4. An-Nisaae (De Vrouwen)

– In de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. –
Bismillahi rahmani rahim

1. O, gij mensen, vreest uw Heer, Die u van één enkele ziel schiep en daaruit haar gezellin schiep en uit hen beiden mannen en vrouwen verspreidde en vreest Allah in Wiens naam gij een beroep op elkander doet en (weest plichtsgetrouw) betreffende de familiebanden. Voorwaar, Allah is Bewaker over u.
Ya ayyuha alnnasu ittaqoo rabbakumu allathee khalaqakum min nafsin wahidatin wakhalaqa minha zawjaha wabaththa minhuma rijalan katheeran wanisaan waittaqoo Allaha allathee tasaaloona bihi waal-arhama inna Allaha kana AAalaykum raqeeban

2. En geeft de wezen hun eigendom en verruilt het slechte (van u) niet voor het goede (van hen) noch verbruikt hun eigendom met het uwe. Voorzeker, dat is een grote zonde.
Waatoo alyatama amwalahum wala tatabaddaloo alkhabeetha bialttayyibi wala ta/kuloo amwalahum ila amwalikum innahu kana hooban kabeeran

3. En als gij vreest dat gij niet rechtschapen zult zijn bij het behandelen der wezen, huwt dan vrouwen die u behagen, twee of drie, of vier en als gij vreest, dat gij niet rechtvaardig zult handelen, dan één of wat uw rechter handen bezitten. Dat is voor u de beste weg, om onrechtvaardigheid te voorkomen.
Wa-in khiftum alla tuqsitoo fee alyatama fainkihoo ma taba lakum mina alnnisa-i mathnawathulatha warubaAAa fa-in khiftum alla taAAdiloo fawahidatan aw ma malakat aymanukum thalika adna alla taAAooloo

4. En geeft de vrouwen gewillig haar huwelijksgift. Maar als zij naar haar eigen behagen u er een gedeelte van kwijtschelden, geniet het dan met genoegen en heilzaam gevolg.
Waatoo alnnisaa saduqatihinna nihlatan fa-in tibna lakum AAan shay-in minhu nafsan fakuloohu hanee-an maree-an

5. En geeft eigendom, dat Allah als middel van bestaan heeft gegeven niet aan de dwazen (in eigen beheer), maar voedt hen er mee en kleedt hen en spreekt vriendelijke woorden tot hen.
Wala tu/too alssufahaa amwalakumu allatee jaAAala Allahu lakum qiyaman waorzuqoohum feeha waoksoohum waqooloo lahum qawlan maAAroofan

6. En ondervraagt de wezen, wanneer zij de huwbare leeftijd bereikt hebben: als gij in hen rijpheid van verstand vindt stelt hun dan hun eigendom ter hand; en verteert het niet in buitensporigheid en haast, omdat zij opgroeien. En laat hij, die rijk is zich onthouden en laat hij die arm is naar billijkheid er gebruik van maken. En wanneer gij hun eigendommen overhandigt, neemt er dan getuigen bij. Allah is toereikend om rekenschap te vragen.
Waibtaloo alyatama hatta itha balaghoo alnnikaha fa-in anastum minhum rushdan faidfaAAoo ilayhim amwalahum wala ta/kulooha israfan wabidaran an yakbaroo waman kana ghaniyyan falyastaAAfif waman kana faqeeran falya/kul bialmaAAroofi fa-ithadafaAAtum ilayhim amwalahum faashhidoo AAalayhim wakafa biAllahi haseeban

7. Er is voor mannen een aandeel van hetgeen hun ouders en bloedverwanten nalaten en er is voor vrouwen een aandeel van hetgeen hun ouders en bloedverwanten nalaten, of het weinig of veel zij: een vastgesteld gedeelte.
Lilrrijali naseebun mimma taraka alwalidani waal-aqraboona walilnnisa-i naseebun mimma taraka alwalidani waal-aqraboona mimma qalla minhu aw kathura naseeban mafroodan

8. Wanneer verwanten en wezen en de armen bij de verdeling (der erfenis) aanwezig zijn, geeft hun er iets van en spreekt vriendelijke woorden tot hen.
Wa-itha hadara alqismata oloo alqurba waalyatama waalmasakeenu faorzuqoohum minhu waqooloo lahum qawlan maAAroofan

9. En laat hen Allah vrezen, die, indien zij hun eigen zwakke nageslacht mochten achterlaten, bezorgd zouden zijn. Laat hen Allah daarom vrezen en laat hen het juiste woord spreken.
Walyakhsha allatheena law tarakoo min khalfihim thurriyyatan diAAafan khafoo AAalayhim falyattaqoo Allaha walyaqooloo qawlan sadeedan

10. Voorzeker, zij, die het eigendom van wezen onrechtvaardig verteren, verteren slechts vuur in hun buik en zij zullen in een laaiend Vuur branden.
Inna allatheena ya/kuloona amwala alyatama thulman innama ya/kuloona fee butoonihim naran wasayaslawna saAAeeran

11. Allah gebiedt u aangaande uw kinderen: voor het mannelijke kind evenveel als het deel van twee vrouwelijke kinderen, maar als er alleen meisjes zijn, meer dan twee, dan is er voor haar tweederde van de nalatenschap en als er slechts één is, voor haar is de helft. En voor elk zijner ouders is er een zesde deel der erfenis, als hij een kind heeft, maar als hij geen kind heeft en zijn ouders van hem erven, dan is er voor zijn moeder een derde deel en als hij broeders en zusters heeft, dan is er voor zijn moeder een zesde deel na de betaling van enig legaat, dat hij heeft nagelaten of van (niet vereffende) schuld. Uw ouders en uw kinderen, gij weet niet, wie van hen u het meest tot heil is. Dit is vastgesteld door Allah. Voorzeker, Allah is Alwetend, Alwijs.
Yooseekumu Allahu fee awladikum lilththakari mithlu haththi alonthayayni fa-in kunna nisaan fawqa ithnatayni falahunna thulutha ma taraka wa-in kanat wahidatan falaha alnnisfu wali-abawayhi likulli wahidin minhuma alssudusu mimma taraka in kana lahu waladun fa-in lam yakun lahu waladun wawarithahu abawahu fali-ommihi alththuluthu fa-in kana lahu ikhwatun fali-ommihi alssudusu min baAAdi wasiyyatin yoosee biha aw daynin abaokum waabnaokum la tadroona ayyuhum aqrabu lakum nafAAan fareedatan mina Allahi inna Allaha kana AAaleeman hakeeman

12. En gij zult de helft hebben van hetgeen uw vrouwen nalaten, indien zij geen kind hebben, maar indien zij een kind hebben, is er voor u een vierde van hetgeen zij nalaten na de betaling van enig legaat, dat zij hebben nagelaten of van schuld. En zij zullen een vierde hebben van hetgeen gij nalaat, als gij geen kind hebt, maar als gij een kind hebt, zo is er voor hen een achtste deel van hetgeen gij nalaat, na de betaling van enig legaat of van onverrekende schuld. En indien er een man of een vrouw is, van wie wordt geërfd en deze is ouderloos en kinderloos en heeft een broeder of een zuster, dan is er voor elk hunner een zesde deel. Maar als er meer dan dezen zijn, dan zijn zij deelgenoten in een derde na de betaling van enig legaat, dat is nagelaten of van schuld, zonder benadeling. Dit is gebod van Allah en Allah is Alwetend, Verdraagzaam.
Walakum nisfu ma taraka azwajukum in lam yakun lahunna waladun fa-in kana lahunna waladun falakumu alrrubuAAu mimma tarakna min baAAdi wasiyyatin yooseena biha aw daynin walahunna alrrubuAAu mimma taraktum in lam yakun lakum waladun fa-in kana lakum waladun falahunna alththumunu mimma taraktum min baAAdi wasiyyatin toosoona biha aw daynin wa-in kana rajulun yoorathu kalalatan awi imraatun walahu akhun aw okhtun falikulli wahidin minhuma alssudusu fa-in kanoo akthara min thalika fahum shurakao fee alththuluthi min baAAdi wasiyyatin yoosa biha aw daynin ghayra mudarrin wasiyyatan mina Allahi waAllahu AAaleemun haleemun

13. Dit zijn de door Allah vastgestelde bepalingen en wie Allah en Zijn boodschapper gehoorzaamt, Hij zal hem tuinen doen binnengaan, waar doorheen rivieren stromen, daar zullen zij in verblijven en dat is een grote zegepraal.
Tilka hudoodu Allahi waman yutiAAi Allaha warasoolahu yudkhilhu jannatin tajree min tahtiha al-anharu khalideena feeha wathalika alfawzu alAAatheemu

14. En wie Allah en Zijn boodschapper niet gehoorzaamt en Zijn grenzen overschrijdt zal Hij het Vuur doen binnengaan; hij zal daarin verblijven en dit zal voor hem een vernederende straf zijn.
Waman yaAAsi Allaha warasoolahu wayataAAadda hudoodahu yudkhilhu naran khalidan feeha walahu AAathabun muheenun

15. En voor degenen uwer vrouwen, die zich aan ontucht schuldig maken, roept vier uwer als getuigen tegen haar en als zij getuigen, sluit haar dan in de huizen op, totdat de dood haar achterhaalt, of totdat Allah haar een weg opent.
Waallatee ya/teena alfahishata min nisa-ikum faistashhidoo AAalayhinna arbaAAatan minkum fa-in shahidoo faamsikoohunna fee albuyooti hatta yatawaffahunna almawtu aw yajAAala Allahu lahunna sabeelan

16. En als twee temiffen van u zich hieraan schuldig maken, straft hen beiden. En als zij berouw hebben en zich verbeteren, laat hen dan met rust, voorzeker, Allah is Berouwaanvaardend, Genadevol.
Waallathani ya/tiyaniha minkum faathoohuma fa-in taba waaslaha faaAAridoo AAanhuma inna Allaha kana tawwaban raheeman

17. Waarlijk, berouw bestaat bij Allah alleen van degenen, die in onwetendheid kwaad doen en dan daarna berouw hebben. Dezen zijn het, tot wie Allah Zich met barmhartigheid wendt; en Allah is Alwetend, Alwijs.
Innama alttawbatu AAala Allahi lillatheena yaAAmaloona alssoo-a bijahalatin thumma yatooboona min qareebin faola-ika yatoobu Allahu AAalayhim wakana Allahu AAaleemanhakeeman

18. Er is geen (aanvaarding van) berouw voor degene, die kwaad doet, totdat de dood hem in het gezicht staart en hij zegt: ‘Ik heb berouw;’ noch voor degenen die als ongelovigen sterven. Dezen zijn het, voor wie Wij een pijnlijke straf hebben bereid.
Walaysati alttawbatu lillatheena yaAAmaloona alssayyi-ati hatta itha hadara ahadahumu almawtu qala innee tubtu al-ana wala allatheena yamootoona wahum kuffarun ola-ika aAAtadna lahum AAathaban aleeman

