7. Al-Aa’raaf (De Verheven Plaatsen)

– In de naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. –
Bismillahi rahmani rahim

1. Alif Laam Miem Saad.
Alif Laam Miem Saad

2. (Dit is) een (volmaakt) Boek, dat aan u is geopenbaard – laat er daarom in uw hart geen twijfel zijn om er mede te waarschuwen; – dit is een aanmaning voor de gelovigen.
Kitabun onzila ilayka fala yakun fee sadrika harajun minhu litunthira bihi wathikra lilmu/mineena

3. Volgt hetgeen u van uw Heer is nedergezonden en volgt geen andere vrienden, dan Hem. Hoe gering is de lering, die gij trekt.
IttabiAAoo ma onzila ilaykum min rabbikum wala tattabiAAoo min doonihi awliyaa qaleelan ma tathakkaroona

4. Hoeveel steden hebben Wij vernietigd! Onze straf overviel hen gedurende de nacht of tijdens de middagslaap.
Wakam min qaryatin ahlaknaha fajaaha ba/suna bayatan aw hum qa-iloona

5. Toen Onze Straf over hen kwam, was hun roep niet anders dan dat zij zeiden: “Wij waren inderdaad onrechtvaardigen.”
Fama kana daAAwahum ith jaahum ba/suna illa an qaloo inna kunnathalimeena

6. En Wij zullen degenen, tot wie de boodschappers waren gezonden zeker ter verantwoording roepen; en Wij zullen de boodschappers ook ondervragen.
Falanas-alanna allatheena orsila ilayhim walanas-alanna almursaleena

7. Dan zullen Wij hen zeker met kennis doen weten; want Wij zijn nooit afwezig.
Falanaqussanna AAalayhim biAAilmin wama kunna gha-ibeena

8. En het wegen (der menselijke daden) zal op die Dag eerlijk zijn. Degenen, wier schalen zwaar zijn zullen slagen.
Waalwaznu yawma-ithini alhaqqu faman thaqulat mawazeenuhu faola-ika humu almuflihoona

9. En zij, wier schalen licht zullen zijn, deden hun zielen tekort, omdat zij ten opzichte van Onze tekenen onrechtvaardig waren.
Waman khaffat mawazeenuhu faola-ika allatheena khasiroo anfusahum bima kanoo bi-ayatina yathlimoona

10. En Wij hebben u op aarde gevestigd en u daarop van middelen van bestaan voorzien. Hoe weinig dankbaar zijt gij!
Walaqad makkannakum fee al-ardi wajaAAalna lakum feehamaAAayisha qaleelan ma tashkuroona

11. Wij schiepen u, daarna vormden Wij u; toen zeiden Wij tot de engelen: “Onderwerpt u aan Adam” en zij onderwierpen zich, behalve Iblies; hij behoorde niet tot degenen die zich onderwierpen.
Walaqad khalaqnakum thumma sawwarnakum thumma qulna lilmala-ikati osjudoo li-adama fasajadoo illa ibleesa lam yakun mina alssajideena

12. (Allah) zeide: “Wat belette u, u te onderwerpen, toen Ik u (dat) gebood?” Hij antwoordde: “Ik ben beter dan hij. Gij hebt mij uit vuur en hem uit klei geschapen.
Qala ma manaAAaka alla tasjuda ith amartuka qala ana khayrun minhu khalaqtanee min narin wakhalaqtahu min teenin

13. (Allah) zeide: “Verwijder u van hier – het is niet aan u, hier hoogmoedig te zijn. Ga heen, gij behoort stellig tot degenen, die vernederd zullen worden.”
Qala faihbit minha fama yakoonu laka an tatakabbara feeha faokhruj innaka mina alssaghireena

14. Hij zeide: “Geef mij uitstel tot aan de Dag waarop zij zullen worden opgewekt.”
Qala anthirnee ila yawmi yubAAathoona

15. Hij zei: Jij behoort waarlijk tot degenen aan wie uitstel wordt verleend.
Qala innaka mina almunthareena

16. Hij antwoordde: “Welnu, daar gij mij liet dwalen zal ik hen voorzeker in de weg gaan zitten op Uw rechte pad.”
Qala fabima aghwaytanee laaqAAudanna lahum sirataka almustaqeema

17. “Dan zal ik mij gewis vََr hen en achter hen en van hun rechter en van hun linker zijde tonen en Gij zult de meesten hunner niet dankbaar vinden.”
Thumma laatiyannahum min bayni aydeehim wamin khalfihim waAAan aymanihim waAAan shama-ilihim wala tajidu aktharahum shakireena

18. (Allah) zeide: “Ga heen, veracht en verworpen. Wie hunner u ook zal volgen, Ik zal voorzeker de hel met u allen vullen.”
Qala okhruj minha mathooman madhooran laman tabiAAaka minhum laamlaanna jahannama minkum ajmaAAeena

19. “O, Adam, vertoef met uw vrouw in de tuin en eet, wat gij wilt, maar nadert deze boom niet, anders zult gij tot de onrechtvaardigen behoren.”
Waya adamu oskun anta wazawjuka aljannata fakula min haythu shi/tuma wala taqraba hathihi alshshajarata fatakoona mina alththalimeena

20. Maar Satan fluisterde hun (boze ingevingen) in opdat hij hun naaktheid zou openbaren die voor hen verborgen was, en zeide: “Uw Heer heeft u deze boom alleen verboden, opdat gij geen engelen of eeuwig- levenden zoudt worden.”
Fawaswasa lahuma alshshaytanu liyubdiya lahuma ma wooriya AAanhuma min saw-atihima waqala ma nahakuma rabbukuma AAan hathihi alshshajarati illa an takoona malakayni aw takoona mina alkhalideena

21. En hij zwoer tot hen: “Ik ben voor u zeker een oprechte raadgever.”
Waqasamahuma innee lakuma lamina alnnasiheena

22. Zo deed hij hen door bedrog vallen. En toen zij van de boom proefden werd hun naaktheid hun duidelijk en zij begonnen zich te bedekken met bladeren uit de tuin. En hun Heer riep hen en zeide: “Verbood Ik u die boom niet en zeide Ik niet tot u: ‘Voorwaar, Satan is een openlijke vijand voor u’?”
Fadallahuma bighuroorin falamma thaqa alshshajarata badat lahuma saw-atuhuma watafiqa yakhsifani AAalayhima min waraqi aljannati wanadahumarabbuhuma alam anhakuma AAan tilkuma alshshajarati waaqul lakuma inna alshshaytana lakuma AAaduwwun mubeenun

23. Zij antwoordden: “Onze Heer, wij hebben onszelf onrecht aangedaan en als Gij ons niet vergeeft en ons niet genadig zijt, zullen wij zeker tot de benadeelden behoren.
Qala rabbana thalamna anfusana wa-in lam taghfir lana watarhamnalanakoonanna mina alkhasireena

24. Hij zeide: “Gaat heen, sommigen uwer zullen de vijanden van anderen zijn. En er is voor u een verblijfplaats op aarde en een voorziening voor een bepaalde tijd.”
Qala ihbitoo baAAdukum libaAAdin AAaduwwun walakum fee al-ardi mustaqarrun wamataAAun ila heenin

25. Hij zeide: “Gij zult daarop leven en sterven en gij zult daarvandaan worden opgewekt.”
Qala feeha tahyawna wafeeha tamootoona waminha tukhrajoona

26. O kinderen van Adam! Wij hebben u inderdaad kleding nedergezonden om uw naaktheid te bedekken, ook om sierlijk te zijn, doch het kleed van godsvrucht is het beste. Dit is een teken van Allah, opdat zij er lering uit mogen trekken.
Ya banee adama qad anzalna AAalaykum libasan yuwaree saw-atikum wareeshan walibasu alttaqwa thalika khayrun thalika min ayati Allahi laAAallahum yaththakkaroona

