40. Ghaafir (De Vergever)

– In de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. –
Bismillahi rahmani rahim

1. Haa Miem.
Ha-meem

2. De openbaring van dit Boek is van Allah, de Almachtige, de Alwetende.
Tanzeelu alkitabi mina Allahi alAAazeezi alAAaleemi

3. De Vergever der zonden, de Aanvaarder van berouw, de Gestrenge in het straffen, de Heer van genade. Er is geen God buiten Hem. Tot Hem is de terugkeer.
Ghafiri alththanbi waqabili alttawbi shadeedi alAAiqabi thee alttawli la ilaha illahuwa ilayhi almaseeru

4. Niemand betwist de woorden van Allah behalve de ongelovigen. Laat hun bedrijvigheid in het land u niet bedriegen.
Ma yujadilu fee ayati Allahi illa allatheena kafaroo fala yaghrurka taqallubuhum fee albiladi

5. Het volk van Noach voor hen en andere groepen na hen verloochenden ook en elk volk besloot zijn boodschapper te vangen en twistte door leugen om de Waarheid er mee te niet te doen. Dan greep Ik hen en hoe verschrikkelijk was Mijn straf!
Kaththabat qablahum qawmu noohin waal-ahzabu min baAAdihim wahammat kullu ommatin birasoolihim liya/khuthoohu wajadaloo bialbatili liyudhidoo bihi alhaqqa faakhathtuhum fakayfa kana AAiqabi

6. Zo werd het woord van uw Heer bewaarheid ten opzichte van de ongelovigen: dat zij de bewoners van het Vuur zouden zijn.
Wakathalika haqqat kalimatu rabbika AAala allatheena kafaroo annahum ashabu alnnari

7. Zij, die de Troon dragen en zij die er omheen staan verheerlijken hun Heer met de lof die Hem toekomt en zij geloven in Hem en vragen vergiffenis voor de gelovigen, zeggende: “Onze Heer, Gij omvat alle dingen in Uw barmhartigheid en kennis. Vergeef daarom hen die berouw tonen en Uw weg volgen; en behoed hen voor de straf der hel,
Allatheena yahmiloona alAAarsha wamanhawlahu yusabbihoona bihamdi rabbihim wayu/minoona bihi wayastaghfiroona lillatheena amanoo rabbana wasiAAta kulla shay-in rahmatan waAAilman faighfir lillatheena taboo waittabaAAoo sabeelaka waqihim AAathaba aljaheemi

8. Onze Heer, en doe hen de tuinen der Eeuwigheid ingaan, die Gij hun hebt beloofd, alsook de deugdzamen onder hun ouders, hun echtgenoten en hun kinderen. Zeker, Gij zijt de Almachtige, de Alwijze.
Rabbana waadkhilhum jannati AAadnin allatee waAAadtahum waman salaha minaba-ihim waazwajihim wathurriyyatihim innaka anta alAAazeezu alhakeemu

9. “En behoed hen voor het kwade; en een ieder die Gij op die Dag voor het kwade behoedt, hem betoont Gij zeker barmhartigheid. En dat is de grootste zegepraal.”
Waqihimu alssayyi-ati waman taqi alssayyi-ati yawma-ithin faqad rahimtahu wathalika huwa alfawzu alAAatheemu

10. De ongelovigen zullen worden toegesproken: “Het misnoegen van Allah was groter dan uw eigen misnoegen toen gij tot het geloof werd geroepen doch gij dit verwierpt.”
Inna allatheena kafaroo yunadawna lamaqtu Allahi akbaru min maqtikum anfusakum ith tudAAawna ila al-eemani fatakfuroona

11. Zij zullen zeggen: “Onze Heer, Gij deedt ons tweemaal sterven en Gij hebt ons tweemaal in het leven teruggeroepen en wij bekennen onze zonden. Is er nu een uitweg?”
Qaloo rabbana amattana ithnatayni waahyaytana ithnatayni faiAAtarafnabithunoobina fahal ila khuroojin min sabeelin

