37. As-Saaaf-faat (Degenen Die Zich in Rijen Scharen)

– In de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. –
Bismillahi rahmani rahim

1. Bij hen, die zich in rijen scharen.
Waalssaffati saffan

2. En degenen die zich beteugelen door zich aan banden te leggen.
Faalzzajirati zajran

3. En degenen die de Herinnering voordragen.
Faalttaliyati thikran

4. Jullie God is waarlijk Één.
Inna ilahakum lawahidun

5. Heer der hemelen en der aarde en van alles wat er tussen is, de Heer van het Oosten.
Rabbu alssamawati waal-ardi wama baynahuma warabbu almashariqi

6. Wij hebben de laagste hemel met sterren versierd.
Inna zayyanna alssamaa alddunya bizeenatin alkawakibi

7. En (er is) bescherming tegen iedere opstandige duivel.
Wahifthan min kulli shaytanin maridin

8. Zij kunnen van de verheven bijeenkomst niets horen en zij worden van elke kant verdreven.
La yassammaAAoona ila almala-i al-aAAla wayuqthafoona min kulli janibin

9. Als verworpenen en er is voor hen een voortdurende straf;
Duhooran walahum AAathabun wasibun

10. Behalve voor degene die slechts eenmaal wegneemt, en die dan wordt gevolgd door een helder schijnende vlam.
Illa man khatifa alkhatfata faatbaAAahu shihabun thaqibun

11. Vraag hun (de ongelovigen) of zij moeilijker zijn te scheppen, dan andere (dingen) die Wij hebben geschapen. Voorzeker, Wij hebben hen uit stevige klei geschapen.
Faistaftihim ahum ashaddu khalqan am man khalaqna inna khalaqnahum min teenin lazibin

12. Neen, gij verwondert u en zij spotten.
Bal AAajibta wayaskharoona

13. En wanneer zij eraan worden herinnerd, nemen zij zich niet in acht.
Wa-itha thukkiroo la yathkuroona

14. En wanneer zij een teken zien, bespotten zij het.
Wa-itha raaw ayatan yastaskhiroona

15. En zij zeggen: “Dit is niets dan een klaarblijkelijke tovenarij.”
Waqaloo in hatha illa sihrun mubeenun

16. “Zullen wij wanneer wij dood zijn en stof en beenderen zijn geworden, worden opgewekt?
A-itha mitna wakunna turaban waAAithaman a-inna lamabAAoothoona

17. En onze voorvaderen ook?”
Awa abaona al-awwaloona

18. Zeg: “Ja, terwijl gij vernederd zult zijn.”
Qul naAAam waantum dakhiroona

19. Er zal slechts één roep zijn en ziet, zij zullen beginnen te zien.
Fa-innama hiya zajratun wahidatun fa-itha hum yanthuroona

20. Dan zullen zij zeggen: “Wee ons! Dit is de Dag der vergelding.”
Waqaloo ya waylana hatha yawmu alddeeni

21. (Allah zal zeggen:) “Dit is de Dag der Beslissing die gij placht te verloochenen.
Hatha yawmu alfasli allathee kuntum bihi tukaththiboona

22. Verzamelt de onrechtvaardigen, hun metgezellen en hetgeen zij aanbaden
Ohshuroo allatheena thalamoo waazwajahum wama kanoo yaAAbudoona

23. Buiten Allah. Leidt hen dan naar het pad van het Vuur;
Min dooni Allahi faihdoohum ila sirati aljaheemi

24. Doch houdt hen staande want zij moeten worden ondervraagd.”
Waqifoohum innahum masooloona

25. “Wat is er aan de hand, dat jullie elkaar niet helpen?”
Ma lakum la tanasaroona

26. Neen, op die Dag zullen zij onderworpen zijn.
Bal humu alyawma mustaslimoona

27. En sommigen van hen zullen zich tot anderen wenden, elkaar ondervragend.
Waaqbala baAAduhum AAala baAAdin yatasaaloona

28. En zeggen: Waarlijk kwamen jullie vroeger naar ons toe van de rechterkant.
Qaloo innakum kuntum ta/toonana AAani alyameeni