27. O kinderen van Adam, laat Satan u niet verleiden, zoals hij uw ouders uit het paradijs verdreef en hen van hun kleding beroofde, opdat hij hun hun naaktheid mocht tonen. Waarlijk, hij ziet u, hij en zijn stam, vanwaar gij hen niet ziet. Voorzeker, Wij hebben de duivelen vrienden gemaakt voor hen, die niet geloven.
Ya banee adama la yaftinannakumu alshshaytanu kama akhraja abawaykum mina aljannati yanziAAu AAanhuma libasahuma liyuriyahumasaw-atihima innahu yarakum huwa waqabeeluhu min haythu la tarawnahum inna jaAAalna alshshayateena awliyaa lillatheena la yu/minoona

28. En wanneer zij een slechte daad begaan, zeggen zij: “Wij zagen dit onze vaderen doen en Allah heeft het ons bevolen.” Zeg: “Allah legt nooit slechte daden op. Zegt gij van Allah, hetgeen gij niet weet?”
Wa-itha faAAaloo fahishatan qaloo wajadna AAalayha abaana waAllahu amarana biha qul inna Allaha la ya/muru bialfahsha-i ataqooloona AAalaAllahi ma la taAAlamoona

29. Zeg: “Mijn Heer heeft rechtvaardigheid bevolen. En dat gij uw aandacht behoorlijk richt, ter gelegenheid van aanbidding en Hem aanroept in zuivere gehoorzaamheid aan Hem. Zoals Hij u deed ontstaan, zo zult gij wederkeren.
Qul amara rabbee bialqisti waaqeemoo wujoohakum AAinda kulli masjidin waodAAoohu mukhliseena lahu alddeena kama badaakum taAAoodoona

30. Sommigen heeft Hij geleid en bij anderen werd dwaling hun deel. Zij hebben buiten Allah de bozen tot vrienden genomen en zij denken dat zij recht geleid zijn.
Fareeqan hada wafareeqan haqqa AAalayhimu alddalalatu innahumu ittakhathoo alshshayateena awliyaa min dooni Allahi wayahsaboona annahum muhtadoona

31. O, kinderen van Adam, let op uw uiterlijk ter gelegenheid van aanbidding en eet en drinkt, maar verkwist niet. Hij heeft de verkwisters zeker niet lief.
Ya banee adama khuthoo zeenatakum AAinda kulli masjidin wakuloo waishraboo wala tusrifoo innahu la yuhibbu almusrifeena

32. Zeg: “Wie heeft de tooi van Allah, die Hij voor Zijn dienaren heeft voortgebracht en zuiver voedsel, verboden?” Zeg: “Zij zijn ook voor de gelovigen in het tegenwoordige leven en voor hen alleen op de Dag der Opstanding.” Zo verklaren Wij de tekenen aan een volk dat begrip heeft.
Qul man harrama zeenata Allahi allatee akhraja liAAibadihi waalttayyibati mina alrrizqi qul hiya lillatheena amanoo fee alhayati alddunya khalisatan yawma alqiyamati kathalika nufassilu al-ayati liqawmin yaAAlamoona

33. Zeg: “Mijn Heer heeft slechte daden, hetzij openlijk of in het geheim verboden en zonde en ongerechtvaardigde opstand; en dat gij datgene met Allah vereenzelvigt, waarvoor Hij u geen gezag heeft nedergezonden en dat gij van Allah dingen zegt, die gij niet weet.
Qul innama harrama rabbiya alfawahisha ma thahara minha wama batana waal-ithma waalbaghya bighayri alhaqqi waan tushrikoo biAllahi ma lam yunazzil bihi sultanan waan taqooloo AAala Allahi ma la taAAlamoona

34. En er is voor elk volk een termijn en wanneer hun tijd is gekomen kunnen zij geen uur uitstel krijgen, noch kunnen zij vooruitlopen.
Walikulli ommatin ajalun fa-itha jaa ajaluhum la yasta/khiroona saAAatan wala yastaqdimoona

35. O, kinderen van Adam, als boodschappers vanuit uw midden tot u komen, die Mijn tekenen aan u voordragen, dan, wie Allah zal vrezen en goede daden verrichten, over hen zal geen vrees komen, noch zullen zij treuren.
Ya banee adama imma ya/tiyannakum rusulun minkum yaqussoona AAalaykum ayatee famani ittaqa waaslaha fala khawfun AAalayhim walahum yahzanoona

36. Maar zij, die Onze tekenen verloochenen en er zich hoogmoedig van afkeren – dezen zullen de bewoners van het Vuur zijn, zij zullen daarin vertoeven.
Waallatheena kaththaboo bi-ayatina waistakbaroo AAanha ola-ika ashabu alnnari hum feeha khalidoona

37. Wie is dan onrechtvaardiger dan hij, die een leugen over Allah uit, of Zijn tekenen verloochent? Dezen zijn het, die hun lot zullen ondergaan zoals het verordend is, als Onze boodschappers hen zullen bezoeken om hun zielen weg te nemen; zij zullen hen vragen: “Waar is hetgeen gij naast Allah aanriept?” Zij zullen antwoorden: “Het is verloren geraakt voor ons,” en zij zullen tegen zichzelven getuigen, dat zij ongelovig waren.
Faman athlamu mimmani iftara AAala Allahi kathiban aw kaththaba bi-ayatihi ola-ika yanaluhum naseebuhum mina alkitabi hatta itha jaat-hum rusuluna yatawaffawnahum qaloo ayna ma kuntum tadAAoona min dooni Allahi qaloo dalloo AAanna washahidoo AAala anfusihim annahum kanoo kafireena

38. Hij zal zeggen: “Gaat onder de volkeren van djinn en mensen die vََr u heengingen, het Vuur binnen.” Steeds wanneer een volk er binnengaat zal het zijn zustervolk vervloeken, totdat, wanneer zij er allen opeenvolgend in zijn aangekomen, de laatsten over de eersten hunner zullen zeggen: “Onze Heer, dezen deden ons dwalen, geef hun daarom een dubbele straf van het Vuur.” Hij (Allah) zal zeggen: “Er is voor iedereen het dubbele, maar gij weet het niet.”
Qala odkhuloo fee omamin qad khalat min qablikum mina aljinni waal-insi fee alnnari kullama dakhalat ommatun laAAanat okhtaha hatta ithaiddarakoo feeha jameeAAan qalat okhrahum li-oolahum rabbana haola-i adalloona faatihim AAathaban diAAfan mina alnnari qala likullin diAAfun walakin la taAAlamoona

39. En de eersten hunner zullen tot de laatsten zeggen: “Gij zijt niet boven ons verheven, smaakt daarom de straf voor al hetgeen gij deedt.”
Waqalat oolahum li-okhrahum fama kana lakum AAalayna min fadlin fathooqoo alAAathaba bima kuntum taksiboona

40. Voorzeker, voor hen die Onze tekenen verloochenen en er zich hoogmoedig van afwenden, zullen de poorten van de Hemel niet worden geopend, noch zullen zij in het paradijs komen; eer zou een kameel door het oog van een naald gaan. En zo vergelden Wij de daden der schuldigen.
Inna allatheena kaththaboo bi-ayatina waistakbaroo AAanha la tufattahu lahum abwabu alssama-i wala yadkhuloona aljannata hatta yalija aljamalu fee sammi alkhiyati wakathalika najzee almujrimeena

41. Zij zullen de hel tot bed en bedekkingen hebben. En zo vergelden Wij de onrechtvaardigen.
Lahum min jahannama mihadun wamin fawqihim ghawashin wakathalika najzee alththalimeena

42. Maar, die geloven en goede werken verrichten – Wij belasten geen ziel boven haar vermogen – dezen zullen de bewoners van het paradijs zijn, zij zullen daarin vertoeven.
Waallatheena amanoo waAAamiloo alssalihati la nukallifu nafsan illawusAAaha ola-ika ashabu aljannati hum feeha khalidoona

43. Welke wrok er ook in hun hart moge zijn, wij zullen deze van hen verwijderen. Er zullen rivieren voor hen vloeien. En zij zullen zeggen: “Alle lof komt Allah toe, Die ons hiertoe heeft geleid. En als Allah ons niet had terechtgewezen, hadden wij geen leiding kunnen vinden. De boodschappers van onze Heer brachten inderdaad de waarheid.” En er zal hen worden toegeroepen: “Dit is het paradijs, dat u als erfdeel is gegeven, voor hetgeen gij deedt.”
WanazaAAna ma fee sudoorihim min ghillin tajree min tahtihimu al-anharu waqaloo alhamdu lillahi allathee hadana lihatha wama kunnalinahtadiya lawla an hadana Allahu laqad jaat rusulu rabbina bialhaqqi wanoodoo an tilkumu aljannatu oorithtumooha bima kuntum taAAmaloona