12. Dit kwam omdat gij niet geloofdet toen Allah de Ene werd genoemd, maar toen Hem medegoden werden toegeschreven, geloofdet gij. Nu behoort het oordeel aan Allah, de Allerhoogste, de Allergrootste.
Thalikum bi-annahu itha duAAiya Allahu wahdahu kafartum wa-in yushrak bihi tu/minoo faalhukmu lillahi alAAaliyyi alkabeeri

13. Hij is het Die u Zijn tekenen toont en voorziening voor u van de hemel nederzendt; maar niemand trekt er lering uit behalve hij die zich (tot God) wendt.
Huwa allathee yureekum ayatihi wayunazzilu lakum mina alssama-i rizqan wama yatathakkaru illa man yuneebu

14. Roept alleen Allah aan, oprecht zijnde in gehoorzaamheid tot Hem, hoewel de ongelovigen er tegen zijn.
FaodAAoo Allaha mukhliseena lahu alddeena walaw kariha alkafiroona

15. Verheven boven alle graden is de Heer van de Troon. Hij zendt het woord door Zijn gebod aan wie Hij wil van Zijn dienaren, opdat hij moge waarschuwen voor de Dag der Ontmoeting.
RafeeAAu alddarajati thoo alAAarshi yulqee alrrooha min amrihi AAala man yashao min AAibadihi liyunthira yawma alttalaqi

16. De Dag waarop zij naar voren zullen komen – zal niets van hen voor Allah verborgen zijn. “Van Wie is het Koninkrijk op deze Dag?” “Van Allah, de Ene, de Onweerstaanbare.”
Yawma hum barizoona la yakhfa AAalaAllahi minhum shay-on limani almulku alyawma lillahi alwahidi alqahhari

17. “Op deze Dag zal elke ziel worden beloond voor hetgeen zij heeft verdiend. Geen onrecht zal geschieden op deze Dag. Voorzeker, Allah is snel in het beoordelen.”
Alyawma tujza kullu nafsin bima kasabat la thulma alyawma inna Allaha sareeAAu alhisabi

18. Waarschuw hen voor de naderende Dag, wanneer het hart in de keel klopt terwijl zij vol verdriet zullen zijn. De onrechtvaardigen zullen geen boezemvrienden hebben, noch enige bemiddelaar naar wie zal worden geluisterd.
Waanthirhum yawma al-azifati ithi alquloobu lada alhanajiri kathimeena malilththalimeena min hameemin walashafeeAAin yutaAAu

19. Hij kent de oneerlijkheid der ogen en datgene wat de harten verbergen.
YaAAlamu kha-inata al-aAAyuni wamatukhfee alssudooru

20. En Allah richt naar waarheid, maar degenen die zij aanroepen naast Hem kunnen in het geheel niet richten. Voorzeker, Allah is de Alhorende, de Alziende.
WaAllahu yaqdee bialhaqqi waallatheena yadAAoona min doonihi la yaqdoona bishay-in inna Allaha huwa alssameeAAu albaseeru

21. Hebben zij niet over de aarde gereisd en gezien wat het einde was van hen die vََr hen waren? Zij waren machtiger dan dezen in kracht en in hun sporen op aarde. Toch greep Allah hen voor hun zonden en zij hadden niemand om hen tegen Allah te beschermen.
Awa lam yaseeroo fee al-ardi fayanthuroo kayfa kana AAaqibatu allatheena kanoo min qablihim kanoo hum ashadda minhum quwwatan waatharan fee al-ardi faakhathahumu Allahu bithunoobihim wamakana lahum mina Allahi min waqin

22. Dat kwam omdat hun boodschappers tot hen kwamen met duidelijke tekenen, doch zij verwierpen ze; daarom greep Allah hen. Voorzeker, Hij is Machtig, Streng in het straffen.
Thalika bi-annahum kanat ta/teehim rusuluhum bialbayyinati fakafaroo faakhathahumu Allahu innahu qawiyyun shadeedu alAAiqabi