19. O, gij die gelooft, het is u niet geoorloofd, vrouwen te erven tegen haar wil, noch moogt gij haar tegenhouden opdat gij een gedeelte van wat gij haar hebt gegeven, moogt terugnemen, tenzij zij schuldig zijn aan een schandelijk kwaad; en blijft met haar vriendelijk omgaan en als gij afkeer van haar hebt, kan het zijn, dat gij afkeer hebt van iets, waarin Allah veel goeds kan hebben gelegd.
Ya ayyuha allatheena amanoo la yahillu lakum an tarithoo alnnisaa karhan walataAAduloohunna litathhaboo bibaAAdi ma ataytumoohunna illa an ya/teena bifahishatin mubayyinatin waAAashiroohunna bialmaAAroofi fa-in karihtumoohunna faAAasa an takrahoo shay-an wayajAAala Allahu feehi khayran katheeran

20. En indien gij een vrouw in plaats van een andere wenst te nemen en gij hebt één harer een schat gegeven, neemt er niets van terug. Wilt gij het door laster en een klaarblijkelijk zondige manier nemen?
Wa-in aradtumu istibdala zawjin makana zawjin waataytum ihdahunna qintaran falata/khuthoo minhu shay-an ata/khuthoonahu buhtanan wa-ithman mubeenan

21. En hoe kunt gij het nemen, wanneer de een uwer tot de andere is ingegaan en zij een sterk verbond met u hebben gesloten?
Wakayfa ta/khuthoonahu waqad afda baAAdukum ila baAAdin waakhathna minkum meethaqan ghaleethan

22. En huwt niet de vrouwen, die uw vaders huwden, met uitzondering van wat reeds gebeurd is. Het is een slecht en afschuwelijk iets en een verkeerde weg.
Wala tankihoo ma nakaha abaokum mina alnnisa-i illa ma qad salafa innahu kana fahishatan wamaqtan wasaa sabeelan

23. Verboden zijn u uw moeders en uw dochters en uw zusters en uw vaders zusters en uw moeders zusters en uw broeders dochters en uw zusters dochters en uw minnen en uw zoogzusters en de moeders uwer vrouwen en uw stiefdochters, die uw beschermelingen zijn door uw vrouwen tot wie gij zijt ingegaan, maar als gij niet tot haar zijt ingegaan zal er geen zonde op u rusten en de vrouwen uwer eigen zonen (zign ook verboden) alsmede twee zusters tezamen te hebben, met uitzondering van wat reeds voorbij is; gewis, Allah is Vergevensgezind, Genadevol;
Hurrimat AAalaykum ommahatukum wabanatukum waakhawatukum waAAammatukum wakhalatukum wabanatu al-akhi wabanatu al-okhti waommahatukumu allatee ardaAAnakum waakhawatukum mina alrradaAAati waommahatu nisa-ikum waraba-ibukumu allatee feehujoorikum min nisa-ikumu allatee dakhaltum bihinna fa-in lam takoonoo dakhaltum bihinna fala junaha AAalaykum wahala-ilu abna-ikumu allatheena min aslabikum waan tajmaAAoo bayna al-okhtayni illa ma qad salafa inna Allaha kana ghafooran raheeman

24. En getrouwde vrouwen, met uitzondering van haar, die gij bezit. Dit is een gebod van Allah voor u. Degenen, die daar buiten vallen, zijn u toegestaan; dat gij zoekt door middel van wat gij bezit haar behoorlijk te huwen en geen overspel te plegen. En geeft haar een huwelijksgift, tegenover de voordelen, die gij van haar hebt, dit is verplicht; er zal na het vaststellen daarvan geen zonde op u rusten in alles wat gij onderling overeenkomt. Voorzeker, Allah is Alwetend, Alwijs.
Waalmuhsanatu mina alnnisa-i illa ma malakat aymanukum kitaba Allahi AAalaykum waohilla lakum ma waraa thalikum an tabtaghoo bi-amwalikum muhsineena ghayra musafiheena fama istamtaAAtum bihi minhunna faatoohunna ojoorahunna fareedatan walajunaha AAalaykum feema taradaytum bihi min baAAdi alfareedati inna Allaha kana AAaleeman hakeeman

25. En wie uwer het niet kan bekostigen vrije gelovige vrouwen te huwen, hij huwe hetgeen gij bezit, namelijk gelovige slavinnen. En Allah kent uw geloof het beste. Gij zijt van elkander; huwt haar daarom met de toestemming van haar meesters en geeft haar een huwelijksgift op de gebruikelijke wijze, kuis zijnde, geen ontucht plegende, noch er heimelijke minnaars op nahoudende. En indien zij, nadat zij gehuwd zijn zich schuldig maken aan ontrouw – geldt voor haar de helft van de straf, die voor de vrije vrouwen is voorgeschreven. Dit is voor degene uwer die vreest te zondigen. Maar het is beter voor u dat gij u weerhoudt en Allah is Vergevensgezind, Genadevol.
Waman lam yastatiAA minkum tawlan an yankiha almuhsanati almu/minati famin mamalakat aymanukum min fatayatikumu almu/minati waAllahu aAAlamu bi-eemanikum baAAdukum min baAAdin fainkihoohunna bi-ithni ahlihinna waatoohunna ojoorahunna bialmaAAroofi muhsanatin ghayra masafihatin wala muttakhithati akhdanin fa-itha ohsinna fa-in atayna bifahishatin faAAalayhinna nisfu ma AAala almuhsanati mina alAAathabithalika liman khashiya alAAanata minkum waan tasbiroo khayrun lakum waAllahu ghafoorun raheemun

26. Allah wenst u te onderrichten en te leiden naar de paden van degenen die vََr u waren en u Zijn barmhartigheid te betonen. Allah is Alwetend, Alwijs.
Yureedu Allahu liyubayyina lakum wayahdiyakum sunana allatheena min qablikum wayatooba AAalaykum waAllahu AAaleemun hakeemun

27. En Allah wenst Zich in barmhartigheid tot u te wenden, maar zij, die hun lagere begeerte volgen, wensen dat gij ver zult afdwalen.
WaAllahu yureedu an yatooba AAalaykum wayureedu allatheena yattabiAAoona alshshahawati an tameeloo maylan AAatheeman

28. Allah wil uw last verlichten, want de mens is zwak geschapen.
Yureedu Allahu an yukhaffifa AAankum wakhuliqa al-insanu daAAeefan

29. O, gij die gelooft, gebruikt elkanders eigendom niet met leugen en bedrog maar handelt bij onderlinge overeenkomst. En pleeg geen zelfmoord. Voorzeker, Allah is u Genadevol.
Ya ayyuha allatheena amanoo la ta/kuloo amwalakum baynakum bialbatili illa an takoona tijaratan AAan taradin minkum wala taqtuloo anfusakum inna Allaha kana bikum raheeman

30. En wie dit ook doet bij wijze van overtreding en onrechtvaardigieid, hem zullen Wij in het Vuur werpen; en dat is voor Allah eenvoudig.
Waman yafAAal thalika AAudwanan wathulman fasawfa nusleehi naran wakana thalika AAala Allahi yaseeran

31. Als gij de grootste dingen die u verboden zijn vermijdt, zullen Wij uw zwakheden voor u bedekken en u tot een plaats van grote eer toelaten.
In tajtaniboo kaba-ira ma tunhawna AAanhu nukaffir AAankum sayyi-atikum wanudkhilkum mudkhalan kareeman

32. En begeert niet datgene, waarmede Allah sommigen uwer boven anderen deed uitblinken. Mannen zullen een aandeel hebben in hetgeen zij hebben verdiend en vrouwen zullen een aandeel hebben in hetgeen zij hebben verdiend. En vraagt om Allah’s overvloed. Waarlijk, Allah kent alle dingen.
Wala tatamannaw ma faddala Allahu bihi baAAdakum AAala baAAdin lilrrijali naseebun mimma iktasaboo walilnnisa-i naseebun mimma iktasabna wais-aloo Allaha min fadlihi inna Allaha kana bikulli shay-in AAaleeman

33. En voor een ieder hebben Wij erfgenamen bepaald ten aanzien van hetgeen de ouders en de bloedverwanten nalaten; en van degenen met wie uw eden een overeenkomst hebben bekrachtigd, geeft ieder hunner daarom zijn deel. Waarlijk, Allah is Bewaker over alle dingen.
Walikullin jaAAalna mawaliya mimma taraka alwalidani waal-aqraboona waallatheena AAaqadat aymanukum faatoohum naseebahum inna Allaha kana AAala kulli shay-in shaheedan

34. Mannen zijn voogden over de vrouwen omdat Allah de enen boven de anderen heeft doen uitmunten en omdat zij van hun rijkdommen besteden. Deugdzame vrouwen zijn dus zij, die gehoorzaam zijn en heimelijk bewaren, hetgeen Allah onder haar hoede heeft gesteld. En degenen, van wie gij ongehoorzaamheid vreest, wijst haar terecht en laat haar in haar bedden alleen en tuchtigt haar. Als zij u dan daarna gehoorzamen, zoekt geen weg tegen haar. Waarlijk, Allah is Verheven, Groot.
Alrrijalu qawwamoona AAala alnnisa-i bima faddala Allahu baAAdahum AAalabaAAdin wabima anfaqoo min amwalihim faalssalihatu qanitatun hafithatun lilghaybi bimahafitha Allahu waallatee takhafoona nushoozahunna faAAithoohunna waohjuroohunna fee almadajiAAi waidriboohunna fa-in ataAAnakum fala tabghoo AAalayhinna sabeelan inna Allaha kana AAaliyyan kabeeran

35. En als gij een breuk tussen hen vreest, stelt dan een scheidsrechter van zijn familie en van haar familie aan. Indien zij verzoening wensen zal Allah deze tussen hen tot stand brengen. Voorzeker, Allah is Alwetend, Alkennend.
Wa-in khiftum shiqaqa baynihima faibAAathoo hakaman min ahlihi wahakaman min ahliha in yureeda islahan yuwaffiqi Allahu baynahuma inna Allaha kana AAaleeman khabeeran

36. En aanbidt Allah en vereenzelvigt niets met Hem en bewijst vriendelijkheid aan ouders, verwanten, wezen, de behoeftigen en aan de nabuur, die een vreemdeling is en de nabuur die een bloedverwant is en aan de metgezel, de reiziger en aan degenen die onder uw macht zijn. Voorzeker, Allah heeft de pochers en de opscheppers niet lief.
WaoAAbudoo Allaha wala tushrikoo bihi shay-an wabialwalidayni ihsanan wabithee alqurba waalyatama waalmasakeeni waaljari thee alqurba waaljari aljunubi waalssahibi bialjanbi waibni alssabeeli wama malakat aymanukum inna Allaha la yuhibbu man kana mukhtalan fakhooran

37. Evenmin die gierig zijn en de mensen aansporen ook gierig te zijn en die hetgeen Allah hun van Zijn overvloed heeft gegeven, verbergen. Wij hebben voor de ongelovigen een vernederende straf bereid,
Allatheena yabkhaloona waya/muroona alnnasa bialbukhli wayaktumoona ma atahumu Allahu min fadlihi waaAAtadna lilkafireena AAathaban muheenan

