57. Al-Hadied (Het Ijzer)

1. Wat er ook in de hemelen en op aarde is, verheerlijkt Allah; Hij is de Almachtige, de Alwijze.
Sabbaha lillahi ma fee alssamawati waal-ardi wahuwa alAAazeezu alhakeemu

2. Van Hem is het koninkrijk der hemelen en der aarde. Hij doet sterven en leven en Hij heeft macht over alle dingen.
Lahu mulku alssamawati waal-ardi yuhyee wayumeetu wahuwa AAala kulli shay-in qadeerun

3. Hij is de Eerste en de Laatste, de Zich Manifesterende en de Verborgene, en Hij heeft kennis van alle dingen.
Huwa al-awwalu waal-akhiru waalththahiru waalbatinu wahuwa bikulli shay-in AAaleemun

4. Hij is het Die de hemelen en de aarde in zes dagen schiep; daarna zette Hij zich op de Troon neder. Hij weet wat de aarde ingaat en wat er uit voortkomt, en wat van de hemelen nederkomt en wat er naar toe opstijgt. Hij is met u waar gij ook zijn moogt, want Allah ziet alles wat gij doet.
Huwa allathee khalaqa alssamawati waal-arda fee sittati ayyamin thumma istawa AAalaalAAarshi yaAAlamu ma yaliju fee al-ardi wama yakhruju minha wama yanzilu mina alssama-i wama yaAAruju feeha wahuwa maAAakum ayna ma kuntum waAllahu bimataAAmaloona baseerun

5. Van Hem is het koninkrijk der hemelen en der aarde en naar Allah worden alle dingen teruggebracht.
Lahu mulku alssamawati waal-ardi wa-ila Allahi turjaAAu al-omooru

6. Hij laat de nacht in de dag overgaan en de dag in de nacht: en Hij is de Kenner van het innerlijk.
Yooliju allayla fee alnnahari wayooliju alnnahara fee allayi wahuwa AAaleemun bithati alssudoori

7. Gelooft in Allah en Zijn boodschapper en geeft weg van datgene waarvan Hij u erfgenamen heeft gemaakt. En zij onder u die geloven en besteden (als weldaad) zullen een grote beloning ontvangen.
Aminoo biAllahi warasoolihi waanfiqoo mimma jaAAalakum mustakhlafeena feehi faallatheena amanoo minkum waanfaqoo lahum ajrun kabeerun

8. Wat scheelt u dat gij niet in Allah gelooft, terwijl de boodschapper u roept om in uw Heer te geloven en Hij een verbond met u heeft gesloten, indien gij gelovig zijt?
Wama lakum la tu/minoona biAllahi waalrrasoolu yadAAookum litu/minoo birabbikum waqad akhatha meethaqakum in kuntum mu/mineena

9. Hij is het Die duidelijke tekenen nederzendt aan Zijn dienaar om u van de Duisternissen in het Licht te brengen en voorwaar, Allah is Liefderijk Genadevol.
Huwa allathee yunazzilu AAala AAabdihi ayatin bayyinatin liyukhrijakum mina alththulumati ila alnnoori wa-inna Allaha bikum laraoofun raheemun

10. Waarom geeft gij niet terwille van Allah, terwijl aan Allah de erfenis van de hemelen en de aarde behoort? Degenen onder u die (geld) besteedden en streden vََóór de overwinning zijn niet gelijk maar hoger in rang dan degenen die nadien (geld) besteedden en streden. En Allah heeft aan allen het goede beloofd. En Allah is op de hoogte van hetgeen gij doet.
Wama lakum alla tunfiqoo fee sabeeli Allahi walillahi meerathu alssamawati waal-ardi la yastawee minkum man anfaqa min qabli alfathi waqatala ola-ika aAAthamu darajatan mina allatheena anfaqoo min baAAdu waqataloo wakullan waAAada Allahu alhusnawaAllahu bima taAAmaloona khabeerun

11. Ieder die met Allah een goede lening sluit – Hij zal deze voor hem vermenigvuldigen en hem zal bovendien een voortreffelijke beloning ten deel vallen.
Man tha allathee yuqridu Allaha qardan hasanan fayudaAAifahu lahu walahu ajrun kareemun