44. De bewoners van het paradijs zullen naar de bewoners van de hel roepen: “Wij hebben bevonden waar te zijn, wat onze Heer ons beloofde. Hebt gij ook bevonden, waar te zijn wat uw Heer u beloofde?” Zij zullen zeggen: “Ja.” Dan zal er een woordvoerder onder hen verkondigen: “De vloek van Allah rust op de onrechtvaardigen,
Wanada ashabu aljannati ashaba alnnari an qad wajadna mawaAAadana rabbuna haqqan fahal wajadtum ma waAAada rabbukumhaqqan qaloo naAAam faaththana mu-aththinun baynahum an laAAnatu Allahi AAala alththalimeena

45. Die anderen van het pad van Allah weerhielden, het oneffen wensende, en die het Hiernamaals verwierpen.”
Allatheena yasuddoona AAan sabeeli Allahi wayabghoonaha AAiwajan wahum bial-akhirati kafiroona

46. En er zal een scheiding tussen beiden zijn; en er zullen op de verheven plaatsen mannen zijn die allen aan hun merktekenen herkennen. En zij zullen tot de bewoners van het paradijs roepen: “Vrede zij over u.” Dezen zullen het paradijs nog niet zijn binnengegaan, maar zij hopen het.
Wabaynahuma hijabun waAAala al-aAArafi rijalun yaAArifoona kullan biseemahum wanadaw ashaba aljannati an salamun AAalaykum lam yadkhulooha wahum yatmaAAoona

47. En wanneer hun ogen naar de bewoners van het Vuur zijn gericht, zullen zij zeggen: “Onze Heer, plaats ons niet onder het onrechtvaardige volk.”
Wa-itha surifat absaruhum tilqaa ashabi alnnari qaloo rabbana latajAAalna maAAa alqawmi alththalimeena

48. En de bewoners van de verheven plaatsen zullen tot de mensen die zij aan hun merktekenen herkennen roepen: “Uw aantal, noch datgene waarover gij hoogmoedig waart, heeft u kunnen helpen.”
Wanada ashabu al-aAArafi rijalan yaAArifoonahum biseemahum qaloo ma aghna AAankum jamAAukum wama kuntum tastakbiroona

49. Zijn dezen het aangaande welke gij hebt gezworen dat Allah hun geen barmhartigheid zou schenken? “Gaat het paradijs binnen, er zal geen vrees over u komen, noch zult gij treuren,”
Ahaola-i allatheena aqsamtum la yanaluhumu Allahu birahmatin odkhuloo aljannata la khawfun AAalaykum wala antum tahzanoona

50. En de bewoners van het Vuur zullen tot de bewoners van het paradijs roepen: “Giet wat water over ons uit of iets, waarmnee Allah u heeft voorzien.” Zij zullen antwoorden: “Allah heeft voorzeker dit voor de ongelovigen verboden.”
Wanada ashabu alnari ashaba aljannati an afeedoo AAalayna mina alma-i aw mimma razaqakumu Allahu qaloo inna Allaha harramahumaAAala alkafireena

51. Degenen, die hun godsdienst tot tijdverdrijf en tot vermaak namen en wie het leven van de wereld had bedrogen, Wij zullen hen deze Dag vergeten, zoals zij de ontmoeting op deze dag vergaten en zoals zij Onze tekenen verwierpen.
Allatheena ittakhathoo deenahum lahwan walaAAiban wagharrat-humu alhayatu alddunya faalyawma nansahum kama nasoo liqaa yawmihim hathawama kanoo bi-ayatina yajhadoona

52. En Wij hebben hun voorzeker een Boek gebracht, dat Wij met kennis hebben uiteengezet, als leiding en barmhartigheid voor een volk dat gelooft.
Walaqad ji/nahum bikitabin fassalnahu AAala AAilmin hudan warahmatan liqawmin yu/minoona

53. Wachten zij slechts op (een andere) verklaring daarvan? De Dag, waarop deze komen zal, zullen degenen die het voorheen vergaten, zeggen: “De boodschappers van onze Heer brachten inderdaad de waarheid, zullen wij dan enige bemiddelaars hebben, die voor ons zullen bemiddelen? Of konden wij worden teruggezonden (naar de aarde), opdat wij anders mochten doen, dan hetgeen wij deden?” Zij deden hun ziel inderdaad tekort en hetgeen zij verzonnen is voor hen verloren gegaan.
Hal yanthuroona illa ta/weelahu yawma ya/tee ta/weeluhu yaqoolu allatheena nasoohu min qablu qad jaat rusulu rabbina bialhaqqi fahal lanamin shufaAAaa fayashfaAAoo lana aw nuraddu fanaAAmala ghayra allathee kunna naAAmalu qad khasiroo anfusahum wadalla AAanhum ma kanoo yaftaroona

54. Voorzeker, uw Heer is Allah, Die de hemelen en de aarde in zes dagen schiep; daarna zette Hij Zich op deTroon neder. Hij doet de nacht de dag bedekken, die hem snel opvolgt. De zon en de maan en de sterren zijn door Zijn gebod in dienst gesteld. Voorwaar, van Hem is de schepping en het gebod. Gezegend is Allah, de Heer der Werelden.
Inna rabbakumu Allahu allathee khalaqa alssamawati waal-arda fee sittati ayyamin thumma istawa AAala alAAarshi yughshee allayla alnnahara yatlubuhu hatheethan waalshshamsa waalqamara waalnnujooma musakhkharatin bi-amrihi ala lahu alkhalqu waal-amru tabaraka Allahu rabbu alAAalameena

55. Roept uw Heer in nederigheid en in het verborgene aan. Hij heeft de overtreders zeker niet lief.
OdAAoo rabbakum tadarruAAan wakhufyatan innahu la yuhibbu almuAAtadeena

56. En schept geen wanorde op aarde, nadat zij is geordend en roept Hem met vrees en hoop aan. Voorzeker, de Barmhartigheid van Allah is de goeden nabij.
Wala tufsidoo fee al-ardi baAAda islahiha waodAAoohu khawfan watamaAAan inna rahmata Allahi qareebun mina almuhsineena

57. En Hij is het, Die de winden als blijde tijdingen voor Zijn barmhartigheid uitzendt; totdat, wanneer zij zware wolken dragen, Wij ze naar een dor land drijven, daarna zenden Wij er water uit neder, dan brengen Wij alle soorten vruchten voort; zo wekken Wij de doden op, opdat gij er lering uit moogt trekken.
Wahuwa allathee yursilu alrriyaha bushran bayna yaday rahmatihi hattaitha aqallat sahaban thiqalan suqnahu libaladin mayyitin faanzalna bihi almaa faakhrajna bihi min kulli alththamarati kathalika nukhriju almawtalaAAallakum tathakkaroona

58. En het goede land – de plantengroei komt er in overvloed van voort door het gebod van zijn Heer – en hetgeen slecht is levert alleen schaarste op. Zo wisselen Wij de tekenen af voor een volk dat dankbaar is.
Waalbaladu alttayyibu yakhruju nabatuhu bi-ithni rabbihi waallathee khabutha la yakhruju illa nakidan kathalika nusarrifu al-ayati liqawmin yashkuroona

59. Wij zonden Noach tot zijn volk en hij zeide: “O, mijn volk, aanbidt Allah, gij hebt geen god naast Hem. Ik vrees voor u de straf van de grote Dag.”
Laqad arsalna noohan ila qawmihi faqala ya qawmi oAAbudoo Allaha ma lakum min ilahin ghayruhu innee akhafu AAalaykum AAathaba yawmin AAatheemin

60. De leiders van zijn volk antwoordden: “Wij zien dat gij in openlijke dwaling verkeert.”
Qala almalao min qawmihi inna lanaraka fee dalalin mubeenin

61. Hij zeide: “O, mijn volk, er is in mij geen dwaling, doch ik ben een boodschapper van de Heer der Werelden.”
Qala ya qawmi laysa bee dalalatun walakinnee rasoolun min rabbi alAAalameena