38. En voor degenen, die hun rijkdommen besteden om door de mensen te worden gezien en niet in Allah noch in de laatste Dag geloven. En wie Satan als metgezel heeft, heeft een kwade metgezel.
Waallatheena yunfiqoona amwalahum ri-aa alnnasi wala yu/minoona biAllahi walabialyawmi al-akhiri waman yakuni alshshaytanu lahu qareenan fasaa qareenan

39. Wat kan hun overkomen, indien zij in Allah en de laatste Dag zouden geloven en hadden weggegeven van hetgeen Allah hen heeft geschonken? Allah kent hen zeer goed.
Wamatha AAalayhim law amanoo biAllahi waalyawmi al-akhiri waanfaqoo mimmarazaqahumu Allahu wakana Allahu bihim AAaleeman

40. Waarlijk, Allah doet in het geheel geen onrecht aan. Als het een goede daad is vermenigvuldigt Hij deze en geeft van Zijn kant een grote beloning.
Inna Allaha la yathlimu mithqala tharratin wa-in taku hasanatan yudaAAifha wayu/ti min ladunhu ajran AAatheeman

41. En wat geschiedt, wanneer Wij een getuige van elk volk zullen roepen en u als getuige tegen deze zullen brengen?
Fakayfa itha ji/na min kulli ommatin bishaheedin waji/na bika AAala haola-i shaheedan

42. Op die Dag zullen zij, die verwierpen en de boodschapper niet gehoorzaamden, wensen, dat de aarde met hen gelijk zou worden gemaakt en zij zullen geen woord voor Allah kunnen verbergen.
Yawma-ithin yawaddu allatheena kafaroo waAAasawoo alrrasoola law tusawwa bihimu al-ardu wala yaktumoona Allaha hadeethan

43. O, gij die gelooft, komt niet tot het gebed als gij bedwelmd zijt; totdat gij weet wat gij zegt, noch, wanneer gii onrein zijt tot gij u hebt gebaad, tenzij gij onderweg zijt. En indien gij ziek zijt, of op reis, of een uwer van de afzondering komt, of gij hebt vrouwen aangeraakt en gij vindt geen water, neemt dan uw toevlucht tot zuivere aarde en veegt er uw gezicht en handen mee af. Waarlijk, Allah is Inschikkelijk, Vergevensgezind.
Ya ayyuha allatheena amanoo la taqraboo alssalata waantum sukara hatta taAAlamoo mataqooloona wala junuban illa AAabiree sabeelin hatta taghtasiloo wa-in kuntum marda aw AAala safarin aw jaa ahadun minkum mina algha-iti aw lamastumu alnnisaa falam tajidoo maan fatayammamoo saAAeedan tayyiban faimsahoo biwujoohikum waaydeekum inna Allaha kana AAafuwwan ghafooran

44. Kent gij niet degenen, die deel hebben aan het Boek? Zij geven de voorkeur aan dwaling en wensen, dat ook gij van de (rechte) weg moogt afdwalen.
Alam tara ila allatheena ootoo naseeban mina alkitabi yashtaroona alddalalata wayureedoona an tadilloo alssabeela

45. Allah kent uw vijanden goed. Allah is voldoende als Vriend en Allah is toereikend als Helper.
WaAllahu aAAlamu bi-aAAda-ikum wakafa biAllahi waliyyan wakafa biAllahi naseeran

46. Er zijn onder de Joden, die woorden uit hun verband rukken. En zij zeggen: ” Wij horen en gehoorzamen niet” en “luistert gij, zonder te horen” en “Raainaa”, terwijl zij woorden verdraaien en het geloof zoeken te schenden. En indien zij gezegd hadden: “Wij horen en wij gehoorzamen” en “hoort toe” en ,,Kijk ons aan” het dit beter en oprechter voor hen zijn geweest. Maar Allah heeft hen wegens hun ongeloof vervloekt, zij geloven dus slechts weinig.
Mina allatheena hadoo yuharrifoona alkalima AAan mawadiAAihi wayaqooloona samiAAna waAAasayna waismaAA ghayra musmaAAin waraAAina layyan bi-alsinatihim wataAAnan fee alddeeni walaw annahum qaloo samiAAna waataAAna waismaAA waonthurna lakana khayran lahum waaqwama walakin laAAanahumu Allahu bikufrihim falayu/minoona illa qaleelan

47. O, mensen van het Boek, gelooft in hetgeen Wij hebben nedergezonden, vervullende hetgeen bij u is voordat Wij uw leiders vernietigen en neerwerpen of hen vervloeken, zoals Wij het volk van de Sabbath vervloekten. Allah’s gebod zal volbracht worden.
Ya ayyuha allatheena ootoo alkitaba aminoo bima nazzalna musaddiqan limamaAAakum min qabli an natmisa wujoohan fanaruddaha AAala adbariha aw nalAAanahum kama laAAanna ashaba alssabti wakana amru Allahi mafAAoolan

48. Waarlijk, Allah vergeeft niet dat men iets met Hem vereenzelvigt, maar Hij zal al hetgeen daarbuiten staat vergeven, wie Hij wil. En wie iets met Allah vereenzelvigt, heeft inderdaad een zeer grote zonde begaan.
Inna Allaha la yaghfiru an yushraka bihi wayaghfiru ma doona thalika liman yashao waman yushrik biAllahi faqadi iftara ithman AAatheeman

49. Hebt gij over hen niet vernomen die zichzelf rein achten? Neen, Allah is het, Die reinigt, wie Hij wil. Hen zal niet het minste onrecht worden aangedaan.
Alam tara ila allatheena yuzakkoona anfusahum bali Allahu yuzakkee man yashao walayuthlamoona fateelan

50. Zie, hoe zij een leugen tegen Allah smeden. En dat is, voorzeker, een klaarblijkelijke zonde.
Onthur kayfa yaftaroona AAala Allahi alkathiba wakafa bihi ithman mubeenan

51. Hebt gij degenen niet waargenomen aan wie een gedeelte van het Boek was gegeven? Zij geloven in afgoden en duivelen en zeggen van de ongelovigen: “Dezen zijn beter geleid op het pad dan de gelovigen.”
Alam tara ila allatheena ootoo naseeban mina alkitabi yu/minoona bialjibti waalttaghooti wayaqooloona lillatheena kafaroo haola-i ahda mina allatheena amanoo sabeelan

52. Dezen zijn degenen die Allah heeft vervloekt en die Allah vervloekt voor hen zult gij geen helper vinden.
Ola-ika allatheena laAAanahumu Allahu waman yalAAani Allahu falan tajida lahu naseeran

53. Hadden zij een aandeel in het koninkrijk dan zouden zij de mensen zelfs het geringste onthouden.
Am lahum naseebun mina almulki fa-ithan la yu/toona alnnasa naqeeran

54. Of benijden zij de mensen om hetgeen Allah hun vanuit Zijn overvloed heeft gegeven? Waarlijk, Wij gaven aan de kinderen van Abraham het Boek en de Wijsheid en Wij gaven hun ook een groot koninkrijk.
Am yahsudoona alnnasa AAala ma atahumu Allahu min fadlihi faqad atayna ala ibraheema alkitaba waalhikmata waataynahum mulkan AAatheeman

55. En sommigen hunner geloofden er in en sommigen hunner weerhielden anderen er van te (geloven). De hel, met het laaiende vuur is toereikend (voor hen).
Faminhum man amana bihi waminhum man sadda AAanhu wakafa bijahannama saAAeeran

56. Gewis, degenen die Onze tekenen verwerpen zullen Wij weldra het Vuur doen binnengaan. Wij zullen hen telkens, wanneer hun huiden zijn verbrand, andere huiden er voor in de plaats geven; opdat zij de straf ten volle zullen ondergaan. Waarlijk, Allah is Almachtig, Alwijs.
Inna allatheena kafaroo bi-ayatina sawfa nusleehim naran kullama nadijat julooduhum baddalnahum juloodan ghayraha liyathooqoo alAAathaba inna Allaha kana AAazeezanhakeeman

57. En degenen, die geloven en goede daden verrichten, zullen Wij tuinen doen binnengaan waar doorheen rivieren stromen om er eeuwig te vertoeven, daarin zullen zij reine metgezellen hebben en Wij zullen hen door schaduw omringen.
Waallatheena amanoo waAAamiloo alssalihati sanudkhiluhum jannatin tajree min tahtiha al-anharu khalideena feeha abadan lahum feeha azwajun mutahharatun wanudkhiluhum thillan thaleelan

58. Voorwaar, Allah gebiedt u het u toevertrouwde over te geven aan hen die er recht op hebben en dat, wanneer gij tussen mensen richt, gij rechtvaardig handelt. En waarlijk, voortreffelijk is datgene, waartoe Allah u maant. Voorzeker, Allah is de Alhorende, de Alziende.
Inna Allaha ya/murukum an tu-addoo al-amanati ila ahliha wa-itha hakamtum bayna alnnasi an tahkumoo bialAAadli inna Allaha niAAimma yaAAithukum bihi inna Allaha kana sameeAAan baseeran

59. O, gij die gelooft, gehoorzaamt Allah en Zijn boodschapper en degenen, die onder u gezag hebben. En indien gij over iets twist, verwijst het naar Allah en Zijn boodschapper, als gij gelooft in Allah en de laatste Dag. Dit is beter en uiteindelijk het beste.
Ya ayyuha allatheena amanoo ateeAAoo Allaha waateeAAoo alrrasoola waolee al-amri minkum fa-in tanazaAAtum fee shay-in faruddoohu ila Allahi waalrrasooli in kuntum tu/minoona biAllahi waalyawmi al-akhiri thalika khayrun waahsanu ta/weelan

60. Kent gij niet degenen, die beweren dat zij geloven in hetgeen u is geopenbaard en hetgeen vََr u is geopenbaard? Zij wensen recht te zoeken bij de opstandigen ofschoon het hun was geboden, dezen te verwerpen. En Satan wenst hen ver van het rechte pad te doen afdwalen.
Alam tara ila allatheena yazAAumoona annahum amanoo bima onzila ilayka wamaonzila min qablika yureedoona an yatahakamoo ila alttaghooti waqad omiroo an yakfuroo bihi wayureedu alshshaytanu an yudillahum dalalan baAAeedan

61. En wanneer er tot hen wordt gezegd: “Komt tot hetgeen Allah heeft nedergezonden en tot Zijn boodschapper”, ziet gij dan de huichelaars zich vol afkeer van u afwenden?
Wa-itha qeela lahum taAAalaw ila ma anzala Allahu wa-ila alrrasooli raayta almunafiqeena yasuddoona AAanka sudoodan

62. Hoe kan het dan dat, wanneer een rampspoed over hen komt door hetgeen zij verdienden, zij zwerend tot u komen: “Bij Allah, wij beoogden niets dan het goede (te doen) en verzoening?”
Fakayfa itha asabat-hum museebatun bima qaddamat aydeehim thumma jaooka yahlifoona biAllahi in aradna illa ihsanan watawfeeqan