23. En Wij zonden Mozes met Onze tekenen en een duidelijk gezag,
Walaqad arsalna moosa bi-ayatinawasultanin mubeenin

24. Tot Pharao en Hamaan en Korach, maar zij zeiden: “Hij is een tovenaar en de grootste leugenaar.”
Ila firAAawna wahamana waqaroona faqaloo sahirun kaththabun

25. En toen hij (Mozes) met Waarheid van Ons tot hen kwam, zeiden zij: “Doodt de zonen der gelovigen met hem en ontziet hun vrouwen.” Maar het plan der ongelovigen is ijdel.
Falamma jaahum bialhaqqi min AAindinaqaloo oqtuloo abnaa allatheena amanoo maAAahu waistahyoo nisaahum wama kaydu alkafireena illa fee dalalin

26. En Pharao zeide: “Laat mij Mozes doodslaan en laat hem dan zijn Heer aanroepen. Ik vrees dat hij uw godsdienst zal veranderen of in het land onrust zal stoken.”
Waqala firAAawnu tharoonee aqtul moosa walyadAAu rabbahu innee akhafu an yubaddila deenakum aw an yuthhira fee al-ardi alfasada

27. En Mozes zeide: “Ik zoek toevlucht bij mijn Heer en uw Heer, tegen elke laatdunkende die aan de Dag des Oordeels niet gelooft.”
Waqala moosa innee AAuthtu birabbee warabbikum min kulli mutakabbirin layu/minu biyawmi alhisabi

28. En een gelovig man uit het volk van Pharao die zijn geloof verborg, zeide: “Wilt gij een man doden omdat hij zegt: ‘Mijn Heer is Allah’; terwijl hij tot u gekomen is met duidelijke tekenen van uw Heer? Is hij een leugenaar, dan rust zijn leugen op hem; maar als hij oprecht is, dan zal iets van datgene, waarmee hij u bedreigt, u overkomen. Voorzeker, Allah leidt hem die buitensporig en een grote leugenaar is, niet.
Waqala rajulun mu/minun min ali firAAawna yaktumu eemanahu ataqtuloona rajulan an yaqoola rabbiyya Allahu waqad jaakum bialbayyinati min rabbikum wa-in yaku kathiban faAAalayhi kathibuhu wa-in yaku sadiqan yusibkum baAAdu allathee yaAAidukum inna Allaha la yahdee man huwa musrifun kaththabun

29. O mijn volk heden hebt gij de oppermacht en gij zijt de hoogsten in het land. Maar wie zal ons beschermen tegen de straf van Allah als zij over ons komt?” Pharao zeide: “Ik wijs u alleen dat aan wat ik zelf zie en ik leid u slechts naar het pad der rechtschapenheid.”
Ya qawmi lakumu almulku alyawmathahireena fee al-ardi faman yansuruna min ba/si Allahi in jaana qala firAAawnu maoreekum illa ma ara wama ahdeekum illasabeela alrrashadi

30. En de gelovige zeide: “O mijn volk, ik vrees voor u een gebeurtenis zoals op de Dag der bondgenoten,
Waqala allathee amana ya qawmi innee akhafu AAalaykum mithla yawmi al-ahzabi

31. Zoals hoe geval was bij het volk van Noach, en Aad en Samoed en degenen die na hen waren. Allah wil Zijn dienaren geen onrecht aandoen.
Mithla da/bi qawmi noohin waAAadin wathamooda waallatheena min baAAdihim wama Allahu yureedu thulman lilAAibadi

32. En o mijn volk, ik vrees voor u de Dag van het geweeklaag.
Waya qawmi innee akhafu AAalaykum yawma alttanadi

33. Een Dag waarop gij u zult afwenden om te vluchten. Dan zult gij geen beschermer hebben tegen Allah. En hij die Allah laat dwalen zal geen leider hebben.
Yawma tuwalloona mudbireena malakum mina Allahi min AAasimin waman yudlili Allahu fama lahu min hadin