12. En de Dag waarop gij de gelovige mannen en vrouwen zult zien, hun licht vََóór hen en aan hun rechter handen uitstralende; verblijdend nieuws is er voor u op deze Dag! Tuinen waar doorheen rivieren stromen, waarin gij zult vertoeven. Dat is de opperste zegepraal.
Yawma tara almu/mineena waalmu/minati yasAAa nooruhum bayna aydeehim wabi-aymanihim bushrakumu alyawma jannatun tajree min tahtiha al-anharu khalideena feehathalika huwa alfawzu alAAatheemu

13. Op de Dag, waarop huichelaars en huichelaarsters tot de gelovigen zullen zeggen: “Laat ons iets van uw licht nemen,” zal er gezegd worden: “Gaat terug en zoekt licht.” Dan zal er tussen hen een muur worden opgericht met een poort er in. Aan de binnenkant zal barmhartigheid zijn en aan de buitenkant zal straf zijn.
Yawma yaqoolu almunafiqoona waalmunafiqatu lillatheena amanoo onthuroonanaqtabis min noorikum qeela irjiAAoo waraakum failtamisoo nooran faduriba baynahum bisoorin lahu babun batinuhu feehi alrrahmatu wathahiruhu min qibalihi alAAathabu

14. (De huichelaars zullen tot de gelovigen) roepen: “Waren wij niet met u?” Zij zullen antwoorden: “Ja, maar gij hebt uzelf in verzoeking laten brengen en gewacht en getwijfeld en uw begeerte bedroog u, totdat de verordening van Allah kwam. En de bedrieger bedroog u ten opzichte van Allah.
Yunadoonahum alam nakun maAAakum qaloo bala walakinnakum fatantum anfusakum watarabbastum wairtabtum wagharratkumu al-amaniyyu hatta jaa amru Allahi wagharrakum biAllahi algharooru

15. Derhalve zal op deze Dag geen losgeld van u worden aangenomen, noch van degenen die ongelovig waren. Uw tehuis zal het Vuur zijn; dat is uw vriend en het is een slechte bestemming!”
Faalyawma la yu/khathu minkum fidyatun wala mina allatheena kafaroo ma/wakumu alnnaru hiya mawlakum wabi/sa almaseeru

16. Is de tijd voor de gelovigen nog niet gekomen dat hun harten deemoedig moeten zijn voor de gedenkenis van Allah en de Waarheid die is geopenbaard, en (dat) zij niet worden als degenen aan wie eerder het Boek werd gegeven, maar voor wie de tijd werd verlengd, zodat hun harten verhardden. En de meesten van hen zijn overtreders.
Alam ya/ni lillatheena amanoo an takhshaAAa quloobuhum lithikri Allahi wamanazala mina alhaqqi wala yakoonoo kaallatheena ootoo alkitaba min qablu fatala AAalayhimu al-amadu faqasat quloobuhum wakatheerun minhum fasiqoona

17. Weet dat Allah leven schenkt aan de aarde na haar dood. Zeer zeker hebben Wij de tekenen voor jullie duidelijk gemaakt, opdat jullie zullen begrijpen.
IAAlamoo anna Allaha yuhyee al-arda baAAda mawtiha qad bayyanna lakumu al-ayati laAAallakum taAAqiloona

18. De mannen en vrouwen die aalmoezen geven en degenen die met Allah een goede lening sluiten – deze zal voor hen vermenigvuldigd worden, bovendien zullen zij een eervolle beloning ontvangen.
Inna almussaddiqeena waalmussaddiqati waaqradoo Allaha qardan hasanan yudaAAafu lahum walahum ajrun kareemun

19. En zij, die in Allah en Zijn boodschappers geloven, zijn de waarachtigen en de martelaren in de ogen van hun Heer; zij zullen hun beloning en hun licht ontvangen. Maar zij die Onze boodschappen verwierpen en verloochenden, zullen de bewoners der hel zijn.
Waallatheena amanoo biAllahi warusulihi ola-ika humu alssiddeeqoona waalshshuhadao AAinda rabbihim lahum ajruhum wanooruhum waallatheena kafaroo wakaththaboo bi-ayatina ola-ika ashabu aljaheemi