63. Allah weet wat in het hart van dezen is. Wend u daarom van hen af en vermaan hen en spreek tot hen een doeltreffend woord ten bate van henzelf.
Ola-ika allatheena yaAAlamu Allahu ma fee quloobihim faaAArid AAanhum waAAithhum waqul lahum fee anfusihim qawlan baleeghan

64. Wij zenden geen boodschapper of hij moet worden gehoorzaamd volgens Allah’s gebod. Als zij tot u waren gekomen, toen zij hun ziel onrecht hadden aangedaan en Allah om vergiffenis hadden gevraagd en de boodschapper ook om vergiffenis voor hen had gevraagd, zouden zij Allah voorzeker Berouwaanvaardend, Genadevol hebben bevonden.
Wama arsalna min rasoolin illa liyutaAAa bi-ithni Allahi walaw annahum ith thalamoo anfusahum jaooka faistaghfaroo Allaha waistaghfara lahumu alrrasoolu lawajadoo Allaha tawwaban raheeman

65. Maar neen, bij uw Heer, zij zullen geen gelovigen zijn, voordat zij u (profeet) tot rechter maken over al hun geschillen en in hun hart geen aarzeling vinden aangaande hetgeen gij oordeelt en zij zich geheel en al onderwerpen.
Fala warabbika la yu/minoona hatta yuhakkimooka feema shajara baynahum thumma layajidoo fee anfusihim harajan mimma qadayta wayusallimoo tasleeman

66. En indien Wij hun hadden geboden: “Wijdt u ten dode” of: “verlaat uw huizen” zouden zij het met uitzondering van weinigen hunner niet hebben gedaan en indien zij hetgeen hun gemaand was te doen, hadden gedaan, zou het voor hen zeker goed zijn geweest en het, beste ter versterking (van hun geloof).
Walaw anna katabna AAalayhim ani oqtuloo anfusakum awi okhrujoo min diyarikum mafaAAaloohu illa qaleelun minhum walaw annahum faAAaloo ma yooAAathoona bihi lakana khayran lahum waashadda tathbeetan

67. En Wij zouden hun gewis een grote beloning van Ons hebben gegeven.
Wa-ithan laataynahum min ladunna ajran AAatheeman

68. En Wij zouden hen zeker op het rechte pad hebben geleid.
Walahadaynahum siratan mustaqeeman

69. En wie aldus Allah en deze boodschapper gehoorzaamt, zal zijn onder degenen wie Allah Zijn zegeningen heeft geschonken, namelijk, de profeten, de waarachtigen, de getuigen (martelaars) en de goeden en dezen zijn uitstekende metgezellen.
Waman yutiAAi Allaha waalrrasoola faola-ika maAAa allatheena anAAama Allahu AAalayhim mina alnnabiyyeena waalssiddeeqeena waalshshuhada-i waalssaliheena wahasuna ola-ika rafeeqan

70. Dit is de genade van Allah en Allah is toereikend als de Alwetende.
Thalika alfadlu mina Allahi wakafa biAllahi AAaleeman

71. O, gij die gelooft, neemt uw voorzorgsmaatregelen, rukt dan op in afzonderlijke groepen of allen tezamen.
Ya ayyuha allatheena amanoo khuthoo hithrakum fainfiroo thubatin awi infiroo jameeAAan

72. En onder u is hij, die achter blijft en als u een rampspoed overkomt, zegt hij: “Waarlijk, Allah is mij genadig geweest omdat ik niet bij hen tegenwoordig was.”
Wa-inna minkum laman layubatti-anna fa-in asabatkum museebatun qala qad anAAama Allahu AAalayya ith lam akun maAAahum shaheedan

73. Maar als een genade van Allah tot u komt, zegt hij – alsof er geen vriendschap tussen u en hem bestond – “Ware ik bij hen geweest, dan zou ik inderdaad een groot voordeel hebben bereikt.”
Wala-in asabakum fadlun mina Allahi layaqoolanna kaan lam takun baynakum wabaynahu mawaddatun ya laytanee kuntu maAAahum faafooza fawzan AAatheeman

74. Laten derhalve zij, die hun tegenwoordig leven voor het leven in het Hiernamaals willen offeren, voor de zaak van Allah strijden. En wie voor de zaak van Allah strijdt, hetzij hij gedood wordt of overwint, weldra zullen Wij hem een grote beloning geven.
Falyuqatil fee sabeeli Allahi allatheena yashroona alhayata alddunya bial-akhirati waman yuqatil fee sabeeli Allahi fayuqtal aw yaghlib fasawfa nu/teehi ajran AAatheeman

75. En waarom strijdt gij niet voor de zaak van Allah en voor de zwakken — mannen, vrouwen en kinderen – die zeggen: “Onze Heer, neem ons uit deze stad waarvan de bewoners onderdrukkers zijn en schenk ons een vriend en een helper uwerzijds.
Wama lakum la tuqatiloona fee sabeeli Allahi waalmustadAAafeena mina alrrijali waalnnisa-i waalwildani allatheena yaqooloona rabbana akhrijna min hathihi alqaryati alththalimi ahluha waijAAal lana min ladunka waliyyan waijAAal lana min ladunka naseeran

76. Zij die geloven, strijden voor de zaak van Allah, maar de ongelovigen strijden voor de zaak van de boze. Strijdt daarom tegen de vrienden van Satan; voorzeker, Satan’s plan is zwak.
Allatheena amanoo yuqatiloona fee sabeeli Allahi waallatheena kafaroo yuqatiloona fee sabeeli alttaghooti faqatiloo awliyaa alshshaytani inna kayda alshshaytani kana daAAeefan

77. Ziet gij niet degenen, tot wie gezegd werd: “Weerhoudt uw handen, houdt het gebed en betaalt de Zakaat? ” En wanneer het strijden hun is voorgeschreven, ziet, een deel hunner vreest de mensen zoals men Allah behoort te vrezen, of zelfs nog erger en zij zeggen: “Onze Heer, waarom hebt Gij ons het strijden voorgeschreven? Waarom hebt Gij ons niet voor een korte tijd uitstel verleend?” Zeg: “Het voordeel van deze wereld is gering en het Hiernamaals zal beter zijn voor hem die Allah vreest. En u zal niet het minste onrecht worden aangedaan.
Alam tara ila allatheena qeela lahum kuffoo aydiyakum waaqeemoo alssalata waatoo alzzakata falamma kutiba AAalayhimu alqitalu itha fareequn minhum yakhshawna alnnasa kakhashyati Allahi aw ashadda khashyatan waqaloo rabbana lima katabta AAalayna alqitala lawla akhkhartana ila ajalin qareebin qul mataAAu alddunya qaleelun waal-akhiratu khayrun limani ittaqa wala tuthlamoona fateelan

78. Waar gij ook zijt, de dood zal u achterhalen, zelfs al waart gij in sterk gebouwde torens. En als hen iets goeds overkomt zeggen zij: “Dit komt van Allah” en als hen iets kwaads overkomt zeggen zij: “Dit komt van u” (van de profeet). Zeg: “Alles komt van Allah”. Wat scheelt deze mensen, dat zij het woord niet willen begrijpen?
Aynama takoonoo yudrikkumu almawtu walaw kuntum fee buroojin mushayyadatin wa-in tusibhum hasanatun yaqooloo hathihi min AAindi Allahi wa-in tusibhum sayyi-atun yaqooloo hathihi min AAindika qul kullun min AAindi Allahi famali haola-i alqawmi layakadoona yafqahoona hadeethan

79. Welk goed ook tot u komt, dat komt van Allah en welk kwaad u overkomt, komt door uzelf. En wij hebben u als boodschapper tot de mensheid gezonden; Allah is als Getuige toereikend.
Ma asabaka min hasanatin famina Allahi wama asabaka min sayyi-atin famin nafsika waarsalnaka lilnnasi rasoolan wakafa biAllahi shaheedan

80. Wie de boodschapper gehoorzaamt, gehoorzaamt inderdaad Allah en wie zich afkeert – tot hen hebben wij u niet als bewaker gezonden.
Man yutiAAi alrrasoola faqad ataAAa Allaha waman tawalla fama arsalnaka AAalayhimhafeethan

81. En zij zeggen: “Gehoorzaamheid”, maar wanneer zij van u weggaan, smeedt een deel hunner plannen in de nacht tegen hetgeen gij hebt gezegd. Allah tekent op, al hetgeen zij beramen gedurende de nacht. Wend u dus van hen af en stelt uw vertrouwen in Allah alleen. Allah is toereikend als Voogd.
Wayaqooloona taAAatun fa-itha barazoo min AAindika bayyata ta-ifatun minhum ghayra allathee taqoolu waAllahu yaktubu ma yubayyitoona faaAArid AAanhum watawakkal AAala Allahi wakafa biAllahi wakeelan

82. Denken zij dan niet na over de Koran? Was deze van iemand anders dan van Allah dan hadden zij zeker menige tegenstrijdigheid daarin ontdekt.
Afala yatadabbaroona alqur-ana walaw kana min AAindi ghayri Allahi lawajadoo feehi ikhtilafan katheeran

83. En als er enig nieuws tot hen komt, hetzij over vrede of over vrees, verspreiden zij het en indien zij het naar de boodschapper hadden verwezen en naar hun gezaghebbers dan zouden degenen, die het konden verwerken, het zeker hebben begrepen. En ware Allah’s genade en Zijn barmhartigheid niet over u, dan zoudt gij zeker met uitzondering van enkelen, Satan hebben gevolgd.
Wa-itha jaahum amrun mina al-amni awi alkhawfi athaAAoo bihi walaw raddoohu ilaalrrasooli wa-ila olee al-amri minhum laAAalimahu allatheena yastanbitoonahu minhum walawla fadlu Allahi AAalaykum warahmatuhu laittabaAAtumu alshshaytana illa qaleelan

84. Strijd daarom voor de zaak van Allah – slechts gij wordt verantwoordelijk gesteld – en spoor de gelovigen aan. Het kan zijn, dat Allah de macht der ongelovigen zal beteugelen en Allah is sterker in macht en streng in het opleggen van straf.
Faqatil fee sabeeli Allahi la tukallafu illa nafsaka waharridi almu/mineena AAasa Allahu an yakuffa ba/sa allatheena kafaroo waAllahu ashaddu ba/san waashaddu tankeelan

85. Wie het goede bijvalt, zal er aandeel aan hebben en wie het kwade bijvalt zal er een gelijk aandeel aan hebben; En Aliah houdt toezicht over alles.
Man yashfaAA shafaAAatan hasanatan yakun lahu naseebun minha waman yashfaAA shafaAAatan sayyi-atan yakun lahu kiflun minha wakana Allahu AAala kulli shay-in muqeetan

86. En wanneer gij met een groet wordt begroet, groet dan terug met een betere groet, of geeft deze althans terug. Voorzeker, Allah houdt rekening met alle dingen.
Wa-itha huyyeetum bitahiyyatin fahayyoo bi-ahsana minha aw ruddooha inna Allaha kana AAala kulli shay-in haseeban