62. “Ik breng u de boodschappen van mijn Heer over en geef u oprechte raad en ik weet van Allah wat gij niet weet.”
Oballighukum risalati rabbee waansahu lakum waaAAlamu mina Allahi ma la taAAlamoona

63. “Verwondert gij u, dat er een aanmaning van uw Heer tot u is gekomen door een man uit uw midden opdat hij u moge waarschuwen en opdat gij rechtvaardig moogt worden en opdat u barmhartigheid moge worden betoond?”
Awa AAajibtum an jaakum thikrun min rabbikum AAala rajulin minkum liyunthirakum walitattaqoo walaAAallakum turhamoona

64. Maar zij verloochenden hem; Wij redden hem en degenen die met hem in de ark waren en Wij verdronken degenen, die Onze tekenen verwierpen. Zij waren inderdaad een verblind volk.
Fakaththaboohu faanjaynahu waallatheena maAAahu fee alfulki waaghraqna allatheena kaththaboo bi-ayatina innahum kanoo qawman AAameena

65. En tot (het volk van) Aad (zonden Wij) hun broeder Hoed. Hij zeide: “O mijn volk, aanbidt Allah, gij hebt geen andere god naast Hem. Wilt gij dan niet (God) vrezen?”
Wa-ila AAadin akhahum hoodan qala ya qawmi oAAbudoo Allaha malakum min ilahin ghayruhu afala tattaqoona

66. De ongelovige leiders van zijn volk zeiden: “Wij zien u als een dwaze en wij denken, dat gij tot de leugenaars behoort.”
Qala almalao allatheena kafaroo min qawmihi inna lanaraka fee safahatin wa-inna lanathunnuka mina alkathibeena

67. Hij antwoordde: “O, mijn volk, er is in mij geen dwaasheid, maar ik ben een boodschapper van de Heer der Werelden.”
Qala ya qawmi laysa bee safahatun walakinnee rasoolun min rabbi alAAalameena

68. “Ik breng u de woorden van mijn Heer en ik ben voor u een eerlijke raadgever.”
Oballighukum risalati rabbee waana lakum nasihun ameenun

69. Zijn jullie verbaasd, dat er een herinnering van jullie Heer tot jullie is gekomen via een man uit jullie midden opdat hij jullie kan waarschuwen? En gedenk toen Hij jullie opvolgers maakte van Noachs volk en de voortreffelijkheid van jullie bouw verhoogde. Dus gedenk de weldaden van Allah, opdat jullie succesvol zullen zijn.
Awa AAajibtum an jaakum thikrun min rabbikum AAala rajulin minkum liyunthirakum waothkuroo ith jaAAalakum khulafaa min baAAdi qawmi noohin wazadakum fee alkhalqi bastatan faothkuroo alaa Allahi laAAallakum tuflihoona

70. Zij zeiden: Ben jij tot ons gekomen opdat wij slechts Allah zullen dienen, en opgeven wat onze vaderen vroeger dienden? Breng ons dan waar je ons mee dreigt, als je de waarheid spreekt.
Qaloo aji/tana linaAAbuda Allaha wahdahu wanathara ma kana yaAAbudu abaona fa/tina bima taAAiduna in kunta mina alssadiqeena

71. Hij zei: Onreinheid en toorn van jullie Heer is daadwerkelijk op jullie neergedaald. Redetwisten jullie met mij over namen die jullie en jullie vaderen hebben genoemd? Allah heeft hen geen gezag verleend. Wacht dan; ook ik behoor met jullie tot de wachtenden.
Qala qad waqaAAa AAalaykum min rabbikum rijsun waghadabun atujadiloonanee fee asma-in sammaytumooha antum waabaokum ma nazzala Allahu biha min sultanin faintathiroo innee maAAakum mina almuntathireena

72. Dus verlosten Wij hem en degenen met hem door Onze genade, en Wij sneden de wortels af van degenen die Onze boodschap afwezen en die geen gelovigen waren.
Faanjaynahu waallatheena maAAahu birahmatin minna waqataAAnadabira allatheena kaththaboo bi-ayatina wama kanoo mu/mineena

73. Naar de Samoed (kwam) hun broeder Salih. Hij zeide: “O mijn volk, aanbidt Allah; gij hebt geen andere god naast Hem. Voorwaar er is een duidelijk bewijs van uw Heer tot u gekomen; deze kamelin is van Allah, een teken voor u. Laat haar daarom met rust opdat zij zich van Allah’s aarde moge voeden en doet haar geen leed, anders zal een pijnlijke straf u bereiken.”
Wa-ila thamooda akhahum salihan qala ya qawmi oAAbudoo Allaha malakum min ilahin ghayruhu qad jaatkum bayyinatun min rabbikum hathihi naqatu Allahi lakum ayatan fatharooha ta/kul fee ardi Allahi walatamassooha bisoo-in faya/khuthakum AAathabun aleemun

74. En gedenk toen Hij jullie de opvolgers maakte van de ‘Aad en jullie vestigde in het land – jullie bouwen huizen op zijn vlakten en hakken woningen in de bergen. Dus gedenk Allah’s weldaden en gedraag je niet verdorven in het land, en stook geen onrust.
Waothkuroo ith jaAAalakum khulafaa min baAAdi AAadin wabawwaakum fee al-ardi tattakhithoona min suhooliha qusooran watanhitoona aljibala buyootan faothkuroo alaa Allahi wala taAAthaw fee al-ardi mufsideena

75. De leiders van zijn volk, die aanmatigend waren, zeiden tot de gelovigen, die zij zwak achtten: “Weet gij zeker, dat Salih een door zijn Heer gezondene is?” Zij antwoordden: “Wij geloven voorzeker in hetgeen, waarmede hij gezonden is.”
Qala almalao allatheena istakbaroo min qawmihi lillatheena istudAAifoo liman amana minhum ataAAlamoona anna salihan mursalun min rabbihi qaloo inna bima orsila bihi mu/minoona

76. Degenen die aanmatigend waren zeiden: “Voorwaar, wij geloven niet in hetgeen waarin gij gelooft.”
Qala allatheena istakbaroo inna biallathee amantum bihi kafiroona

77. Toen verlamden zij de kamelin en overtraden het gebod van hun Heer en zeiden: “O, Salih, breng ons hetgeen, waarmede gij ons hebt bedreigd, als gij tot de boodschappers behoort.”
FaAAaqaroo alnnaqata waAAataw AAan amri rabbihim waqaloo yasalihu i/tina bima taAAiduna in kunta mina almursaleena

78. De aardbeving overviel hen en zij lagen uitgestrekt op de grond in hun huizen.
Faakhathat-humu alrrajfatu faasbahoo fee darihim jathimeena

79. Toen wendde Salih zich van hen af en zeide: “O, mijn volk, ik bracht u de boodschap van mijn Heer en bood u oprechte raad aan, maar gij houdt niet van oprechte raadgevers.”
Fatawalla AAanhum waqala ya qawmi laqad ablaghtukum risalata rabbee wanasahtu lakum walakin la tuhibboona alnnasiheena

80. En Lot, toen hij tot zijn volk zeide: “Pleegt gij een gruweldaad zoals niemand ter wereld ooit vََr u pleegde?”
Walootan ith qala liqawmihi ata/toona alfahishata ma sabaqakum bihamin ahadin mina alAAalameena

81. “Gij nadert met wellust mannen, in plaats van vrouwen. Neen, gij zijt een volk dat de perken te buiten gaat.”
Innakum lata/toona alrrijala shahwatan min dooni alnnisa-i bal antum qawmun musrifoona

82. Het antwoord van zijn volk was slechts: “Verdrijft hen uit uw stad, want zij zijn mannen die zich rein willen houden.”
Wama kana jawaba qawmihi illa an qaloo akhrijoohum min qaryatikum innahum onasun yatatahharoona

83. Wij redden hem en zijn familie, met uitzondering van zijn vrouw, zij behoorde tot de achterblijvenden.
Faanjaynahu waahlahu illa imraatahu kanat mina alghabireena