29. Zij zullen antwoorden: “Nee, jullie (zelf) waren geen gelovigen.”
Qaloo bal lam takoonoo mu/mineena

30. En wij hadden geen macht over u, maar gij waart een overtredend volk.
Wama kana lana AAalaykum min sultanin bal kuntum qawman tagheena

31. Dus het woord van onze Heer is bewaarheid in ons nadeel; wij zullen zeker proeven.”
Fahaqqa AAalayna qawlu rabbina inna latha-iqoona

32. En wij deden u dwalen omdat wij zelf in dwaling waren.”
Faaghwaynakum inna kunna ghaweena

33. Waarlijk, op die Dag zullen zij allen deelgenoten zijn in de straf.
Fa-innahum yawma-ithin fee alAAathabi mushtarikoona

34. Zo behandelen Wij de schuldigen;
Inna kathalika nafAAalu bialmujrimeena

35. Voorzeker toen er tot hen werd gezegd: “Er is geen God naast Allah”, waren zij arrogant.
Innahum kanoo itha qeela lahum la ilaha illa Allahu yastakbiroona

36. En zeiden: “Zullen wij onze Goden voor die waanzinnige dichter opgeven?”
Wayaqooloona a-inna latarikoo alihatina lishaAAirin majnoonin

37. Neen, hij is met de Waarheid gekomen en heeft die van de (vroegere) boodschappers bevestigd.
Bal jaa bialhaqqi wasaddaqa almursaleena

38. Gij zult de pijnlijke straf gewis ondergaan.
Innakum latha-iqoo alAAathabi al-aleemi

39. En gij zult slechts worden vergolden voor hetgeen gij deedt.
Wama tujzawna illa ma kuntum taAAmaloona

40. Maar de uitverkoren dienaren van Allah.
Illa AAibada Allahi almukhlaseena

41. Zullen een bekende voorziening ontvangen;
Ola-ika lahum rizqun maAAloomun

42. Zij zullen vruchten ontvangen, en worden geëerd,
Fawakihu wahum mukramoona

43. In tuinen van gunsten,
Fee jannati alnnaAAeemi

44. Op rustbanken. tegenover elkander.
AAala sururin mutaqabileena

45. En een beker zal hun worden rondgereikt uit een stromende bron.
Yutafu AAalayhim bika/sin min maAAeenin

46. Helder, smakelijk voor de drinkenden,
Baydaa laththatin lilshsharibeena

47. Waardoor geen dronkenschap zal ontstaans noch zullen zij er door worden uitgeput.
La feeha ghawlun wala hum AAanha yunzafoona

48. En naast hen zullen vrouwen zijn van bescheiden blik met mooie ogen.
WaAAindahum qasiratu alttarfi AAeenun

49. Rein, alsof zij zorgvuldig bewaarde eieren waren.
Kaannahunna baydun maknoonun

50. En enigen hunner zullen zich tot anderen wenden, elkander ondervragend.
Faaqbala baAAduhum AAala baAAdin yatasaaloona

51. Een spreker uit hun midden zal zeggen: “Waarlijk had ik een vriend,
Qala qa-ilun minhum innee kana lee qareenun

52. Die zei: “Behoor jij inderdaad tot degenen die aanvaarden?
Yaqoolu a-innaka lamina almusaddiqeena

53. Dat wanneer wij dood zijn en tot stof en beenderen geworden, ons inderdaad wordt vergolden?”
A-itha mitna wakunna turaban waAAithaman a-inna lamadeenoona

54. Hij zal zeggen: “Wil je kijken?”
Qala hal antum muttaliAAoona

55. Dan zal hij kijken en hem in het midden van het Vuur zien.
FaittalaAAa faraahu fee sawa-i aljaheemi

56. Hij zal zeggen: “Bij Allah, gij deedt mij ook bijna te niet gaan.”
Qala taAllahi in kidta laturdeeni

57. “En ware het niet door de gunst van mijn Heer, ik zou ook tot hen behoren die daar aanwezig zijn.
Walawla niAAmatu rabbee lakuntu mina almuhdareena