87. Allah! Er is geen God, dan Hij. Hij zal u zeker bijeenroepen op de Dag der Opstanding, waaromtrent geen twijfel is. En wie is waarachtiger in Zijn woord, dan Allah?
Allahu la ilaha illa huwa layajmaAAannakum ila yawmi alqiyamati la rayba feehi waman asdaqu mina Allahi hadeethan

88. Waarom zijt gij betreffende de huichelaars (in) twee partijen (verdeeld)? Allah heeft hen neergeslagen wegens hetgeen zij verdienden. Wenst gij hen te leiden, die Allah te gronde deed gaan? En voor hen, die Allah doet dwalen, zult gij geen uitweg vinden.
Fama lakum fee almunafiqeena fi-atayni waAllahu arkasahum bima kasaboo atureedoona an tahdoo man adalla Allahu waman yudlili Allahu falan tajida lahu sabeelan

89. Zij wensen dat gij verwerpt, evenals zij hebben verworpen, zodat gij aan hen gelijk zult worden. Neemt derhalve geen vrienden uit hun midden totdat zij voor de zaak van Allah werken. En indien zij tot vijandschap vervallen, grijpt hen dan en doodt hen waar gij hen ook vindt; en neemt vriend noch helper uit hun midden.
Waddoo law takfuroona kama kafaroo fatakoonoona sawaan fala tattakhithoo minhum awliyaa hatta yuhajiroo fee sabeeli Allahi fa-in tawallaw fakhuthoohum waoqtuloohumhaythu wajadtumoohum wala tattakhithoo minhum waliyyan wala naseeran

90. Behalve degenen die tot een volk behoren waarmee gij een verbond gesloten hebt, of zij die tot u komen terwijl hun hart zich verzet u te bestrijden of hun eigen volk aan te vallen. En indien Allah wilde, zou Hij hun macht tegen u hebben gegeven; dan zouden zij zeker tegen u hebben gevochten. Dus, als zij zich van u op een afstand houden en u niet bestrijden en u vrede aanbieden – heeft Allah u niet toegestaan iets tegen hen te ondernemen.
Illa allatheena yasiloona ila qawmin baynakum wabaynahum meethaqun aw jaookumhasirat sudooruhum an yuqatilookum aw yuqatiloo qawmahum walaw shaa Allahu lasallatahum AAalaykum falaqatalookum fa-ini iAAtazalookum falam yuqatilookum waalqaw ilaykumu alssalama fama jaAAala Allahu lakum AAalayhim sabeelan

91. Gij zult anderen vinden die veilig bij u willen zijn en bij hun eigen volk; telkens wanneer zij tot vijandigheid worden opgeroepen, doen zij blindelings mee. Als zij zich derhalve niet op een afstand van u houden, noch u vrede aanbieden, noch hun handen terughouden, grijpt hen dan aan en doodt hen waar gij hen ook vindt. Tegen dezen hebben Wij u duidelijk gezag gegeven.
Satajidoona akhareena yureedoona an ya/manookum waya/manoo qawmahum kulla maruddoo ila alfitnati orkisoo feeha fa-in lam yaAAtazilookum wayulqoo ilaykumu alssalama wayakuffoo aydiyahum fakhuthoohum waoqtuloohum haythu thaqiftumoohum waola-ikum jaAAalna lakum AAalayhim sultanan mubeenan

92. Het betaamt een gelovige niet, een andere gelovige te doden, tenzij dit bij vergissing gebeurt. En wie een gelovige bij vergissing doodt moet een gelovige slaaf bevrijden en bloedgeld betalen ter overhandiging aan de erfgenamen, tenzij deze het uit liefdadigheid kwijtschelden. Maar indien hij (de gedode) tot een u vijandig gezind volk behoort en een gelovige is, dan moet (de overtreder) een gelovige slaaf bevrijden en als hij van een volk is waarmede gij een verbond hebt, dan moet een bloedgeld aan zijn familie worden betaald en een gelovige slaaf worden bevrijd. Maar wie er geen vindt, moet twee maanden achtereenvolgens vasten – een boete van Allah. En Allah is Alwetend, Alwijs.
Wama kana limu/minin an yaqtula mu/minan illa khataan waman qatala mu/minan khataan fatahreeru raqabatin mu/minatin wadiyatun musallamatun ila ahlihi illa an yassaddaqoo fa-in kana min qawmin AAaduwwin lakum wahuwa mu/minun fatahreeru raqabatin mu/minatin wa-in kana min qawmin baynakum wabaynahum meethaqun fadiyatun musallamatun ila ahlihi watahreeru raqabatin mu/minatin faman lam yajid fasiyamu shahrayni mutatabiAAayni tawbatan mina Allahi wakana Allahu AAaleeman hakeeman

93. En wie een gelovige opzettelijk doodt, zijn vergelding zal de hel zijn; daarin zal hij vertoeven. Allah’s toorn is op hem; Hij heeft hem vervloekt en zal hem een grote straf bereiden.
Waman yaqtul mu/minan mutaAAammidan fajazaohu jahannamu khalidan feehawaghadiba Allahu AAalayhi walaAAanahu waaAAadda lahu AAathaban AAatheeman

94. O, gij die gelooft, wanneer gij voor Allah’s zaak oprukt, onderzoekt dan en zegt niet tegen iemand die u met de vredesgroet begroet: “Gij zijt geen gelovige”. Zoekt gij de goederen van dit leven? Bij Allah zijn goede dingen in overvloed. Zo waart gij voordien maar Allah bewees u Zijn gunst; stelt daaromtrent een nauwkeurig onderzoek in. Voorzeker, Allah weet, wat gij doet.
Ya ayyuha allatheena amanoo itha darabtum fee sabeeli Allahi fatabayyanoo walataqooloo liman alqa ilaykumu alssalama lasta mu/minan tabtaghoona AAarada alhayati alddunya faAAinda Allahi maghanimu katheeratun kathalika kuntum min qablu famanna Allahu AAalaykum fatabayyanoo inna Allaha kana bima taAAmaloona khabeeran

95. Diegenen der gelovigen die niets doen, met uitzondering der onbekwamen, zijn niet gelijk aan degenen die met hun rijkdommen en hun persoon terwille van Allah strijden. Allah heeft degenen, die met hun rijkdommen en hun persoon strijden doen uitmunten boven de rustenden en aan ieder heeft Allah het goede beloofd. Allah zal de strijders boven de stilzittenden doen uitblinken door een grote beloning,
La yastawee alqaAAidoona mina almu/mineena ghayru olee alddarari waalmujahidoona fee sabeeli Allahi bi-amwalihim waanfusihim faddala Allahu almujahideena bi-amwalihim waanfusihim AAala alqaAAideena darajatan wakullan waAAada Allahu alhusna wafaddala Allahu almujahideena AAala alqaAAideena ajran AAatheeman

96. nl. in graden, ook van vergiffenis en barmhartigheid. En Allah is Vergevensgezind, Genadevol.
Darajatin minhu wamaghfiratan warahmatan wakana Allahu ghafooran raheeman

97. Voorwaar de engelen zullen tot hen die ze doen sterven, terwijl dezen hun eigen ziel onrecht aandoen, zeggen: “In welke toestand waart gij?” Zij zullen antwoorden: “Wij waren in het land machteloos.” Zij (de engelen) zullen echter zeggen: “Was Allah’s aarde u niet groot genoeg om daarop te verhuizen?” Zij zijn het, wier tehuis de hel zal zijn en dat is een kwade bestemming.
Inna allatheena tawaffahumu almala-ikatu thalimee anfusihim qaloo feema kuntum qaloo kunna mustadAAafeena fee al-ardi qaloo alam takun ardu Allahi wasiAAatan fatuhajiroo feeha faola-ika ma/wahum jahannamu wasaat maseeran

98. Met uitzondering van de zwakken onder de mannen en vrouwen en kinderen, die geen middelen tot en beschikking hebben, noch een weg kunnen vinden.
Illa almustadAAafeena mina alrrijali waalnnisa-i waalwildani la yastateeAAoonaheelatan wala yahtadoona sabeelan

99. Dezen zijn het, wie Allah moge vergeven, want Allah is de Inschikkelijke, de Vergevensgezinde.
Faola-ika AAasa Allahu an yaAAfuwa AAanhum wakana Allahu AAafuwwan ghafooran

100. Wie terwille van Allah vlucht, zal op aarde toevluchtsoorden en overvloed vinden. En wie van zijn huis weggaat, zijn land verlatend terwille van Allah en Zijn boodschapper en de dood achterhaalt hem – zijn beloning bij Allah staat vast; Allah is Vergevensgezind, Genadevol.
Waman yuhajir fee sabeeli Allahi yajid fee al-ardi muraghaman katheeran wasaAAatan waman yakhruj min baytihi muhajiran ila Allahi warasoolihi thumma yudrik-hu almawtu faqad waqaAAa ajruhu AAala Allahi wakana Allahu ghafooran raheeman

101. En wanneer gij door het land reist, zal het voor u geen zonde zijn het gebed te bekorten, als gij vreest dat degenen, die niet geloven u last zullen veroorzaken. Voorwaar, de ongelovigen zijn een openlijke vijand voor u.
Wa-itha darabtum fee al-ardi falaysa AAalaykum junahun an taqsuroo mina alssalati in khiftum an yaftinakumu allatheena kafaroo inna alkafireena kanoo lakum AAaduwwan mubeenan

102. En wanneer gij in hun midden zijt en het gebed voor hen leidt, laat een deel hunner bij u staan en hun wapenen meenemen. En wanneer zij hun prostratie hebben verricht, laat hen achter u gaan en laat die andere groep, die nog niet gebeden heeft naar voren komen en met u bidden en laat hen hun afweermiddelen en wapenen medenemen. De ongelovigen wensen, dat gij onachtzaam wordt op uw wapenen en uw bagage, zodat zij u plotseling overvallen. En als gij uw wapenen opzij legt indien de regen u stoort, of indien gij ziek zijt, zal dat voor u geen zonde zijn. Maar gij dient uw afweermiddelen steeds mede te nemen. Voorzeker, Allah heeft voor de ongelovigen een vernederende straf bereid.
Wa-itha kunta feehim faaqamta lahumu alssalata faltaqum ta-ifatun minhum maAAaka walya/khuthoo aslihatahum fa-itha sajadoo falyakoonoo min wara-ikum walta/ti ta-ifatun okhra lam yusalloo falyusalloo maAAaka walya/khuthoo hithrahum waaslihatahum wadda allatheena kafaroo law taghfuloona AAan aslihatikum waamtiAAatikum fayameeloona AAalaykum maylatan wahidatan wala junaha AAalaykum in kana bikum athan min matarin aw kuntum marda an tadaAAoo aslihatakum wakhuthoo hithrakum inna Allaha aAAadda lilkafireena AAathaban muheenan