34. En voordien kwam Jozef tot u met duidelijke tekenen, maar gij bleeft twijfeles aan hetgeen hij u bracht doch toen hij stierf zeidet gjj: “Allah zal na hem geen boodschapper meer zenden.” Alzo laat Allah de buitensporigen en de twijfelaars dwalen.
Walaqad jaakum yoosufu min qablu bialbayyinati fama ziltum fee shakkin mimmajaakum bihi hatta itha halaka qultum lan yabAAatha Allahu min baAAdihi rasoolan kathalika yudillu Allahu man huwa musrifun murtabun

35. Degenen die twisten over de tekenen van Allah zonder dat enig gezag (daarover) tot hen kwam; dit is afkeurenswaardig in de ogen van Allah en de gelovigen. Alzo verzegelt Allah het hart van iedere hoogmoedige en onderdrukker.
Allatheena yujadiloona fee ayati Allahi bighayri sultanin atahum kabura maqtan AAinda Allahi waAAinda allatheena amanoo kathalika yatbaAAu Allahu AAala kulli qalbi mutakabbirin jabbarin

36. En Pharao zeide: “O Hamaan, bouw mij een toren opdat ik de toegangswegen moge naderen,
Waqala firAAawnu ya hamanu ibni leesarhan laAAallee ablughu al-asbaba

37. De toegangswegen der hemelen, opdat ik de God van Mozes moge bereiken ofschoon ik zeker weet dat hij een leugenaar is.” Zo werd voor Pharao zijn slechte daad schoonschijnend gemaakt, hij werd van het rechte pad afgeleid en Pharao’s plan eindigde slechts in ondergang.
Asbaba alssamawati faattaliAAa ila ilahi moosa wa-innee laathunnuhu kathiban wakathalika zuyyina lifirAAawna soo-o AAamalihi wasudda AAani alssabeeli wamakaydu firAAawna illa fee tababin

38. En de gelovige zeide: “O, mijn volk, volg mij, ik zal u op het pad van leiding voeren.
Waqala allathee amana ya qawmi ittabiAAooni ahdikum sabeela alrrashadi

39. O mijn volk, dit leven dezer wereld is slechts een voorbijgaand genoegen; en het Hiernamaals is het blijvende tehuis.
Ya qawmi innama hathihi alhayatu alddunya mataAAun wa-inna al-akhirata hiya daru alqarari

40. Wie kwaad doet zal naar evenredigheid hiervan worden vergolden; maar wie goed doet, man of vrouw, en gelovig is zal het paradijs binnengaan; daarin zullen zij van alles worden voorzien, zonder berekening.
Man AAamila sayyi-atan fala yujza illamithlaha waman AAamila salihan minthakarin aw ontha wahuwa mu/minun faola-ika yadkhuloona aljannata yurzaqoona feehabighayri hisabin

41. En O mijn volk, hoe komt het toch dat ik u tot redding roep en gij mij tot het Vuur wilt leiden?
Waya qawmi malee adAAookum ilaalnnajati watadAAoonanee ila alnnari

42. Gij nodigt mij uit, Allah te verwerpen en iets met Hem te vereenzelvigen waarvan ik geen kennis heb. En ik roep u tot de Almachtige, de Vergevensgezinde.”
TadAAoonanee li-akfura biAllahi waoshrika bihi ma laysa lee bihi AAilmun waana adAAookum ila alAAazeezi alghaffari

43. “Zeker, datgene waartoe gij mij uitnodigt heeft geen macht in deze wereld of in het Hiernamaals; voorwaar, onze terugkeer is tot Allah, en de overtreders zullen de bewoners van het Vuur zijn.
La jarama annama tadAAoonanee ilayhi laysa lahu daAAwatun fee alddunya wala fee al-akhirati waanna maraddana ila Allahi waanna almusrifeena hum ashabu alnnari

44. Weldra zult gij u herinneren wat ik u zeg. En ik vertrouw mijn zaak aan Allah toe. Voorwaar, Allah ziet Zijn dienaren door en door.”
Fasatathkuroona ma aqoolu lakum waofawwidu amree ila Allahi inna Allaha baseerun bialAAibadi

45. Daarom beschermde Allah hem voor het kwade hunner plannen, en een zware straf kwam over het volk van Pharao;
Fawaqahu Allahu sayyi-ati ma makaroo wahaqa bi-ali firAAawna soo-o alAAathabi