58. Zullen wij niet sterven,
Afama nahnu bimayyiteena

59. Na onze eerste dood, noch worden gestraft?
Illa mawtatana al-oola wama nahnu bimuAAaththabeena

60. Waarlijk is dit de geweldige verrichting.”
Inna hatha lahuwa alfawzu alAAatheemu

61. Laat daarom de werkers voor zo iets werken.
Limithli hatha falyaAAmali alAAamiloona

62. Is dit een beter onthaal of de boom van Zaqqoem?
Athalika khayrun nuzulan am shajaratu alzzaqqoomi

63. Voorzeker, wij hebben deze tot een beproeving voor de onrechtvaardigen gemaakt.
Inna jaAAalnaha fitnatan lilththalimeena

64. Het is een boom die uit de bodem der hel ontspringt.
Innaha shajaratun takhruju fee asli aljaheemi

65. Zijn opbrengst is als ware het slangenkoppen.
TalAAuha kaannahu ruoosu alshshayateeni

66. En zij zullen er zeker van eten en er hun buik mee vullen.
Fa-innahum laakiloona minha famali-oona minha albutoona

67. Dan zullen zij bovendien een drank van kokend water ontvangen.
Thumma inna lahum AAalayha lashawban min hameemin

68. Daarna zal hun terugkeer zeker naar het Vuur zijn.
Thumma inna marjiAAahum la-ila aljaheemi

69. Zij vonden inderdaad hun voorvaderen in dwaling.
Innahum alfaw abaahum dalleena

70. En zij haastten zich in hun voetstappen voort.
Fahum AAala atharihim yuhraAAoona

71. En waarlijk dwaalden de meesten van de ouden vóór hen.
Walaqad dalla qablahum aktharu al-awwaleena

72. En Wij hadden waarschuwers tot hen gezonden.
Walaqad arsalna feehim munthireena

73. Ziet dan hoe het einde was van hen die waren gewaarschuwd.
Faonthur kayfa kana AAaqibatu almunthareena

74. Met uitzondering der uitverkoren dienaren van Allah.
Illa AAibada Allahi almukhlaseena

75. Noach riep Ons aan, en hoe uitmuntend zijn Wij in het verhoren.
Walaqad nadana noohun falaniAAma almujeeboona

76. Wij redden hem en zijn familie uit de grote nood;
Wanajjaynahu waahlahu mina alkarbi alAAatheemi

77. En Wij maakten zijn nakomelingen tot de overlevenden.
WajaAAalna thurriyyatahu humu albaqeena

78. En Wij lieten voor hem onder de komende geslachten (de groet):
Watarakna AAalayhi fee al-akhireena

79. “Vrede zij Noach onder de volkeren.”
Salamun AAala noohin fee alAAalameena

80. Zo belonen Wij inderdaad hen die goed doen.
Inna kathalika najzee almuhsineena

81. Hij was voorzeker één Onzer gelovige dienaren.
Innahu min AAibadina almu/mineena

82. Dan deden Wij de anderen verdrinken.
Thumma aghraqna al-akhareena

83. En voorwaar, tot zijn partij behoorde Abraham;
Wa-inna min sheeAAatihi la-ibraheema

84. Toen hij tot zijn Heer kwam met een deemoedig hart;
Ith jaa rabbahu biqalbin saleemin

85. En hij tot zijn vader en tot zijn volk zeide: “Wat aanbidt gij?
Ith qala li-abeehi waqawmihi matha taAAbudoona

86. Kiest gij valse goden naast Allah?
A-ifkan alihatan doona Allahi tureedoona

87. Hoe denkt gij over de Heer der Werelden?”
Fama thannukum birabbi alAAalameena

88. En toen wierp hij (Abraham) een blik op de sterren,
Fanathara nathratan fee alnnujoomi

89. En zei: “Waarlijk ben ik ziek (van jullie afgoden)”
Faqala innee saqeemun

90. Dus keerden zij hem de rug toe, en gingen weg.
Fatawallaw AAanhu mudbireena

91. Toen wendde hij zich tot hun goden en zei: “Eten jullie niet?”
Faragha ila alihatihim faqala ala ta/kuloona

92. “Wat scheelt jullie, dat jullie niet spreken?
Ma lakum la tantiqoona

93. Dus viel hij hen aan, en sloeg hen met de rechterhand.
Faragha AAalayhim darban bialyameeni

94. En zij (de afgodendienaren) haastten zich naar hem toe.
Faaqbaloo ilayhi yaziffoona

95. Hij zeide: “Aanbidt gij hetgeen gij zelf hebt uitgebeeld,
Qala ataAAbudoona ma tanhitoona

96. Terwijl Allah u en uw handwerk heeft geschapen?”
WaAllahu khalaqakum wama taAAmaloona

97. Zij zeiden: “Laat ons een omheining bouwen en hem in het vuur werpen.”
Qaloo ibnoo lahu bunyanan faalqoohu fee aljaheemi