84. En Wij deden een regen van stenen over hen komen. Ziet nu wat het einde was van de schuldigen.
Waamtarna AAalayhim mataran faonthur kayfa kana AAaqibatu almujrimeena

85. En tot Midian hun broeder Shoaib. Hij zeide: “O, mijn volk, aanbidt Allah, gij hebt geen god naast Hem. Er is inderdaad een duidelijk teken van uw Heer tot u gekomen. Geeft daarom volle maat en ruim gewicht en vermindert het aan de mensen verschuldigde niet en schept geen wanorde op aarde nadat zij geordend is. Dit is beter voor u, als gij gelovigen zijt.”
Wa-ila madyana akhahum shuAAayban qala ya qawmi oAAbudoo Allaha ma lakum min ilahin ghayruhu qad jaatkum bayyinatun min rabbikum faawfoo alkayla waalmeezana wala tabkhasoo alnnasa ashyaahum walatufsidoo fee al-ardi baAAda islahiha thalikum khayrun lakum in kuntum mu/mineena

86. “En wacht niet op de wegen om degenen die in Hem geloven te bedreigen en van het pad van Allah af te houden en het oneffen te maken. En gedenkt, hoe gij weinigen waart en Hij u vermenigvuldigde. En ziet wat het einde was van de onruststokers.”
Wala taqAAudoo bikulli siratin tooAAidoona watasuddoona AAan sabeeli Allahi man amana bihi watabghoonaha AAiwajan waothkuroo ithkuntum qaleelan fakaththarakum waonthuroo kayfa kana AAaqibatu almufsideena

87. “En als er een groep onder u is die gelooft in hetgeen waarmede ik ben gezonden en een andere groep die dit niet gelooft, wacht dan geduldig totdat Allah onder ons richt. Want Hij is de beste Rechter.”
Wa-in kana ta-ifatun minkum amanoo biallathee orsiltu bihi wata-ifatun lam yu/minoo faisbiroo hatta yahkuma Allahu baynana wahuwa khayru alhakimeena

88. De leidende mannen van zijn volk die aanmatigend waren, antwoordden: “Wij zullen u, o Shoaib, en de gelovigen met u zeker uit onze stad verdrijven tenzij gij tot onze godsdienst terugkeert.” Hij zeide: “Zelfs al zijn wij er afkerig van?”
Qala almalao allatheena istakbaroo min qawmihi lanukhrijannaka yashuAAaybu waallatheena amanoo maAAaka min qaryatina aw lataAAoodunna fee millatina qala awa law kunna kariheena

89. En indien wij tot uw godsdienst terugvallen, nadat Allah ons er van heeft gered, dan hebben wij voorzeker een leugen aangaande Allah verzonnen. En het past ons niet er naar te willen terugkeren, behalve, wanneer Allah, onze Heer, dit zou willen. Onze Heer omvat alle dingen in Zijn kennis. Wij hebben in Allah ons vertrouwen gelegd. Oordeel daarom, onze Heer, tussen ons en ons volk in waarheid en Gij zijt de beste Rechter.
Qadi iftarayna AAala Allahi kathiban in AAudna fee millatikum baAAda ith najjana Allahu minha wama yakoonu lana an naAAooda feeha illa an yashaa Allahu rabbuna wasiAAa rabbuna kulla shay-in AAilman AAalaAllahi tawakkalna rabbana iftah baynana wabayna qawmina bialhaqqi waanta khayru alfatiheena

90. En de leidende mannen van zijn volk die niet geloofden, zeiden: “Als gij Shoaib volgt, zult gij zeker verliezers zijn.”
Waqala almalao allatheena kafaroo min qawmihi la-ini ittabaAAtum shuAAayban innakum ithan lakhasiroona

91. Dus achterhaalde de aardbeving hen, en zij waren bewegingsloze lichamen in hun woningen
Faakhathat-humu alrrajfatu faasbahoo fee darihim jathimeena

92. Degenen, die Shoaib een leugenaar noemden, waren also zij daar nooit in hadden gewoond – degenen die Shoaib een leugenaar noemden, dat waren de verliezers.
Allatheena kaththaboo shuAAayban kaan lam yaghnaw feeha allatheena kaththaboo shuAAayban kanoo humu alkhasireena

93. Daarna wendde hij zich van hen af en zeide: “O mijn volk, ik heb u inderdaad de boodschap van mijn Heer overgebracht en ik gaf u oprechte raad. Hoe moet ik dan om een ongelovig volk treuren?”
Fatawalla AAanhum waqala ya qawmi laqad ablaghtukum risalati rabbee wanasahtu lakum fakayfa asa AAala qawmin kafireena

94. En Wij zonden nimmer een profeet naar een stad zonder dat Wij het volk er van met tegenspoed en lijden troffen, opdat zij zouden verootmoedigen.
Wama arsalna fee qaryatin min nabiyyin illa akhathna ahlaha bialba/sa-i waalddarra-i laAAallahum yaddarraAAoona

95. Daarna verwisselden Wij het boze met het goede, totdat zij groeiden en zeiden: “Lijden en geluk wedervoeren onze vaderen ook.” Dan grepen Wij hen plotseling terwijl zij er niet aan dachten.
Thumma baddalna makana alssayyi-ati alhasanata hatta AAafaw waqaloo qad massa abaana alddarrao waalssarrao faakhathnahum baghtatan wahum layashAAuroona

96. En indien de mensen van die steden hadden geloofd en rechtvaardig waren geweest, zouden Wij zeker zegeningen van de hemel en van de aarde voor hen hebben gezonden, maar zij verloochenden (onze profeet); daarom grepen Wij hen vanwege hun daden.
Walaw anna ahla alqura amanoo waittaqaw lafatahna AAalayhim barakatin mina alssama-i waal-ardi walakin kaththaboo faakhathnahum bimakanoo yaksiboona

97. Zijn de bewoners der steden veilig voor de komst van Onze straf over hen, ’s nachts, terwijl zij slapen?
Afaamina ahlu alqura an ya/tiyahum ba/suna bayatan wahum na-imoona

98. Of zijn de mensen in de steden veilig voor Onze straf die in de morgen tot hen komt, terwijl zij spelen?
Awa amina ahlu alqura an ya/tiyahum ba/suna duhan wahum yalAAaboona

99. Zijn zij veilig voor Allah’s plan? Maar niemand voelt zich veilig voor Allah’s plan, behalve de mensen die ten onder gaan.
Afaaminoo makra Allahi fala ya/manu makra Allahi illa alqawmu alkhasiroona

100. Doet het degenen, die de aarde beerven na haar (vroegere) bewoners niet inzien, dat, indien Wij het willen, Wij hen om hun zonden treffen en hun hart verzegelen, zodat zij niet meer horen?
Awa lam yahdi lillatheena yarithoona al-arda min baAAdi ahliha an law nashao asabnahum bithunoobihim wanatbaAAu AAala quloobihim fahum layasmaAAoona

101. Zo waren de steden wier verhaal Wij u hebben verteld. En voorzeker hun boodschappers kwamen met duidelijke tekenen tot hen. Doch zij wilden niet geloven omdat zij voorheen reeds loochenden. Zo zegelt Allah het hart der ongelovigen.
Tilka alqura naqussu AAalayka min anba-iha walaqad jaat-hum rusuluhum bialbayyinati fama kanoo liyu/minoo bima kaththaboo min qablu kathalika yatbaAAu Allahu AAala quloobi alkafireena

102. Wij vonden in de meesten hunner geen (trouw aan het) verbond en Wij bevonden dat de meesten hunner overtreders waren.
Wama wajadna li-aktharihim min AAahdin wa-in wajadna aktharahum lafasiqeena

103. Toen zonden Wij na hen (de vorige boodschappers) Mozes met Onze tekenen naar Pharao en zijn leiders, maar zij geloofden er niet in. Ziet hoe het einde was van de onruststokers.
Thumma baAAathna min baAAdihim moosa bi-ayatina ila firAAawna wamala-ihi fathalamoo biha faonuthur kayfa kana AAaqibatu almufsideena

104. En Mozes zeide: “O, Pharao, ik ben waarlijk een boodschapper van de Heer der Werelden.”
Waqala moosa ya firAAawnu innee rasoolun min rabbi alAAalameena