103. Wanneer gij het gebed hebt beëindigd, gedenkt dan Allah, staande, zittende en op uw zijde liggende. En, wanneer gij veilig zijt, houdt het gebed, voorwaar, het gebed is de gelovigen op vastgestelde uren opgelegd.
Fa-itha qadaytumu alssalata faothkuroo Allaha qiyaman waquAAoodan waAAalajunoobikum fa-itha itma/nantum faaqeemoo alssalata inna alssalata kanat AAalaalmu/mineena kitaban mawqootan

104. En toont geen zwakheid in de vervolging van dit (vijandige) volk. Als gij lijdt, lijden zij ook zoals gij lijdt. Maar gij verwacht van Allah, wat zij niet verwachten. En Allah is Alwetend, Alwijs.
Wala tahinoo fee ibtigha-i alqawmi in takoonoo ta/lamoona fa-innahum ya/lamoona kama ta/lamoona watarjoona mina Allahi ma la yarjoona wakana Allahu AAaleemanhakeeman

105. Wij hebben u waarlijk het Boek (de Koran), dat. de waarheid bevat, nedergezonden, opdat gij tussen de mensen zoudt richten door hetgeen Allah u heeft onderwezen. En wees geen pleiter voor de oneerlijken.
Inna anzalna ilayka alkitaba bialhaqqi litahkuma bayna alnnasi bima araka Allahu walatakun lilkha-ineena khaseeman

106. En vraagt vergiffenis van Allah. Voorzeker, Allah is Vergevensgezind, Genadevol.
Waistaghfiri Allaha inna Allaha kana ghafooran raheeman

107. Pleit niet voor degenen, die hun ziel onrecht aandoen. Voorzeker, Allah heeft degene, die volkomen oneerlijk en een groot zondaar is, niet lief.
Wala tujadil AAani allatheena yakhtanoona anfusahum inna Allaha la yuhibbu man kana khawwanan atheeman

108. Zij trachten zich voor de mensen te verbergen, maar zij kunnen zich niet voor Allah verbergen en Hij is bij hen wanneer zij de nacht doorbrengen met een bespreking, die Hem niet behaagt. Allah weet, wat zij doen.
Yastakhfoona mina alnnasi wala yastakhfoona mina Allahi wahuwa maAAahum ithyubayyitoona ma la yarda mina alqawli wakana Allahu bima yaAAmaloona muheetan

109. Ziet, gij zijt degenen die in het tegenwoordige leven voor hen pleiten. Maar wie zal bij Allah voor hen pleiten op de dag der opstanding, of wie zal een voogd over hen zijn?
Haantum haola-i jadaltum AAanhum fee alhayati alddunya faman yujadilu Allaha AAanhum yawma alqiyamati am man yakoonu AAalayhim wakeelan

110. Wie kwaad doet of zijn ziel onrecht aandoet en daarna Allah om vergiffenis vraagt, zal Allah Vergevensgezind, Genadevol vinden.
Waman yaAAmal soo-an aw yathlim nafsahu thumma yastaghfiri Allaha yajidi Allaha ghafooran raheeman

111. En wie een zonde begaat, begaat deze slechts jegens zijn eigen ziel. En Allah is Alwetend, Alwijs.
Waman yaksib ithman fa-innama yaksibuhu AAala nafsihi wakana Allahu AAaleemanhakeeman

112. Wie een fout of een zonde begaat en deze dan aan een onschuldige toeschrijft, draagt voorzeker de (schuld van) lastering en klaarblijkelijke zonde.
Waman yaksib khatee-atan aw ithman thumma yarmi bihi baree-an faqadi ihtamala buhtanan wa-ithman mubeenan

113. Ware Allah’s genade en barmhartigheid niet over u, dan zou een gedeelte hunner hebben besloten u te vernietigen, maar zij vernietigen niemand dan zichzelf en zij kunnen u in het geheel niet schaden. En Allah heeft u het Boek en de Wijsheid nedergezonden en heeft u in hetgeen gij niet wist, onderwezen en Allah’s genade aan u is groot.
Walawla fadlu Allahi AAalayka warahmatuhu lahammat ta-ifatun minhum an yudillooka wama yudilloona illa anfusahum wama yadurroonaka min shay-in waanzala Allahu AAalayka alkitaba waalhikmata waAAallamaka ma lam takun taAAlamu wakana fadlu Allahi AAalayka AAatheeman

114. Er steekt in de beraadslagingen (der huichelaars) niets goeds; in tegenstelling tot diegenen die tot liefdadigheid of goedheid, of het stichten van vrede onder de mensen aansporen. En wie dit doet wijl hij Allah’s welbehagen zoekt, hem zullen Wij een grote beloning schenken.
La khayra fee katheerin min najwahum illa man amara bisadaqatin aw maAAroofin aw islahin bayna alnnasi waman yafAAal thalika ibtighaa mardati Allahi fasawfa nu/teehi ajran AAatheeman

115. En hij, die zich tegen de boodschapper verzet nadat diens leiding hem duidelijk is geworden en die een andere weg dan die der gelovigen volgt, Wij zullen hem laten volgen wat hij wil en Wij zullen hem in de hel werpen. Dat is een kwade bestemming.
Waman yushaqiqi alrrasoola min baAAdi ma tabayyana lahu alhuda wayattabiAA ghayra sabeeli almu/mineena nuwallihi ma tawalla wanuslihi jahannama wasaat maseeran

116. Allah vergeeft niet dat iets met Hem vereenzelvigd wordt en Hij zal, buiten dat, vergeven wie Hij wil. En wie iets met Allah vereenzelvigt, is inderdaad ver afgedwaald.
Inna Allaha la yaghfiru an yushraka bihi wayaghfiru ma doona thalika liman yashao waman yushrik biAllahi faqad dalla dalalan baAAeedan

117. Zij roepen buiten Hem niets aan dan godinnen dingen en zij roepen niemand aan dan Satan, de opstandige.
In yadAAoona min doonihi illa inathan wa-in yadAAoona illa shaytanan mareedan

118. Allah heeft hem vervloekt. En hij (Satan) zeide: “Ik zal voorzeker een bepaald deel van uw dienaren nemen.”
LaAAanahu Allahu waqala laattakhithanna min AAibadika naseeban mafroodan

119. “En ik zal hen zeker doen dwalen en ijdele begeerten in hen opwekken en ik zal hen voorzeker ophitsen en zij zullen de oren van het vee afsnijden en ik zal hen voorzeker aansporen en zij zullen Allah’s schepping bederven.” Derhalve hij, die buiten Allah Satan tot vriend neemt, zal zeker zichtbaar verlies leiden.
Walaodillannahum walaomanniyannahum walaamurannahum falayubattikunna athana al-anAAami walaamurannahum falayughayyirunna khalqa Allahi waman yattakhithi alshshaytana waliyyan min dooni Allahi faqad khasira khusranan mubeenan

120. Hij doet hun beloften en wekt begeerten en Satan belooft hun niets dan bedrog.
YaAAiduhum wayumanneehim wama yaAAiduhumu alshshaytanu illa ghurooran

121. Dezen zijn het, wier tehuis de hel is en zij zullen voor het Vuur geen wijkplaats vinden.
Ola-ika ma/wahum jahannamu wala yajidoona AAanha maheesan

122. Degenen, die geloven en goede werken verrichten, zullen Wij in tuinen toelaten, waar doorheen rivieren stromen en zij zullen daar voor eeuwig vertoeven. De belofte van Allah is werkelijkheid en wie is waarachtiger in woord, dan Allah?
Waallatheena amanoo waAAamiloo alssalihati sanudkhiluhum jannatin tajree min tahtiha al-anharu khalideena feeha abadan waAAda Allahi haqqan waman asdaqu mina Allahi qeelan

123. Niet naar uw wensen (de ongelovigen), noch naar de wensen van de mensen van het Boek. Wie kwaad doet zal er voor worden gestraft en hij zal buiten Allah vriend, noch helper vinden.
Laysa bi-amaniyyikum wala amaniyyi ahli alkitabi man yaAAmal soo-an yujza bihi wala yajid lahu min dooni Allahi waliyyan wala naseeran

124. Maar, wie goede werken verricht, hetzij man of vrouw, en gelovig is, zal de Hemel binnengaan en hem zal niet het geringste onrecht worden aangedaan.
Waman yaAAmal mina alssalihati min thakarin aw ontha wahuwa mu/minun faola-ika yadkhuloona aljannata wala yuthlamoona naqeeran

125. En wie is beter in geloof dan hij, die zich aan Allah onderwerpt en die het goede doet en de godsdienst volgt van Abraham de oprechte? Allah nam Abraham tot vriend.
Waman ahsanu deenan mimman aslama wajhahu lillahi wahuwa muhsinun waittabaAAa millata ibraheema haneefan waittakhatha Allahu ibraheema khaleelan

126. En aan Allah behoort alles, wat in de hemelen en alles wat op aarde is en Allah omvat alle dingen.
Walillahi ma fee alssamawati wama fee al-ardi wakana Allahu bikulli shay-in muheetan

127. En zij (de gelovigen) vragen uw uitspraak over de vrouwen; Zeg: “Allah geeft u Zijn uitspraak over haar; alsmede hetgeen u in het Boek (de Koran) is verkondigd over de weesmeisjes, aan wie gij het haar toegekende niet geeft en die gij wenst te huwen en over de zwakken onder de kinderen en dat gij de wezen rechtvaardig moet behandelen. En welke weldaad gij ook verricht, voorzeker, Allah weet het goed.
Wayastaftoonaka fee alnnisa-i quli Allahu yufteekum feehinna wama yutla AAalaykum fee alkitabi fee yatama alnnisa-i allatee la tu/toonahunna ma kutiba lahunna watarghaboona an tankihoohunna waalmustadAAafeena mina alwildani waan taqoomoo lilyatama bialqisti wama tafAAaloo min khayrin fa-inna Allaha kana bihi AAaleeman

128. Als een vrouw mishandeling of onverschilligheid van haar man vreest, zal het geen blaam voor hen zijn als zij een verzoening met elkander tot stand brengen – verzoening is het beste. De mensen zijn tot gierigheid geneigd. En als gij goed doet en rechtvaardig zijt, waarlijk dan is Allah op de hoogts van wat gij doet.
Wa-ini imraatun khafat min baAAliha nushoozan aw iAAradan fala junaha AAalayhima an yuslihabaynahuma sulhan waalssulhu khayrun waohdirati al-anfusu alshshuhha wa-in tuhsinoo watattaqoo fa-inna Allaha kana bima taAAmaloona khabeeran

129. Gij kunt geen volkomen gelijkheid tussen vrouwen handhaven, hoe gaarne gij het ook zoudt wensen. Maar neigt niet geheel tot één, zodat gij de andere in onzekerheid laat. En als gij u betert en vroom zijt, dan is Allah voorzeker Vergevensgezind, Genadevol.
Walan tastateeAAoo an taAAdiloo bayna alnnisa-i walaw harastum fala tameeloo kulla almayli fatatharooha kaalmuAAallaqati wa-in tuslihoo watattaqoo fa-inna Allaha kana ghafooran raheeman