20. Weet dat dit wereldse leven slechts bestaat uit vermaak en spel en plezier en onderlinge opschepperij en het onder elkaar wedijveren om de vermeerdering van rijkdom en kinderen. Het is als regen waar de boeren, omdat hij de gewassen doet groeien, behagen in scheppen, en dan verwelkt het zodat jij het geel ziet worden, en dan wordt het kaf. En in het Hiernamaals is er een zware straf, en (ook) vergeving van Allah en (Zijn) behagen. En dit wereldse leven is slechts een bron van ijdelheid.
IAAlamoo annama alhayatu alddunya laAAibun walahwun wazeenatun watafakhurun baynakum watakathurun fee al-amwali waal-awladi kamathali ghaythin aAAjaba alkuffara nabatuhu thumma yaheeju fatarahu musfarran thumma yakoonu hutaman wafee al-akhirati AAathabun shadeedun wamaghfiratun mina Allahi waridwanun wama alhayatu alddunyailla mataAAu alghuroori

21. Wedijvert om vergiffenis van uw Heer (te verkrijgen) en voor het paradijs, waarvan de breedte gelijk is aan de breedte tussen hemel en aarde, bereid voor degenen, die in Allah en Zijn boodschappers geloven. Dat is de genade van Allah. Hij schenkt deze aan wie Hij wil en Allah is de Heer van grote genade.
Sabiqoo ila maghfiratin min rabbikum wajannatin AAarduha kaAAardi alssama-i waal-ardi oAAiddat lillatheena amanoo biAllahi warusulihi thalika fadlu Allahi yu/teehi man yashao waAllahu thoo alfadli alAAatheemi

22. Er gebeurt geen ongeluk op aarde of aan uzelf zonder dat het is opgetekend in het Boek voordat Wij het openbaren. Voorzeker – dat is gemakkelijk voor Allah –
Ma asaba min museebatin fee al-ardi wala fee anfusikum illa fee kitabin min qabli an nabraaha inna thalika AAala Allahi yaseerun

23. Zodat jullie niet zullen treuren om wat aan jullie voorbij is gegaan, noch zullen jubelen om wat Hij jullie heeft gegeven. En Allah houdt van geen enkele arrogante opschepper.
Likayla ta/saw AAala ma fatakum wala tafrahoo bima atakum waAllahu la yuhibbu kulla mukhtalin fakhoorin

24. (Noch degenen,) die vrekkig zijn en de mensen aansporen vrekkig te worden en wie zich van Hem afwendt; voorzeker Allah is Zichzelf-genoeg, Geprezen.
Allatheena yabkhaloona waya/muroona alnnasa bialbukhli waman yatawalla fa-inna Allaha huwa alghaniyyu alhameedu

25. Voorwaar, Wij zonden Onze boodschappers met duidelijke bewijzen en openbaarden hun het Boek en de Weegschaal opdat het mensdom rechtvaardig moge zijn. Wij hebben ijzer nedergezonden, waardoor grote strijd doch ook grote voordelen voor het mensdom ontstaan, opdat Allah degenen moge onderscheiden, die in het ongeziene Hem en Zijn boodschappers helpen. Zeker, Allah is Sterk, Almachtig.
Laqad arsalna rusulana bialbayyinati waanzalna maAAahumu alkitaba waalmeezana liyaqooma alnnasu bialqisti waanzalna alhadeeda feehi ba/sun shadeedun wamanafiAAu lilnnasi waliyaAAlama Allahu man yansuruhu warusulahu bialghaybi inna Allaha qawiyyun AAazeezun

26. En zeker stuurden Wij Noach en Abraham, en Wij gaven het profeetschap en het Boek aan hun nageslacht; dus onder hen is degene die de juiste richting gaat, maar de meesten van hen zijn overtreders.
Walaqad arsalna noohan wa-ibraheema wajaAAalna fee thurriyyatihimaalnnubuwwata waalkitaba faminhum muhtadin wakatheerun minhum fasiqoona