105. “Ik mag slechts de waarheid over Allah spreken. Ik ben met een duidelijk teken van uw Heer tot u gekomen; zend daarom de kinderen Israëls met mij mee.”
Haqeequn AAala an la aqoola AAala Allahi illa alhaqqa qad ji/tukum bibayyinatin min rabbikum faarsil maAAiya banee isra-eela

106. Hij antwoordde: “Als gij inderdaad met een teken zijt gekomen breng het naar voren als gij tot de waarachtigen behoort.”
Qala in kunta ji/ta bi-ayatin fa/ti biha in kunta mina alssadiqeena

107. Hij (Mozes) wierp zijn stok neder en ziet, het was duidelijk een slang.
Faalqa AAasahu fa-itha hiya thuAAbanun mubeenun

108. En hij haalde zijn hand tevoorschijn en ziet, zij was wit (geworden) voor de toeschouwers.
WanazaAAa yadahu fa-itha hiya baydao lilnnathireena

109. De leiders van het volk van Pharao zeiden: “Dit is gewis een vaardige tovenaar.”
Qala almalao min qawmi firAAawna inna hatha lasahirun AAaleemun

110. “Hij wil u uit uw land zetten. Wat raadt gij nu aan?”
Yureedu an yukhrijakum min ardikum famatha ta/muroona

111. Zij zeiden: “Geef hem en zijn broeder tijd en zend (intussen) omroepers de steden in,
Qaloo arjih waakhahu waarsil fee almada-ini hashireena

112. Die elke vaardige tovenaar tot u zullen brengen.”
Ya/tooka bikulli sahirin AAaleemin

113. En de tovenaars kwamen tot Pharao en zeiden: “Wij zullen natuurlijk als wij de overhand krijgen een beloning ontvangen.”
Wajaa alssaharatu firAAawna qaloo inna lana laajran in kunna nahnu alghalibeena

114. Hij (Pharao) antwoordde: “Ja en gij zult tot de gunstelingen behoren.”
Qala naAAam wa-innakum lamina almuqarrabeena

115. Zij zeiden: “O Mozes zult gij of zullen wij het eerst werpen?”
Qaloo ya moosa imma an tulqiya wa-imma an nakoona nahnu almulqeena

116. Hij antwoordde: “Werpt gij.” En toen zij wierpen, betoverden zij de ogen der mensen en deden hen vrezen en toonden hun grote toverkunst.
Qala alqoo falamma alqaw saharoo aAAyuna alnnasi waistarhaboohum wajaoo bisihrin AAatheemin

117. En Wij bezielden Mozes en zeiden: “Werp uw stok neder” en ziet, deze slokte al hetgeen zij getoverd hadden op.
Waawhayna ila moosa an alqi AAasaka fa-itha hiya talqafu maya/fikoona

118. Zo werd de waarheid bevestigd en bleek wat zij deden ijdel te zijn.
FawaqaAAa alhaqqu wabatala ma kanoo yaAAmaloona

119. Zo werden zij verslagen en vernederd.
Faghuliboo hunalika wainqalaboo saghireena

120. En de tovenaars werden bewogen zich neder te werpen.
Waolqiya alssaharatu sajideena

121. En zeiden: “Wij geloven in de Heer der Werelden.”
Qaloo amanna birabbi alAAalameena

122. “De Heer van Mozes en Aaron.”
Rabbi moosa waharoona

123. Pharao zeide: “Hebt gij vََr ik het u toestond in Hem geloofd? Dit is voorzeker een complot dat gij in de stad hebt gesmeed, opdat gij haar bewoners er uit moogt verdrijven maar gij zult het weldra te weten komen.”
Qala firAAawnu amantum bihi qabla an athana lakum inna hathalamakrun makartumoohu fee almadeenati litukhrijoo minha ahlaha fasawfa taAAlamoona

124. “Ik zal gewis uw handen en uw voeten aan tegengestelde zijden (rechts en links) doen afsnijden. Dan zal ik u allen tezamen laten kruisigen.”
LaoqatiAAanna aydiyakum waarjulakum min khilafin thumma laosallibannakum ajmaAAeena

125. Zij antwoordden: “Wij zullen voorzeker naar onze Heer terugkeren.”
Qaloo inna ila rabbina munqaliboona

126. En gij neemt alleen wraak op ons omdat wij in de tekenen van onze Heer hebben geloofd toen zij ons getoond werden. Onze Heer, stort standvastigheid over ons uit en doe ons sterven terwijl wij Moslims zijn.”
Wama tanqimu minna illa an amanna bi-ayati rabbina lamma jaatnarabbana afrigh AAalayna sabran watawaffana muslimeena

127. En de leiders van het volk van Pharao zeiden: “Wilt gij Mozes en zijn volk in het land wanorde laten scheppen en u en uw goden laten verzaken?” Hij antwoordde: “Wij zullen hun zonen doden en hun vrouwen sparen. Zeker wij hebben macht over hen.”
Waqala almalao min qawmi firAAawna atatharu moosa waqawmahu liyufsidoo fee al-ardi wayatharaka waalihataka qala sanuqattilu abnaahum wanastahyee nisaahum wa-inna fawqahum qahiroona

128. Mozes zeide tot zijn volk: “Zoekt de hulp van Allah en weest geduldig. Voorzeker, de aarde behoort aan Allah. Hij geeft haar als erfdeel aan wie Zijner dienaren Hij wil en de uiteindelijke overwinning is voor de godvrezenden.
Qala moosa liqawmihi istaAAeenoo biAllahi waisbiroo inna al-arda lillahi yoorithuha man yashao min AAibadihi waalAAaqibatu lilmuttaqeena

129. Zij antwoordden: “Wij werden vervolgd, voordat gij tot ons kwaamt en nadat gij tot ons zijt gekomen.” Hij (Mozes) zeide: “Waarschijnlijk gaat uw Heer uw vijand vernietigen en u tot stedehouders in het land maken, dan zal Hij zien hoe gij handelt.”
Qaloo ootheena min qabli an ta/tiyana wamin baAAdi ma ji/tana qala AAasa rabbukum an yuhlika AAaduwwakum wayastakhlifakum fee al-ardi fayanthura kayfa taAAmaloona

130. En Wij straften het volk van Pharao door droogte en met schaarste van vruchten, opdat zij er lering uit mochten trekken.
Walaqad akhathna ala firAAawna bialssineena wanaqsin mina alththamarati laAAallahum yaththakkaroona

131. Wanneer er goeds tot hen kwam zeiden zij: “Dit komt ons toe.” En als hen kwaad overkwam, schreven zij de tegenspoed toe aan Mozes en zijn metgezellen. Let op! Hun tegenspoed was eveneens van Allah. Maar de meesten hunner weten het niet.
Fa-itha jaat-humu alhasanatu qaloo lana hathihi wa-in tusibhum sayyi-atun yattayyaroo bimoosa waman maAAahu ala innama ta-iruhum AAinda Allahi walakinna aktharahum la yaAAlamoona

132. En zij zeiden (tot Mozes): “Welk teken gij ons ook moogt brengen om er ons mede te betoveren, wij zullen stellig niet in u geloven.”
Waqaloo mahma ta/tina bihi min ayatin litasharana biha fama nahnu laka bimu/mineena

133. Toen zonden Wij de storm en de sprinkhanen en de luizen en de kikvorsen en bloed over hen – als duidelijke tekenen, doch zij gedroegen zich hoogmoedig en waren een schuldig volk.
Faarsalna AAalayhimu alttoofana waaljarada waalqummala waalddafadiAAa waalddama ayatin mufassalatin faistakbaroo wakanoo qawman mujrimeena

134. En toen de straf op hen viel, zeiden zij: “O, Mozes, bid voor ons tot uw Heer, zoals Hij u heeft beloofd. Als gij de plaag van ons verwijdert, zullen wij u zeker geloven en wij zullen de kinderen Israëls voorzeker met u laten gaan.
Walamma waqaAAa AAalayhimu alrrijzu qaloo ya moosa odAAu lanarabbaka bima AAahida AAindaka la-in kashafta AAanna alrrijza lanu/minanna laka walanursilanna maAAaka banee isra-eela