98. En zij hadden een komplot tegen hem gesmeed, maar Wij vernederden hen.
Faaradoo bihi kaydan fajaAAalnahumu al-asfaleena

99. Hij zeide: “Ik ga naar mijn Heer, Die zal mij leiden.
Waqala innee thahibun ila rabbee sayahdeeni

100. Mijn Heer, schenk mij een nakomeling die goed zal zijn.”
Rabbi hab lee mina alssaliheena

101. Dan gaven Wij hem de blijde tijding van een verdraagzame zoon.
Fabashsharnahu bighulamin haleemin

102. Maar toen hij de leeftijd had bereikt om met hem te werken, zei hij “O mijn zoon, ik heb in een droom gezien dat ik jou moet offeren: dus overweeg at jij ziet. Hij zei: “O mijn vader, doe zoals jou is opgedragen; wanneer het Allah behaagt, zal jij merken dat ik geduldig ben.
Falamma balagha maAAahu alssaAAya qala ya bunayya innee ara fee almanami annee athbahuka faonthur matha tara qala ya abati ifAAal ma tu/maru satajidunee in shaa Allahu mina alssabireena

103. En toen zij zich beiden aan (Gods bevel) hadden onderworpen, en hij hem plat op zijn voorhoofd had gelegd,
Falamma aslama watallahu liljabeeni

104. Riepen Wij hem toe: “O Abraham,
Wanadaynahu an ya ibraheemu

105. Gij hebt de droom reeds vervuld. Zo belonen Wij inderdaad degenen, die goed doen.”
Qad saddaqta alrru/ya inna kathalika najzee almuhsineena

106. Dit was voorzeker een grote beproeving.
Inna hatha lahuwa albalao almubeenu

107. En Wij losten hem in voor een groots offer.
Wafadaynahu bithibhin AAatheemin

108. En Wij lieten voor hem onder de komende geslachten (de groet):
Watarakna AAalayhi fee al-akhireena

109. “Vrede zij Abraham.”
Salamun AAala ibraheema

110. Zo belonen Wij hen die goed doen.
Kathalika najzee almuhsineena

111. Voorwaar, hij was één Onzer gelovige dienaren.
Innahu min AAibadina almu/mineena

112. Wij gaven hem het blijde nieuws van Izaak, een profeet onder de rechtvaardigen.
Wabashsharnahu bi-ishaqa nabiyyan mina alssaliheena

113. En Wij zegenden hem en Izaنk. En er zijn er onder hun nageslacht die goed doen en anderen die zichzelf openlijk onrecht aandoen.
Wabarakna AAalayhi waAAala ishaqa wamin thurriyyatihima muhsinun wathalimun linafsihi mubeenun

114. Wij bewezen inderdaad gunsten aan Mozes en Aaron.
Walaqad mananna AAala moosa waharoona

115. En Wij redden hen beiden en hun volk uit een grote nood;
Wanajjaynahuma waqawmahuma mina alkarbi alAAatheemi

116. En Wij hielpen hen (tegen de Egyptenaren) en zij waren het die de overwinning verkregen.
Wanasarnahum fakanoo humu alghalibeena

117. En Wij gaven hun het duidelijke boek.
Waataynahuma alkitaba almustabeena

118. En leidden hen op het rechte pad.
Wahadaynahuma alssirata almustaqeema

119. Wij lieten voor hen, onder de komende geslachten (de groet):
Watarakna AAalayhima fee al-akhireena

120. “Vrede zij Mozes en Aaron.”
Salamun AAala moosa waharoona

121. Voorzeker zo belonen Wij degenen die goed doen.
Inna kathalika najzee almuhsineena

122. Voorwaar zij behoorden tot Onze gelovige dienaren.
Innahuma min AAibadina almu/mineena

123. En Elia behoorde zeker tot degenen die werden gezonden.
Wa-inna ilyasa lamina almursaleena

124. Toen hij tot zijn volk zeide, “Wilt gij niet godvruchtig zijn?
Ith qala liqawmihi ala tattaqoona

125. Roepen jullie Ba’l aan, en verloochenen jullie de Beste van de scheppers,
AtadAAoona baAAlan watatharoona ahsana alkhaliqeena

