profeet (s.a.w.). De propaganda schildert de Profeet (s.a.w.) af als een wellusteling. In feite is het zo dat de Profeet (s.a.w.) zelf tot aan zijn laatste dagen de uiterste eenvoud betrachtte en dat het feit dat hij tot heerser over heel Arabië was verheven hem niet had veranderd. Ook zijn echtgenotes heeft hij nooit toegestaan die hoge standaard van eenvoud los te laten. Het lag binnen zijn bereik om zijn echtgenotes volledig met materieel comfort te omringen, maar in plaats van aan hun aardse verlangen toe te geven wees hij hen erop dat als zij dergelijke voorzieningen verlangden, hij hen niet in zijn huishouden kon handhaven. Dit is het onderwerp van de vierde paragraaf. De vijfde paragraaf gaat over het huwelijk van de Profeet (s.a.w.) met Zainab. En weerlegt de bezwaren die er op dat punt tegen hem zijn ingebracht. De zesde gaat in op de meer algemene bezwaren die tegen zijn huisselijke leven zijn opgeworpen. De zevende vestigt de aandacht van de moeslims op bepaalde gedragsregels voor hun huiselijke relaties. De achtste gaat over mensen die kwaadaardige roddel verspreidden, en de negende sluit het hoofdstuk af met een vermaning aan de gelovigen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s