135. Maar toen Wij de straf van hen verwijderden voor een bepaalde termijn, die zij moesten voleindigen, ziet, toen braken zij (hun beloften.)
Falamma kashafna AAanhumu alrrijza ila ajalin hum balighoohu ithahum yankuthoona

136. Wij straften hen derhalve en verdronken hen in zee, omdat zij Onze tekenen verloochenden en er geen acht op sloegen.
Faintaqamna minhum faaghraqnahum fee alyammi bi-annahum kaththaboo bi-ayatina wakanoo AAanha ghafileena

137. En Wij deden de mensen die voor zwak werden gehouden de oostelijke en westelijke gedeelten van het land, welke Wij zegenden, erven. En het genadevolle woord van uw Heer werd voor de kinderen Israëls vervuld omdat zij geduldig waren geweest; en Wij vernietigden al hetgeen Pharao en zijn volk hadden gebouwd en al hetgeen zij hadden opgericht.
Waawrathna alqawma allatheena kanoo yustadAAafoona mashariqa al-ardi wamagharibaha allatee barakna feeha watammat kalimatu rabbika alhusna AAala banee isra-eela bima sabaroo wadammarna ma kana yasnaAAu firAAawnu waqawmuhu wama kanoo yaAArishoona

138. En Wij deden de kinderen Israëls door de zee trekken en zij kwamen tot een volk dat aan zijn afgoden was gehecht. Zij zeiden: “O, Mozes, maak ons een god zoals dit (volk) goden heeft.” Hij antwoordde: “Gij zijt zeker een onwetend volk.”
Wajawazna bibanee isra-eela albahra faataw AAala qawmin yaAAkufoona AAala asnamin lahum qaloo ya moosa ijAAal lana ilahan kama lahum alihatun qala innakum qawmun tajhaloona

139. “Wat dezen betreft, al hetgeen waarmede zij zich bezig houden, zal worden vernietigd en al hetgeen zij doen zal vergeefs zijn.”
Inna haola-i mutabbarun ma hum feehi wabatilun ma kanoo yaAAmaloona

140. Hij zeide (verder): “Zal ik u een andere god dan Allah zoeken, terwijl Hij u boven de volkeren heeft verheven?”
Qala aghayra Allahi abgheekum ilahan wahuwa faddalakum AAalaalAAalameena

141. Toen Wij u van Pharao’s volk verlosten dat u aan een marteling onderwierp en uw zonen doodde en uw vrouwen spaarde. En daarin lag voor u een zware beproeving van uw Heer.
Wa-ith anjaynakum min ali firAAawna yasoomoonakum soo-a alAAathabi yuqattiloona abnaakum wayastahyoona nisaakum wafeethalikum balaon min rabbikum AAatheemun

142. En Wij maakten met Mozes een overeenkomst van dertig nachten en vulden ze met tien nachten aan. Aldus werd de periode, die door zijn Heer was vastgesteld tot veertig nachten aangevuld. En Mozes zeide tot zijn broeder Aنron: “Wees mijn plaatsvervanger onder mijn volk in mijn afwezigheid en beheer wel en volg de weg der onruststokers niet.”
WawaAAadna moosa thalatheena laylatan waatmamnaha biAAashrin fatamma meeqatu rabbihi arbaAAeena laylatan waqala moosa li-akheehi haroona okhlufnee fee qawmee waaslih wala tattabiAA sabeela almufsideena

143. En toen Mozes op Onze vastgestelde tijd kwam en zijn Heer tot hem sprak, zeide hij: “Mijn Heer, toon U aan mij, opdat ik U moge aanschouwen.” Hij (Allah) antwoordde: “Gij zult Mij stellig niet kunnen aanschouwen, maar kijk naar de berg en als deze op zijn plaats blijft, dan zult gij Mij wel kunnen zien.” En toen zijn Heer Zich op de berg openbaarde, brak deze in stukken en Mozes viel bewusteloos neder. En toen hij tot zichzelf kwam, zeide hij: “Heilig zijt Gij, ik wend mij tot U en ik ben de eerste der gelovigen.”
Walamma jaa moosa limeeqatina wakallamahu rabbuhu qala rabbi arinee anthur ilayka qala lan taranee walakini onthur ila aljabali fa-ini istaqarra makanahu fasawfa taranee falamma tajalla rabbuhu liljabali jaAAalahu dakkan wakharra moosa saAAiqan falamma afaqa qala subhanaka tubtu ilayka waana awwalu almu/mineena

144. Allah zeide: “O, Mozes, Ik heb u door Mijn boodschappen en Mijn woord boven de volkeren uitverkoren. Houd u daarom vast aan hetgeen Ik u heb gegeven en behoor tot de dankbaren.”
Qala ya moosa innee istafaytuka AAala alnnasi birisalatee wabikalamee fakhuth ma ataytuka wakun mina alshshakireena

145. En Wij schreven op de tafelen allerhande raad en uitleg voor alles. Houd u er aan en beveel uw volk, dit alles stipt op te volgen. Ik zal u weldra de verblijfplaats der overtreders tonen.
Wakatabna lahu fee al-alwahi min kulli shay-in mawAAithatan watafseelan likulli shay-in fakhuthha biquwwatin wa/mur qawmaka ya/khuthoo bi-ahsaniha saoreekum dara alfasiqeena

146. Ik zal voorzeker degenen, die ten onrechte trots handelen op aarde weldra van Mijn tekenen afkeren; en hoewel zij alle tekenen zien, zullen zij er niet in geloven, en als zij het pad der rechtvaardigheid zien zullen zij dit als weg niet aanvaarden, maar indien zij het pad der dwaling zien, zullen zij deze als weg wel inslaan. Dat komt, omdat zij Onze tekenen verloochenden en er onachtzaam op waren.
Saasrifu AAan ayatiya allatheena yatakabbaroona fee al-ardi bighayri alhaqqi wa-in yaraw kulla ayatin la yu/minoo biha wa-in yaraw sabeela alrrushdi la yattakhithoohu sabeelan wa-in yaraw sabeela alghayyi yattakhithoohu sabeelan thalika bi-annahum kaththaboo bi-ayatina wakanoo AAanha ghafileena

147. En zij, die Onze tekenen en de laatste Ontmoeting verloochenen – hun werken zullen verloren gaan. Zullen zij worden beloond, anders dan voor hetgeen zij deden?
Waallatheena kaththaboo bi-ayatina waliqa-i al-akhirati habitat aAAmaluhum hal yujzawna illa ma kanoo yaAAmaloona

148. En het volk van Mozes maakte van hun sieraden in zijn afwezigheid het lichaam van een kalf – dat een loeiende toon voortbracht. Zagen zij niet, dat het niet tot hen kon spreken, noch hen naar een goede weg leiden? Zij namen het, (als hun god) en zij waren overtreders.
Waittakhatha qawmu moosa min baAAdihi min huliyyihim AAijlan jasadan lahu khuwarun alam yaraw annahu la yukallimuhum walayahdeehim sabeelan ittakhathoohu wakanoo thalimeena

149. Toen zij wroeging gevoelden en zagen, dat zij inderdaad gedwaald hadden, zeiden zij: “Als onze Heer ons geen barmhartigheid betoont en ons vergeeft, zullen wij gewis tot de verliezers behoren.”
Walamma suqita fee aydeehim waraaw annahum qad dalloo qaloo la-in lam yarhamna rabbuna wayaghfir lana lanakoonanna mina alkhasireena

150. En toen Mozes verontwaardigd en bedroefd tot zijn volk terugkeerde, zeide hij: “Hetgeen gij in mijn afwezigheid deedt, was slecht. Hebt gij u gehaast vََr het gebod van uw Heer?” En hij legde de tafelen neder en greep zijn broeders haar en sleepte hem naar zich toe. Hij (Aنron) zeide: “Zoon van mijn moeder, het volk achtte mij inderdaad zwak en wilde mij doden. Laat zich de vijanden daarom niet over mij verblijden en plaats mij niet bij het onrechtvaardige volk.”
Walamma rajaAAa moosa ila qawmihi ghadbana asifan qala bi/samakhalaftumoonee min baAAdee aAAajiltum amra rabbikum waalqa al-alwaha waakhatha bira/si akheehi yajurruhu ilayhi qala ibna omma inna alqawma istadAAafoonee wakadoo yaqtuloonanee fala tushmit biya al-aAAdaa walatajAAalnee maAAa alqawmi alththalimeena