46. Aan het Vuur zullen zij morgen en avond worden blootgesteld. En de Dag waarop het Uur zal komen, zal er worden gezegd: “Doet Pharao’s volk de strengste straf ondergaan.”
Alnnaru yuAAradoona AAalayhaghuduwwan waAAashiyyan wayawma taqoomu alssaAAatu adkhiloo ala firAAawna ashadda alAAathabi

47. En wanneer zij met elkander in het Vuur zullen twisten, zullen de zwakken tot de trotsen zeggen: “Voorzeker, wij waren uw volgelingen; wilt gij dan nu een gedeelte van het Vuur van ons wegnemen?”
Wa-ith yatahajjoona fee alnnari fayaqoolu aldduAAafao lillatheena istakbaroo innakunna lakum tabaAAan fahal antum mughnoona AAanna naseeban mina alnnari

48. Zij die trots waren zullen zeggen: “Wij zijn er allen in. Allah heeft nu over Zijn dienaren recht gesproken.”
Qala allatheena istakbaroo inna kullun feeha inna Allaha qad hakama bayna alAAibadi

49. En degenen die in het Vuur zijn zullen tot de bewaarders der hel zeggen: “Bidt uw Heer, een dag van onze straf te verlichten.”
Waqala allatheena fee alnnari likhazanati jahannama odAAoo rabbakum yukhaffif AAanna yawman mina alAAathabi

50. Zij zullen antwoorden: “Kwamen uw boodschappers niet tot u met duidelijke bewijzen?” Zij zullen zeggen: “Ja zeker.” De bewaarders zullen antwoorden: “Bidt dan.” Maar het bidden der ongelovigen is nutteloos.
Qaloo awa lam taku ta/teekum rusulukum bialbayyinati qaloo bala qaloo faodAAoo wama duAAao alkafireena illa fee dalalin

51. Voorwaar, Wij helpen Onze boodschappers en de gelovigen in het leven dezer wereld en op de Dag waarop de getuigen zullen opstaan.
Inna lanansuru rusulana waallatheenaamanoo fee alhayati alddunya wayawma yaqoomu al-ashhadu

52. De Dag, waarop de verontschuldiging van de onrechtvaardigen niets zal baten en voor hen zal de vloek en het kwade tehuis zijn.
Yawma la yanfaAAu alththalimeena maAAthiratuhum walahumu allaAAnatu walahum soo-o alddari

53. En Wij gaven Mozes de leiding, en deden de kinderen van Israël het Boek erven.
Walaqad atayna moosa alhudawaawrathna banee isra-eela alkitaba

54. Als richtsnoer en aanmaning voor mensen van begrip.
Hudan wathikra li-olee al-albabi

55. Heb geduld, voorzeker, Allah’s belofte is waar. En vraag bescherming tegen uw zonde en eert uw Heer ’s morgens en ’s avonds met de lof die Hem toekomt.
Faisbir inna waAAda Allahi haqqun waistaghfir lithanbika wasabbih bihamdi rabbika bialAAashiyyi waal-ibkari

56. Zij die over de tekenen van Allah twisten zonder dat hun het gezag daartoe verleend is, hebben in hun innerlijk niets dan trots, die zij niet kunnen verwerkelijken. Zoekt daarom uw toevlucht bij Allah. Waarlijk, Hij is de Alhorende, de Alziende.
Inna allatheena yujadiloona fee ayati Allahi bighayri sultanin atahum in feesudoorihim illa kibrun ma hum bibaligheehi faistaAAith biAllahi innahu huwa alssameeAAu albaseeru

57. Voorzeker, de schepping der hemelen en der aarde is groter dan de schepping der mensen maar de meeste mensen beseffen het niet.
Lakhalqu alssamawati waal-ardi akbaru min khalqi alnnasi walakinna akthara alnnasi la yaAAlamoona