126. Allah, uw Heer en de Heer uwer voorvaderen?”
Allaha rabbakum warabba aba-ikumu al-awwaleena

127. Maar zij verloochenden hem en zij zullen zeker worden overgeleverd.
Fakaththaboohu fa-innahum lamuhdaroona

128. Met uitzondering der uitverkoren dienaren van Allah.
Illa AAibada Allahi almukhlaseena

129. En Wij lieten voor hem onder de komende geslachten (de groet):
Watarakna AAalayhi fee al-akhireena

130. “Vrede zij met Elia.”
Salamun AAala il yaseena

131. Voorzeker zo belonen Wij degenen, die goed doen.
Inna kathalika najzee almuhsineena

132. Voorwaar, hij was één Onzer gelovige dienaren.
Innahu min AAibadina almu/mineena

133. En Lot behoorde zeker tot degenen die werden gezonden.
Wa-inna lootan lamina almursaleena

134. Toen Wij hem en zijn familieleden redden,
Ith najjaynahu waahlahu ajmaAAeena

135. Met uitzondering van zijn vrouw die tot de achterblijvenden behoorde.
Illa AAajoozan fee alghabireena

136. En Wij vernietigden de anderen.
Thumma dammarna al-akhareena

137. En waarlijk gaan jullie aan hen voorbij in de ochtend,
Wa-innakum latamurroona AAalayhim musbiheena

138. En ’s avonds. Wilt gij dan niet begrijpen?
Wabiallayli afala taAAqiloona

139. En Jonas behoorde zeker tot degenen die werden gezonden.
Wa-inna yoonusa lamina almursaleena

140. Toen hij in het geladen schip vluchtte,
Ith abaqa ila alfulki almashhooni

141. Dus deelde hij met anderen, maar hij behoorde tot degenen die uitgeworpen werden.
Fasahama fakana mina almudhadeena

142. Een grote vis slokte hem op terwijl hij zelfverwijt had.
Failtaqamahu alhootu wahuwa muleemun

143. Maar had hij niet behoord tot degenen die (Ons) verheerlijken,
Falawla annahu kana mina almusabbiheena

144. Dan zou hij in diens buik zijn gebleven tot de Dag der Opstanding.
Lalabitha fee batnihi ila yawmi yubAAathoona

145. Wij wierpen hem op een kaal strand terwijl hij ziek was.
Fanabathnahu bialAAara-i wahuwa saqeemun

146. En Wij lieten een pompoenplant voor hem opgroeien.
Waanbatna AAalayhi shajaratan min yaqteenin

147. En Wij zonden hem als boodschapper tot honderdduizend of meer mensen.
Waarsalnahu ila mi-ati alfin aw yazeedoona

148. En zij geloofden, daarom gaven Wij hun voor een korte tijd de voorziening (van dit leven).
Faamanoo famattaAAnahum ila heenin

149. Vraag hun nu of hun Heer dochters heeft terwijl zij zonen hebben?
Faistaftihim alirabbika albanatu walahumu albanoona

150. Hebben Wij de engelen als vrouwelijke wezens geschapen, terwijl zij getuigen waren?
Am khalaqna almala-ikata inathan wahum shahidoona

151. Welnu, door hun verzinsel zeggen zij:
Ala innahum min ifkihim layaqooloona

152. “Allah heeft verwekt.” En waarlijk zijn zij leugenaars.
Walada Allahu wa-innahum lakathiboona