130. En als zij scheiden, dan zal Allah hen beiden door Zijn overvloed onafhankelijk maken; Allah is Milddadig, Alwijs.
Wa-in yatafarraqa yughni Allahu kullan min saAAatihi wakana Allahu wasiAAan hakeeman

131. Aan Allah behoort, wat in de hemelen en wat op aarde is. En wij hebben zeker degenen aan wie vََr u het Boek werd gegeven en ook u geboden: Allah te vrezen. Maar als gij verwerpt – voorzeker wat in de hemelen en op de aarde is behoort aan Allah en Allah is Onafhankelijk, Lofwaardig.
Walillahi ma fee alssamawati wama fee al-ardi walaqad wassayna allatheena ootoo alkitaba min qablikum wa-iyyakum ani ittaqoo Allaha wa-in takfuroo fa-inna lillahi ma fee alssamawati wama fee al-ardi wakana Allahu ghaniyyan hameedan

132. En aan Allah behoort alles, wat in de hemelen en alles, wat op aarde is en Allah is voldoende als Voogd.
Walillahi ma fee alssamawati wama fee al-ardi wakafa biAllahi wakeelan

133. Indien Hij wil, zal Hij u, o volk, wegnemen en anderen in uw plaats brengen en Allah heeft de volle macht, dit te doen.
In yasha/ yuthhibkum ayyuha alnnasu waya/ti bi-akhareena wakana Allahu AAala thalika qadeeran

134. Wie de beloning dezer wereld verlangt – bij Allah is de beloning dezer wereld en van de volgende en Allah is Alhorend, Alziend.
Man kana yureedu thawaba alddunya faAAinda Allahi thawabu alddunya waal-akhirati wakana Allahu sameeAAan baseeran

135. O, gij die gelooft, weest voorstanders der rechtvaardigheid, getuigen voor Allah, zelfs al was het tegen uzelf, of ouders en verwanten. Hetzij rijk of arm, Allah is beter dan beiden. Volgt niet de begeerten, opdat gij niet onrechtvaardig zult zijn. En als gij de waarheid omzeilt of er u van afwendt, Allah is goed op de hoogte van wat gij doet.
Ya ayyuha allatheena amanoo koonoo qawwameena bialqisti shuhadaa lillahi walaw AAala anfusikum awi alwalidayni waal-aqrabeena in yakun ghaniyyan aw faqeeran faAllahu awla bihima fala tattabiAAoo alhawa an taAAdiloo wa-in talwoo aw tuAAridoo fa-inna Allaha kana bima taAAmaloona khabeeran

136. O gij die gelooft, gelooft in Allah en Zijn boodschapper en in het Boek dat Hij Zijn boodschapper heeft geopenbaard, en in het Boek, dat Hij voordien openbaarde. En wie Allah en Zijn engelen en Zijn Boeken en Zijn boodschappers en de laatste Dag verwerpt, is waarlijk ver afgedwaald.
Ya ayyuha allatheena amanoo aminoo biAllahi warasoolihi waalkitabi allathee nazzala AAala rasoolihi waalkitabi allathee anzala min qablu waman yakfur biAllahi wamala-ikatihi wakutubihi warusulihi waalyawmi al-akhiri faqad dalla dalalan baAAeedan

137. Voorzeker, degenen die geloven, daarna verwerpen, dan wederom geloven dan wederom verwerpen en daarna in ongeloof toenemen, hen zal Allah niet vergeven, noch zal Hij hen op de rechte weg leiden.
Inna allatheena amanoo thumma kafaroo thumma amanoo thumma kafaroo thumma izdadoo kufran lam yakuni Allahu liyaghfira lahum wala liyahdiyahum sabeelan

138. Verkondig de huichelaars, dat hen een pijnlijke straf wacht.
Bashshiri almunafiqeena bi-anna lahum AAathaban aleeman

139. Zij, die ongelovigen tot vrienden nemen liever dan gelovigen, – zoeken zij eer bij hen hoewel alle eer aan Allah behoort?
Allatheena yattakhithoona alkafireena awliyaa min dooni almu/mineena ayabtaghoona AAindahumu alAAizzata fa-inna alAAizzata lillahi jameeAAan

140. En Hij heeft u reeds in het Boek ( Koran) geopenbaard, dat wanneer gij hoort dat Allah’s tekenen worden verloochend en bespot, gij niet (eerder) met hen samen zult zijn, dan dat zij zieh met een ander onderwerp bezig houden, anders zoudt gij hun gelijk zijn. Voorzeker, Allah zal de huichelaars en de ongelovigen allen tezamen in de hel bijeenbrengen.
Waqad nazzala AAalaykum fee alkitabi an itha samiAAtum ayati Allahi yukfaru biha wayustahzao bihafala taqAAudoo maAAahum hatta yakhoodoo fee hadeethin ghayrihi innakum ithan mithluhum inna Allaha jamiAAu almunafiqeena waalkafireena fee jahannama jameeAAan

141. Degenen, die afwachten tot u een overwinning van Allah ten deel valt, zeggen: “Waren wij niet met u?” En als de ongelovigen er aandeel in krijgen, zeggen zij (tot hen): “Hebben wij niet de overhand over u gekregen en u beschermd tegen de gelovigen?” Allah zal op de Dag des Oordeels tussen u richten en Allah zal de ongelovigen op generlei wijze over de gelovigen doen zegevieren.
Allatheena yatarabbasoona bikum fa-in kana lakum fathun mina Allahi qaloo alam nakun maAAakum wa-in kana lilkafireena naseebun qaloo alam nastahwith AAalaykum wanamnaAAkum mina almu/mineena faAllahu yahkumu baynakum yawma alqiyamati walan yajAAala Allahu lilkafireena AAala almu/mineena sabeelan

142. De huichelaars trachten Allah te bedriegen, maar Hij zal hen voor hun bedrog straffen. En wanneer zij zich oprichten om te bidden, staan zij loom, en tonen zich aan de mensen en gedenken Allah slechts weinig,
Inna almunafiqeena yukhadiAAoona Allaha wahuwa khadiAAuhum wa-itha qamoo ila alssalati qamoo kusala yuraoona alnnasa wala yathkuroona Allaha illa qaleelan

143. Weifelend tussen dat en dit. Zij behoren noch tot dezen, noch tot genen. En voor hem, die Allah doet dwalen, zult gij geen uitweg vinden.
Muthabthabeena bayna thalika la ila haola-i wala ila haola-i waman yudlili Allahu falan tajida lahu sabeelan

144. O, gij die gelooft, neemt geen ongelovigen tot vrienden boven de gelovigen. Wilt gij Allah een duidelijk bewijs tegen uzelf geven?
Ya ayyuha allatheena amanoo la tattakhithoo alkafireena awliyaa min dooni almu/mineena atureedoona an tajAAaloo lillahi AAalaykum sultanan mubeenan

145. De huichelaars zullen zeker in de diepste diepte van het Vuur zijn en gij zult voor hen geen helper vinden.
Inna almunafiqeena fee alddarki al-asfali mina alnnari walan tajida lahum naseeran

146. Behalve degenen, die berouw hebben en zich verbeteren en aan Allah vasthouden en hun gehoorzaamheid zuiver houden voor Allah. Dezen behoren tot de gelovigen. En Allah zal de gelovigen weldra een grote beloning geven.
Illa allatheena taboo waaslahoo waiAAtasamoo biAllahi waakhlasoo deenahum lillahi faola-ika maAAa almu/mineena wasawfa yu/ti Allahu almu/mineena ajran AAatheeman

147. Waarom zou Allah u straffen, als gij dankbaar zijt en gelooft? Allah is Waarderend, Alwetend.
Ma yafAAalu Allahu biAAathabikum in shakartum waamantum wakana Allahu shakiran AAaleeman

148. Allah houdt niet van het uiten van beledigende taal in het openbaar, behalve door iemand, die onrecht wordt aangedaan; en Allah is Alhorend, Alwetend.
La yuhibbu Allahu aljahra bialssoo-i mina alqawli illa man thulima wakana Allahu sameeAAan AAaleeman

149. Of gij een goede daad openlijk verricht of deze verbergt, of een kwaad vergeeft, Allah is voorzeker de Inschikkelijke, de Almachtige.
In tubdoo khayran aw tukhfoohu aw taAAfoo AAan soo-in fa-inna Allaha kana AAafuwwan qadeeran

150. Waarlijk, degenen die Allah en Zijn boodschappers verwerpen en onderscheid wensen te maken tussen Allah en Zijn boodschappers, zeggende: “Wij geloven in sommige en niet in andere,” zij willen een tussenweg volgen.
Inna allatheena yakfuroona biAllahi warusulihi wayureedoona an yufarriqoo bayna Allahi warusulihi wayaqooloona nu/minu bibaAAdin wanakfuru bibaAAdin wayureedoona an yattakhithoo bayna thalika sabeelan

151. Dezen zijn inderdaad de ongelovigen en Wij hebben voor de ongelovigen een vernederende straf bereid.
Ola-ika humu alkafiroona haqqan waaAAtadna lilkafireena AAathaban muheenan

152. En degenen, die in Allah en al Zijn boodschappers geloven en geen onderscheid tussen wie dan ook, maken, dezen zijn het, wie Hij spoedig hun beloning zal geven; Allah is Vergevensgezind, Genadevol.
Waallatheena amanoo biAllahi warusulihi walam yufarriqoo bayna ahadin minhum ola-ika sawfa yu/teehim ojoorahum wakana Allahu ghafooran raheeman

153. De mensen van het Boek vragen u een Boek uit de hemel op hen te doen nederdalen. Zij vroegen Mozes meer dan dit, zij zeiden: “Toon ons Allah openlijk.” Toen trof hen de bliksem wegens hun overtreding. Daarna, hoewel duidelijke tekenen tot hen gekomen waren, namen zij toch het (gouden) kalf (ter aanbidding) aan, doch Wij vergaven hun dat. En Wij bekleedden Mozes met duidelijk gezag.
Yas-aluka ahlu alkitabi an tunazzila AAalayhim kitaban mina alssama-i faqad saaloo moosa akbara minthalika faqaloo arina Allaha jahratan faakhathat-humu alssaAAiqatu bithulmihim thumma ittakhathoo alAAijla min baAAdi ma jaat-humu albayyinatu faAAafawna AAan thalika waatayna moosa sultanan mubeenan

154. Wij verhieven de berg hoog boven hen tijdens het verbond met hen en Wij zeiden: “Gaat de poort ootmoedig binnen” en: “Overtreedt niet inzake de Sabbath”. En Wij sloten met hen een vast verbond.
WarafaAAna fawqahumu alttoora bimeethaqihim waqulna lahumu odkhuloo albaba sujjadan waqulnalahum la taAAdoo fee alssabti waakhathna minhum meethaqan ghaleethan