58. De blinden en de zienden zijn niet gelijk; noch zijn zij, die geloven en goede werken doen gelijk aan hen die kwaad doen. Gering is de lering die gij hieruit trekt.
Wama yastawee al-aAAma waalbaseeru waallatheena amanoo waAAamiloo alssalihati wala almusee-o qaleelan matatathakkaroona

59. Het Uur zal zeker komen, daaraan is geen twijfel; toch geloven de meeste mensen het niet.
Inna alssaAAata laatiyatun la rayba feehawalakinna akthara alnnasi la yu/minoona

60. En uw Heer zegt: “Aanbidt Mij; Ik zal uw gebed verhoren. Maar zij die te hoogmoedig zijn om Mij te aanbidden, zullen veracht de hel binnengaan.”
Waqala rabbukumu odAAoonee astajib lakum inna allatheena yastakbiroona AAan AAibadatee sayadkhuloona jahannama dakhireena

61. Allah is Degene Die de nacht voor u aanwees opdat gij er in moogt rusten en de dag om u licht te geven. Voorwaar, Allah is vol genade voor de mensen, toch zijn de meeste mensen ondankbaar.
Allahu allathee jaAAala lakumu allayla litaskunoo feehi waalnnahara mubsiran inna Allaha lathoo fadlin AAala alnnasi walakinna akthara alnnasi la yashkuroona

62. Zo is Allah uw Heer, de Schepper aller dingen. Er is geen God naast Hem. Waarheen wordt gij dan afgewend?
Thalikumu Allahu rabbukum khaliqu kulli shay-in la ilaha illa huwa faannatu/fakoona

63. Zo worden degenen, die de tekenen van Allah verloochenen, afgeleid.
Kathalika yu/faku allatheena kanoo bi-ayati Allahi yajhadoona

64. Allah is het, Die de aarde voor u als een rustplaats heeft gemaakt en de hemelen als gewelf, Die u gevormd heeft en u een schone vorm heeft gegeven en u van goede dingen heeft voorzien. Dit is Allah uw Heer. Gezegend is Allah, de Heer der Werelden.
Allahu allathee jaAAala lakumu al-arda qararan waalssamaa binaan wasawwarakum faahsana suwarakum warazaqakum mina alttayyibati thalikumu Allahu rabbukum fatabaraka Allahu rabbu alAAalameena

65. Hij is de Levende, er is geen God naast Hem. Aanbidt daarom Hem alleen, oprecht zijnde in gehoorzaamheid tot Hem. Alle lof behoort aan Allah, de Heer der Werelden.
Huwa alhayyu la ilaha illa huwa faodAAoohu mukhliseena lahu alddeena alhamdu lillahi rabbi alAAalameena

66. Zeg: “Het is mij verboden diegenen te aanbidden die gij naast Allah aanroept daar er duidelijke bewijzen van mijn Heer tot mij zijn gekomen; en het is mij geboden mij te onderwerpen aan de Heer der Werelden.”
Qul innee nuheetu an aAAbuda allatheena tadAAoona min dooni Allahi lamma jaaniya albayyinatu min rabbee waomirtu an oslima lirabbi alAAalameena

67. Hij is het Die u uit stof schiep, dan uit een levenskiem en uit een klonter bloed, vervolgens brengt Hij u voort als een kind, dan bereikt gij de volwassenheid, daarna wordt gij oud. Sommigen sterven eerder, en anderen onder u zullen een vastgestelde tijd bereiken; opdat gij tot inzicht komt.
Huwa allathee khalaqakum min turabin thumma min nutfatin thumma min AAalaqatin thumma yukhrijukum tiflan thumma litablughoo ashuddakum thumma litakoonoo shuyookhan waminkum man yutawaffa min qablu walitablughoo ajalan musamman walaAAallakum taAAqiloona

68. Hij is het Die leven geeft en doet sterven. En wanneer Hij iets besluit, zegt Hij slechts: “Wees”, en het wordt.
Huwa allathee yuhyee wayumeetu fa-ithaqada amran fa-innama yaqoolu lahu kun fayakoonu

69. Hebt gij degenen niet gezien, die over de tekenen van Allah redetwisten? Hoe worden zij afgewend!
Alam tara ila allatheena yujadiloona feeayati Allahi anna yusrafoona