27. Dan deden Wij Onze boodschappers in hun voetsporen treden en Wij deden Jezus, de zoon van Maria, opvolgen en Wij gaven hem het Evangelie. En Wij legden zachtmoedigheid en barmhartigheid in het hart zijner volgelingen. Doch het kloosterleven schreven Wij hun niet voor, maar zij vonden dit zelf uit om Allah’s welbehagen te zoeken. Zij namen dit echter niet in acht zoals het behoorde. Toen gaven Wij de gelovigen onder hen een beloning, maar velen onder hen waren overtreders.
Thumma qaffayna AAala atharihim birusulina waqaffayna biAAeesa ibni maryama waataynahu al-injeela wajaAAalna fee quloobi allatheena ittabaAAoohu ra/fatan warahmatan warahbaniyyatan ibtadaAAooha ma katabnaha AAalayhim illa ibtighaa ridwani Allahi fama raAAawha haqqa riAAayatiha faatayna allatheena amanoo minhum ajrahum wakatheerun minhum fasiqoona

28. O gij gelovigen, vreest Allah en gelooft in Zijn boodschapper. Hij zal u een dubbel aandeel van Zijn barmhartigheid geven en u een licht verschaffen waarin gij wandelen zult en Hij zal u vergeven: – Voorwaar, Allah is Vergevensgezind, Genadevol.
Ya ayyuha allatheena amanoo ittaqoo Allaha waaminoo birasoolihi yu/tikum kiflayni min rahmatihi wayajAAal lakum nooran tamshoona bihi wayaghfir lakum waAllahu ghafoorun raheemun

29. Opdat de mensen van het Boek mogen weten, dat zij geen macht hebben over de genade van Allah – Voorzeker de genade is in Allah’s handen, Hij geeft deze aan wie Hij wil. En Allah is de Heer van grote genade.
Li-alla yaAAlama ahlu alkitabi alla yaqdiroona AAala shay-in min fadli Allahi waanna alfadla biyadi Allahi yu/teehi man yashao waAllahu thoo alfadli alAAatheemi

alwaaqiah-vorigesurahhoofdstuk-svAllahalmoodjaadalah-volgendesurahhoofdstuk-svAllah


Dit hoofdstuk is getiteld Het ijzer, met betrekking tot de straf, welke de tegenstanders die besloten waren de Islam met het zwaard uit te roeien, noodzakelijk moest worden opgelegd. Het begint met een beschrijving van de uitgestrektheid van het Goddelijk koninkrijk en van de grootheid der macht en kennis Allah’s, terwijl deMoeslims medegedeeld wordt, dat zij hun geld moeten uitgeven en zich tot het uiterste inspannen en dus hun eigen belangen om wille van de waarheid opofferen, indien zij het koninkrijk Allah’s willen erven. De tweede paragraaf, die de behandeling van het onderwerp voortzet, zegt ons, hoe schijnbelijdenis de huichelaars in volslagen duisternis zullen laten en legt de nadruk op opoffering om wille van de waarheid. De derde gewaagt van de tijdelijke aard van al die aardse geneugten, welke de mens van de waarheid afhouden en besluit met een vermelding van de bestraffing dergenen, die naar het zwaard grijpen om de Islam te vernietigen. De laatste paragraaf spreekt van de Goddelijke goedertierenheid die de gelovigen wacht, het uitgestrekte koninkrijk dat hun ter erfenis zal worden gegeven en waarschuwt hun weer, dat zij die goedertierenheid niet kunnen verwerven door toevlucht te nemen tot zulke praktijken als het monnikendom, dat de Islam niet wettigt, maar wel door zich in te spannen en dus door hun vermogens aan te wenden ter bereiking van het doel, dat hun voor ogen is gesteld. Met dit hoofdstuk begint een groep van Madinese openbaringen, die tot en met het 66ste hoofdstuk wordt voortgezet. Deze groep van tien hoofdstukken is in de rangschikking van het Heilige Boek de laatste der Madinese openbaringen en voltooit inderdaad de behandeling van het thema der vorige Madinese hoofdstukken, inzonderheid het tweede en het derde hoofdstuk. Het jaar der openbaring van dit hoofdstuk moet geplaatst worden na de verovering van Makkah in het jaar 8 N.H.

One thought on “57. Al-Hadied (Het Ijzer)

  1. Pingback: Wat hebben elektromagnetische stralingen te maken met het gebed? | STUDENT VAN ALLAH

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s