155. Om hun schending van hun verbond en de verwerping van Allah’s tekenen en het ten onrechte doden van de profeten en omdat ze zeggen: “Onze harten zijn gesluierd” – neen, Allah heeft deze wegens hun ongeloof verzegeld, derhalve geloven zij slechts weinig;
Fabima naqdihim meethaqahum wakufrihim bi-ayati Allahi waqatlihimu al-anbiyaa bighayri haqqin waqawlihim quloobuna ghulfun bal tabaAAa Allahu AAalayha bikufrihim fala yu/minoona illa qaleelan

156. Om hun ongeloof en het uiten van een kwaadaardige laster tegen Maria;
Wabikufrihim waqawlihim AAala maryama buhtanan AAatheeman

157. En om hun zeggen: “Wij hebben de Messias, Jezus, zoon van Maria, de boodschapper van Allah gedood”, – maar zij doodden hem niet, noch kruisigden zij hem (ten dode), – doch het werd hun verward, en zij, die hierover van mening verschilden zijn zeker in twijfel, zij hebben er geen kennis van doch volgen slechts een vermoeden en zij doodden hem gewis niet,
Waqawlihim inna qatalna almaseeha AAeesa ibna maryama rasoola Allahi wama qataloohu wamasalaboohu walakin shubbiha lahum wa-inna allatheena ikhtalafoo feehi lafee shakkin minhu ma lahum bihi min AAilmin illa ittibaAAa alththanni wama qataloohu yaqeenan

158. Integendeel, Allah verhief hem tot Zich en Allah is Almachtig, Alwijs.
Bal rafaAAahu Allahu ilayhi wakana Allahu AAazeezan hakeeman

159. Er is niemand onder de mensen van het Boek die er niet in zal geloven vََr zijn dood. En op de Dag der Opstanding zal hij (Jezus) getuige tegen hen zijn, –
Wa-in min ahli alkitabi illa layu/minanna bihi qabla mawtihi wayawma alqiyamati yakoonu AAalayhim shaheedan

160. En wegens de onrechtvaardigheid van de Joden en hun weerhouden van Allah’s weg, verboden Wij hen de reine dingen die ben (voordien) waren toegestaan.
Fabithulmin mina allatheena hadoo harramna AAalayhim tayyibatin ohillat lahum wabisaddihim AAan sabeeli Allahi katheeran

161. En om het nemen van rente, ofschoon het hun was verboden en het onrechtvaardig opslokken van ’s mensen rijkdommen, hebben Wij voor degenen onder hen die niet geloven een pijnlijke straf bereid.
Waakhthihimu alrriba waqad nuhoo AAanhu waaklihim amwala alnnasi bialbatili waaAAtadnalilkafireena minhum AAathaban aleeman

162. Maar degenen hunner, die een grondige kennis bezitten en de gelovigen, geloven in hetgeen u is geopenbaard en hetgeen vََr u werd nedergezonden; en degenen, die het gebed houden en degenen, die de Zakaat betalen en degenen, die in Allah en de laatste Dag geloven, dezen zullen Wij zeker een grote beloning geven.
Lakini alrrasikhoona fee alAAilmi minhum waalmu/minoona yu/minoona bima onzila ilayka wamaonzila min qablika waalmuqeemeena alssalata waalmu/toona alzzakata waalmu/minoona biAllahi waalyawmi al-akhiri ola-ika sanu/teehim ajran AAatheeman

163. Waarlijk, Wij hebben u de openbaring gezonden, zoals Wij Noach en de profeten na hem openbaring zonden en Wij gaven een openbaring aan Abraham en Ismaël en Izaنk en Jacob en de stammen; en aan Jezus, Job, Jonas, Aنron en Salomo en Wij gaven David een psalmen.
Inna awhayna ilayka kama awhayna ila noohin waalnnabiyyeena min baAAdihi waawhayna ilaibraheema wa-ismaAAeela wa-ishaqa wayaAAqooba waal-asbati waAAeesa waayyooba wayoonusa waharoona wasulaymana waatayna dawooda zabooran

164. Wij zonden boodschappers, welke Wij reeds hebben genoemd en boodschappers welke Wij u niet hebben genoemd en Allah sprak openlijk tot Mozes.
Warusulan qad qasasnahum AAalayka min qablu warusulan lam naqsushum AAalayka wakallama Allahu moosa takleeman

165. Boodschappers, brengende blijde tijding en waarschuwende, dat de mensen geen tegenwerping tegen Allah zullen maken nadat de boodschappers (waren gekomen). En Allah is Almachtig, Alwijs.
Rusulan mubashshireena wamunthireena li-alla yakoona lilnnasi AAala Allahi hujjatun baAAda alrrusuli wakana Allahu AAazeezan hakeeman

166. Maar Allah getuigt dat, hetgeen Hij u heeft nedergezonden, Hij dit heeft nedergezonden met Zijn kennis en de engelen getuigen eveneens en Allah is als getuige toereikend.
Lakini Allahu yashhadu bima anzala ilayka anzalahu biAAilmihi waalmala-ikatu yashhadoona wakafabiAllahi shaheedan

167. Zij, die verwerpen en (anderen) van Allah’s weg afhouden, zijn zeker ver afgedwaald.
Inna allatheena kafaroo wasaddoo AAan sabeeli Allahi qad dalloo dalalan baAAeedan

168. Waarlijk degenen, die niet geloven en die onrechtvaardig handelen, Allah zal hen niet vergeven, noch zal Hij hun een andere weg wijzen,
Inna allatheena kafaroo wathalamoo lam yakuni Allahu liyaghfira lahum wala liyahdiyahum tareeqan

169. Dan de weg der hel, waarin zij voor een lange tijd zullen vertoeven. Dat is voor Allah gemakkelijk.
Illa tareeqa jahannama khalideena feeha abadan wakana thalika AAala Allahi yaseeran

170. O mensdom, de boodschapper is inderdaad met waarheid van uw Heer gekomen, gelooft daarom; het zal beter voor u zijn. Maar als gij niet gelooft, voorwaar, aan Allah behoort wat in de hemelen en op aarde is en Allah is Alwetend, Alwijs.
Ya ayyuha alnnasu qad jaakumu alrrasoolu bialhaqqi min rabbikum faaminoo khayran lakum wa-in takfuroo fa-inna lillahi ma fee alssamawati waal-ardi wakana Allahu AAaleeman hakeeman

171. O, mensen van het Boek, overdrijft in uw godsdienst niet en zegt van Allah niets dan de waarheid. Voorwaar, de Messias, Jezus, zoon van Maria was slechts een boodschapper van Allah en Zijn woord tot Maria gegeven als barmhartigheid van Hem. Gelooft dus in Allah en Zijn boodschappers en zegt niet: “Drie (in één).” Houdt op, dat is beter voor u. Voorwaar, Allah is de enige God. Het is verre van Zijn heiligheid, dat Hij een zoon zou hebben. Aan Hem behoort wat in de hemelen en op aarde is en Allah is als Bewaarder afdoende.
Ya ahla alkitabi la taghloo fee deenikum wala taqooloo AAala Allahi illa alhaqqa innama almaseehu AAeesa ibnu maryama rasoolu Allahi wakalimatuhu alqaha ila maryama waroohun minhu faaminoo biAllahi warusulihi wala taqooloo thalathatun intahoo khayran lakum innama Allahu ilahun wahidun subhanahu an yakoona lahu waladun lahu ma fee alssamawati wama fee al-ardi wakafa biAllahi wakeelan

172. Voorzeker, de Messias zal het nooit versmaden, een dienaar van Allah te zijn, noch zullen de nabijzijnde engelen dit doen en wie het versmaadt Hem te aanbidden, en hoogmoedig is, Hij zal hen toch allen tot Zich roepen.
Lan yastankifa almaseehu an yakoona AAabdan lillahi wala almala-ikatu almuqarraboona waman yastankif AAan AAibadatihi wayastakbir fasayahshuruhum ilayhi jameeAAan

173. Maar degenen die geloven en goede werken verrichten, zal Hij hun beloning ten volle geven en meer dan dat uit Zijn overvloed, maar degenen die versmaadden en hoogmoedig waren, zal Hij met een pijnlijke straf straffen; zij zullen buiten Allah vriend, noch helper voor zich vinden.
Faamma allatheena amanoo waAAamiloo alssalihati fayuwaffeehim ojoorahum wayazeeduhum min fadlihi waamma allatheena istankafoo waistakbaroo fayuAAaththibuhum AAathaban aleeman wala yajidoona lahum min dooni Allahi waliyyan wala naseeran

174. O, gij mensen, een duidelijk bewijs is inderdaad van uw Heer tot u gekomen en Wij hebben een helder licht tot u nedergezonden.
Ya ayyuha alnnasu qad jaakum burhanun min rabbikum waanzalna ilaykum nooran mubeenan

175. Daarom, zij die in Allah geloven en aan Hem vasthouden zal Hij zeker tot Zijn barmhartigheid en genade toelaten en hen op het rechte pad tot Zich voeren.
Faamma allatheena amanoo biAllahi waiAAtasamoo bihi fasayudkhiluhum fee rahmatin minhu wafadlin wayahdeehim ilayhi siratan mustaqeeman

176. Zij vragen om een uitspraak. Zeg: “Allah geeft Zijn uitspraak betreffende “Kalalah”: Indien een man sterft en geen kind achterlaat en hij heeft een zuster, dan moet zij de helft van hetgeen hij nalaat ontvangen en hij zal van haar erven (alles) indien zij geen kind heeft. Maar als er twee zusters zijn, dan moeten zij twee derde van hetgeen hij nalaat ontvangen. En als er meer zijn – zowel mannen als vrouwen – dan zal de man evenveel als het aandeel van twee vrouwen ontvangen. Allah legt u dit uit, opdat gij niet zult afdwalen; Allah heeft kennis van alle dingen.
Yastaftoonaka quli Allahu yufteekum fee alkalalati ini imruon halaka laysa lahu waladun walahu okhtun falaha nisfu ma taraka wahuwa yarithuha in lam yakun laha waladun fa-in kanata ithnatayni falahumaalththuluthani mimma taraka wa-in kanoo ikhwatan rijalan wanisaan falilththakari mithlu haththi alonthayayni yubayyinu Allahu lakum an tadilloo waAllahu bikulli shay-in AAaleemun

vorigesurahhoofdstukalimraan-svAllahvolgendesurahhoofdstuk-almaaaidah-svAllah


Dit hoofdstuk is De Vrouwen genoemd omdat het hoofdzakelijk gaat over de rechten van vrouwen. Het verband tussen het voorgaande hoofdstuk en dit hoofdstuk schuilt in het feit dat de hoofdstuk gaat over de slag bij Oehoed, terwijl dit hoofdstuk gaat over de omstandigheden die het gevolg waren van die strijd. De decimering van de moest worden. Het hoofdstuk opent met de plichten jegens deze twee groepen. De twee hoofdkenmerken van de slag bij Oehoed waren de dood van een groot aantal moeslims en de desertie van de hypocrieten. Hierop volgden omstandigheden die een definitieve breuk met de joden veroorzaakten. Het hoofdstuk behandelt deze drie onderwerpen.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s