70. Degenen die het Boek en hetgeen waarmee Wij Onze boodschappers zonden, verloochenden, zullen weldra (de waarheid) te weten komen,
Allatheena kaththaboo bialkitabi wabimaarsalna bihi rusulana fasawfa yaAAlamoona

71. Wanneer zij met boeien en kettingen om hun hals zullen worden gesleept
Ithi al-aghlalu fee aAAnaqihim waalssalasilu yushaboona

72. In kokend water; dan zullen zij in het vuur worden geworpen.
Fee alhameemi thumma fee alnnari yusjaroona

73. Dan zal er tot hen worden gezegd: “Waar zijn (de afgoden), die gij met Allah hadt vereenzelvigd?”
Thumma qeela lahum ayna ma kuntum tushrikoona

74. “Naast Allah?” Zij zullen zeggen: “Zij zijn verloren gegaan. Neen, wij plachten voorheen niets te aanbidden.” Zo laat Allah de ongelovigen dwalen.
Min dooni Allahi qaloo dalloo AAannabal lam nakun nadAAoo min qablu shay-an kathalika yudillu Allahu alkafireena

75. Er zal tot hen worden gezegd: “Dat is omdat jullie onterecht jubelden in het land en omdat jullie je schaamteloos gedroegen.”
Thalikum bima kuntum tafrahoona fee al-ardi bighayri alhaqqi wabima kuntum tamrahoona

76. “Gaat de poorten der hel binnen daarin vertoevende. Kwaad is nu het tehuis voor de arrogante.”
Odkhuloo abwaba jahannama khalideena feeha fabi/sa mathwa almutakabbireena

77. Heb daarom geduld, Allah’s belofte is zeker waar. Of Wij u de straf waarmede Wij hen bedreigen gedeeltelijk tonen of u (vََr dien) doen sterven, zij zullen toch tot Ons worden teruggebracht.
Faisbir inna waAAda Allahi haqqun fa-imma nuriyannaka baAAda allathee naAAiduhum aw natawaffayannaka fa-ilaynayurjaAAoona

78. En Wij zonden boodschappers vََóór u, sommigen van hen hebben Wij vermeld en anderen hebben Wij niet genoemd en geen boodschapper kan een teken brengen zonder Allah’s gebod. En wanneer Allah’s gebod komt, wordt er in waarheid geoordeeld en dan gaan de leugenaars verloren.
Walaqad arsalna rusulan min qablika minhum man qasasna AAalayka waminhum man lam naqsus AAalayka wama kana lirasoolin an ya/tiya bi-ayatin illa bi-ithni Allahi fa-itha jaa amru Allahi qudiya bialhaqqi wakhasira hunalika almubtiloona

79. Het is Allah, Die u vee heeft gegeven, opdat gij op sommige dieren moogt rijden en andere als voedsel gebruiken.
Allahu allathee jaAAala lakumu al-anAAama litarkaboo minha waminhata/kuloona

80. En gij hebt andere voordelen van hen – zodat gij door hen elke behoefte die in uw innerlijk is, tevreden moogt stellen. En door hen (te land) en op schepen (ter zee) wordt gij gedragen.
Walakum feeha manafiAAu walitablughoo AAalayha hajatan feesudoorikum waAAalayha waAAala alfulki tuhmaloona

81. En Hij toont u Zijn tekenen; welke van de tekenen van Allah wilt gij dan ontkennen?
Wayureekum ayatihi faayya ayati Allahi tunkiroona

82. Hebben zij niet op aarde gereisd en gezien wat het einde was van degenen die voor hen waren? Zij waren groter in aantal dan dezen en machtiger in kracht, en in de sporen die zij op aarde achterlieten. Maar alles wat zij verwierven baatte hen niet.
Afalam yaseeroo fee al-ardi fayanthuroo kayfa kana AAaqibatu allatheena min qablihim kanoo akthara minhum waashadda quwwatan waatharan fee al-ardi fama aghnaAAanhum ma kanoo yaksiboona