153. “Heeft Hij dochters gekozen boven zonen?
Astafa albanati AAala albaneena

154. Wat scheelt u? Hoe oordeelt gij?
Ma lakum kayfa tahkumoona

155. Wilt gij dan niet nadenken?
Afala tathakkaroona

156. Of hebt gij een duidelijk bewijs?
Am lakum sultanun mubeenun

157. Toont dan uw Boek, indien gij waarachtig zijt.”
Fa/too bikitabikum in kuntum sadiqeena

158. En zij beweren een bloedverwantschap tussen Hem en de djinn, terwijl de djinn zeer goed weten, dat zij voor Hem zullen worden gebracht.
WajaAAaloo baynahu wabayna aljinnati nasaban walaqad AAalimati aljinnatu innahum lamuhdaroona

159. Verheven is Allah boven hetgeen zij zeggen.
Subhana Allahi AAamma yasifoona

160. Met uitzondering van de uitverkoren dienaren van Allah.
Illa AAibada Allahi almukhlaseena

161. Voorwaar, gij en wat gij aanbidt,
Fa-innakum wama taAAbudoona

162. Gij kunt niemand verleiden tegen Hem.
Ma antum AAalayhi bifatineena

163. Behalve hem die het Vuur zal binnengaan.
Illa man huwa sali aljaheemi

164. En er is niemand onder ons, of hij heeft een toegekende plaats.
Wama minna illa lahu maqamun maAAloomun

165. Waarlijk wij zijn degenen die in rijen gerangschikt zijn.
Wa-inna lanahnu alssaffoona

166. En voorzeker wij verheerlijken (God).
Wa-inna lanahnu almusabbihoona

167. En zij plachten te zeggen:
Wa-in kanoo layaqooloona

168. “Als wij een herinnering hadden van degenen uit het verleden,
Law anna AAindana thikran mina al-awwaleena

169. Zouden wij zeker Allah’s uitverkoren dienaren zijn geworden.”
Lakunna AAibada Allahi almukhlaseena

170. Toch verwerpen zij deze, maar zij zullen het weldra te weten komen.
Fakafaroo bihi fasawfa yaAAlamoona

171. En waarlijk, Ons woord aangaande Onze dienaren, de boodschappers, is reeds uitgesproken.
Walaqad sabaqat kalimatuna liAAibadina almursaleena

172. Voorzeker, zij zijn het die geholpen zullen worden.
Innahum lahumu almansooroona

173. En Onze legers zeker zij, zullen overwinnen.
Wa-inna jundana lahumu alghaliboona

174. Dus keer jullie van hen af, tot aan een tijdstip.
Fatawalla AAanhum hatta heenin

175. En let op hen, ook zij zullen zien.
Waabsirhum fasawfa yubsiroona

176. Willen zij dan Onze straf verhaasten?
AfabiAAathabina yastaAAjiloona

177. Maar wanneer deze op hun land nederdaalt zal de dag slecht zijn voor degenen, die werden gewaarschuwd.
Fa-itha nazala bisahatihim fasaa sabahu almunthareena

178. En keer jullie van hen af, tot aan een tijdstip.
Watawalla AAanhum hatta heenin

179. En let op, zij zullen het weldra inzien.
Waabsir fasawfa yubsiroona

180. Verheven is uw Heer, de Heer van Roem en Macht, boven hetgeen zij zeggen!
Subhana rabbika rabbi alAAizzati AAamma yasifoona

181. En vrede zij met degenen die werden gezonden!
Wasalamun AAala almursaleena

182. En geprezen zij Allah, de Heer van de werelden!
Waalhamdu lillahi rabbi alAAalameena

yasin-vorigesurahhoofdstuk-svAllahsaaad-volgendesurahhoofdstuk-svAllah


De titel van dit hoofdstuk, Degenen Die Zich in Rijen Scharen, is overgenomen uit de openingswoorden die een beschrijving geven van de gelovigen. Het is hoogstwaarschijnlijk een vroegere openbaring dan de andere hoofdstukken van deze groep; zie de inleidende noot bij hoofdstuk 34. In de eerste paragraaf geeft het hoofdstuk een heldere profetie over de uiteindelijke overheersing van de Eenheid. De tweede paragraaf bevestigt de waarheid van het oordeel. De derde, vierde en vijfde paragraaf vestigen de aandacht op de predikingen van Noach, Abraham, Mozes, Elia, Lot en Jona. Het hoofdstuk besluit met een duidelijke voorspelling van de triomf van de Heilige Profeet (s.a.w.).

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s