83. En toen hun boodschappers met duidelijke tekenen tot hen kwamen, namen zij genoegen met de kennis die zij bezaten. en de straf waarover zij spotten, verstrikte hen.
Falamma jaat-hum rusuluhum bialbayyinati farihoo bima AAindahum mina alAAilmi wahaqa bihim ma kanoo bihi yastahzi-oona

84. En toen zij Onze straf zagen zeiden zij: “Wij geloven in Allah als de Enige en wij verwerpen alles wat wij vroeger met Hem plachten te vereenzelvigen.”
Falamma raaw ba/sana qaloo amannabiAllahi wahdahu wakafarna bima kunna bihi mushrikeena

85. Maar nadat zij Onze straf hadden gezien kon hun geloof hun niet meer baten. Dit is Allah’s wet die haar loop neemt ten opzichte van Zijn dienaren en zo gingen de ongelovigen verloren.
Falam yaku yanfaAAuhum eemanuhum lamma raaw ba/sana sunnata Allahi allatee qad khalat fee AAibadihi wakhasira hunalika alkafiroona

azomar-vorigesurahhoofdstuk-svAllahfussilat-volgendesurahhoofdstuk-svAllah


De titel van dit hoofdstuk, Al-Moe’min, of De Gelovige, is afgeleid van de vermelding van iemand die in Mozes geloofde onder het volk van Farao (v. 28). Deze man pleitte voor Mozes toen Farao hem wilde doden en bracht het feit onder de aandacht dat, als Mozes de waarheid predikte, alle tegenstand tegen hem gedoemd was te mislukken. Vanaf dit hoofdstuk, het 40e, tot en met het 46e hoofdstuk, volgt er een groep van zeven hoofdstukken die allemaal beginnen met Hā Mim, en die daarom Āl Hā Mim worden genoemd, d.w.z. de hoofdstukken die beginnen met Hā Mim, en die daarom Āl Hā Mim worden genoemd, d.w.z. de hoofdstukken die beginnen met Hā Mim. Ze behoren allemaal tot de periode waarin de tegenstand tegen de Profeet (s.a.w.) zeer verbitterd was. De actieve vervolging van de moeslims was begonnen en dit mondde uit in hun eerste vlucht naar Abessinië. Deze hoofdstukken behoren tot de middelste Makkah-periode. Verder zijn zij in zoverre aan elkaar verwant, dat zij troost bieden aan de vervolgde moeslims, de vervolgers waarschuwen en de triomf van de waarheid en de ondergang van de tegenstand voorspellen. In feite is de ondergang van de macht van de tegenstanders het belangrijkste onderwerp van deze hoofdstukken. Dit wordt duidelijk door een uitspraak van de Heilige Profeet (s.a.w.), waarvoor verwezen wordt naar 1a. Er wordt niet veel gezegd over de geschiedenis van de eerdere profeten, met uitzondering van Mozes en Abraham en wat alleenstaande verwijzingen naar anderen of naar het lot van hun volk. De rode draad is de Eenheid en de Macht van Allāh en de ongelovigen worden regelmatig opgeroepen om hun voordeel te doen met de Goddelijke genade. Dit hoofdstuk begint met een stelling die betrekking heeft op het Goddelijke plan voor de bescherming van de gelovigen. Hen wordt verteld dat zij zich niet moeten laten misleiden door de macht van de tegenstanders, die spoedig gebroken zal zijn. De tweede paragraaf gaat door op dit onderwerp, maar legt meer nadruk op de ondergang van de tegenstanders en de nadering van hun noodlot, wanneer zij volkomen hulpeloos zullen zijn. De volgende drie paragrafen herhalen de waarschuwing door te verwijzen naar de geschiedenis van Mozes. De zesde paragraaf stelt dat de profeten van Allāh en degenen die in hen geloven, altijd worden bijgestaan tegen hun tegenstanders. De zevende paragraaf vraagt aandacht voor de grote macht van Allāh, voor Wie niets onmogelijk is. De laatste twee paragrafen gaan weer over het einde van de tegenstand, en waarschuwen de ongelovigen herhaaldelijk.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s