151. Hij (Mozes) zeide: “Mijn Heer, vergeef mij en mijn broeder en laat ons tot Uw barmhartigheid toe want Gij zijt de Allergenadigste.
Qala rabbi ighfir lee wali-akhee waadkhilna fee rahmatika waanta arhamu alrrahimeena

152. Voorzeker, degenen die het kalf aanbaden zal de toorn van hun Heer en de vernedering in het tegenwoordig leven treffen En zo bejegenen Wij degenen, die een leugen verzinnen.
Inna allatheena ittakhathoo alAAijla sayanaluhum ghadabun min rabbihim wathillatun fee alhayati alddunya wakathalika najzee almuftareena

153. Doch diegenen die kwaad doen en daarna berouw tonen en geloven, voorzeker uw Heer is dan Vergevensgezind, Genadevol.
Waallatheena AAamiloo alssayyi-ati thumma taboo min baAAdihawaamanoo inna rabbaka min baAAdiha laghafoorun raheemun

154. Toen Musa (Mozes)’ toorn was gekalmeerd, nam hij de tafelen en er was leiding en barmhartigheid in het geschrift voor degenen, die hun Heer vrezen.
Walamma sakata AAan moosa alghadabu akhatha al-alwaha wafee nuskhatiha hudan warahmatun lillatheena hum lirabbihim yarhaboona

155. En Mozes koos voor Onze ontmoeting zeventig mannen van zijn volk. Maar toen de aardbeving hen achterhaalde, zeide hj: “Mijn Heer, als het U had behaagd, kondet, Gij hen en mij voordien reeds hebben vernietigd. Wilt Gij ons verdelgen voor hetgeen de dommen onder ons hebben gedaan? Dit is niets dan een beproeving van U. Gij laat daardoor dwalen wie Gij wilt en Gij leidt wie Gij wilt. Gij zijt onze Beschermer , vergeef one daarom en toon ons barmhartigheid en Gij zijt de Beste Vergevensgezinde.”
Waikhtara moosa qawmahu sabAAeena rajulan limeeqatina falammaakhathat-humu alrrajfatu qala rabbi law shi/ta ahlaktahum min qablu wa-iyyaya atuhlikuna bima faAAala alssufahao minna in hiya illa fitnatuka tudillu biha man tashao watahdee man tashao anta waliyyuna faighfir lanawairhamna waanta khayru alghafireena

156. “En verorden het goede voor ons in deze wereld en in het Hiernamaals; wij zijn tot U gekomen.” Allah antwoordde: “Ik zal Mijn straf opleggen aan wie Ik wil, maar Mijn barmhartigheid omvat alle dingen. Zo zal Ik het verordenen voor degenen die Mij vrezen en de Zakaat betalen en voor hen die in Onze tekenen geloven.”
Waoktub lana fee hathihi alddunya hasanatan wafee al-akhirati innahudna ilayka qala AAathabee oseebu bihi man ashao warahmatee wasiAAat kulla shay-in fasaaktubuha lillatheena yattaqoona wayu/toona alzzakata waallatheena hum bi-ayatina yu/minoona

157. “Hun, die de boodschapper, de reine profeet volgen, die zij in de Torah en het Evangelie beschreven vinden, legt hij het goede op en verbiedt het kwade, veroortooft hun de goede dingen en verbiedt de slechte en ontheft hen van de last en de kluisters die hen bonden. Zij, die in hem geloven en hem eren en ondersteunen en het licht dat met hem is nedergezonden volgen, zullen gewis slagen.
Allatheena yattabiAAoona alrrasoola alnnabiyya al-ommiyya allathee yajidoonahu maktooban AAindahum fee alttawrati waal-injeeli ya/muruhum bialmaAAroofi wayanhahum AAani almunkari wayuhillu lahumu alttayyibati wayuharrimu AAalayhimu alkhaba-itha wayadaAAu AAanhum israhum waal-aghlala allatee kanat AAalayhim faallatheena amanoo bihi waAAazzaroohu wanasaroohu waittabaAAoo alnnoora allathee onzila maAAahu ola-ika humu almuflihoona

158. Zeg: “O mensdom, ik ben u allen tot een boodschapper van Allah, aan Wie het koninkrijk der hemelen en der aarde behoort. Er is geen God naast Hem. Hij geeft het leven en doet sterven. Gelooft daarom in Allah en Zijn boodschapper, de reine Profeet, die in Allah en Zijn woorden gelooft en volgt hem opdat gij recht geleid moogt worden.”
Qul ya ayyuha alnnasu innee rasoolu Allahi ilaykum jameeAAan allathee lahu mulku alssamawati waal-ardi la ilaha illa huwa yuhyee wayumeetu faaminoo biAllahi warasoolihi alnnabiyyi al-ommiyyi allathee yu/minu biAllahi wakalimatihi waittabiAAoohu laAAallakum tahtadoona

159. Er is een deel van het volk van Mozes dat tot waarheid aanspoort en daarmede rechtvaardig handelt.
Wamin qawmi moosa ommatun yahdoona bialhaqqi wabihi yaAAdiloona

160. En Wij verdeelden hen in twaalf stammen, als afzonderlijke volkeren. En Wij openbaarden aan Mozes, toen zijn volk om drinken vroeg: “Sla de rots met uw staf” en er ontsprongen twaalf bronnen aan: elke stam kende zijn drinkplaats. En Wij deden wolken hen overschaduwen en Wij zonden Manna en kwartels voor hen neder. “Eet van de goede dingen, waarmede Wij u hebben voorzien.” En zij deden Ons geen onrecht aan, maar zij schaadden zichzelf.
WaqattaAAnahumu ithnatay AAashrata asbatan omaman waawhaynaila moosa ithi istasqahu qawmuhu ani idrib biAAasaka alhajara fainbajasat minhu ithnata AAashrata AAaynan qad AAalima kullu onasin mashrabahum wathallalna AAalayhimu alghamama waanzalna AAalayhimu almanna waalssalwa kuloo min tayyibati ma razaqnakum wama thalamoona walakin kanoo anfusahum yathlimoona

161. En toen er tot hen werd gezegd: “Woont in deze stad en eet ervan waar gij ook wilt en zegt: ‘God, verlicht onze last’, en gaat de poort in nederigheid binnen, Wij zullen u uw tekortkomingen vergeven. Wij zullen meer geven aan hen die goed doen.”
Wa-ith qeela lahumu oskunoo hathihi alqaryata wakuloo minha haythu shi/tum waqooloo hittatun waodkhuloo albaba sujjadan naghfir lakum khatee-atikum sanazeedu almuhsineena

162. Maar de onrechtvaardigen onder hen vervingen het woord door een ander dat niet tot hen was gesproken. Daarom zonden Wij een kastijding van de hemel over hen neder omdat zij onrechtvaardig waren.
Fabaddala allatheena thalamoo minhum qawlan ghayra allathee qeela lahum faarsalna AAalayhim rijzan mina alssama-i bima kanoo yathlimoona

163. En vraag hun omtrent de stad, die aan de zee lag. Toen zij de Sabbath ontheiligden verscheen vis op hun Sabbath aan de oppervlakte van het water, maar de dag waarop zij geen Sabbath hielden kwam zij niet tot hen. Zo beproefden Wij hen omdat zij overtreders waren.
Wais-alhum AAani alqaryati allatee kanat hadirata albahri ithyaAAdoona fee alssabti ith ta/teehim heetanuhum yawma sabtihim shurraAAan wayawma la yasbitoona la ta/teehim kathalika nabloohum bimakanoo yafsuqoona

164. Toen een gedeelte hunner zeide: “Waarom predikt gij tot een volk dat Allah wil vernietigen of met een strenge kastijding gaat straffen?” Het andere deel antwoordde: “Als een verontschuldiging tegenover uw Heer en opdat zij rechtvaardig mogen worden.”
Wa-ith qalat ommatun minhum lima taAAithoona qawman Allahu muhlikuhum aw muAAaththibuhum AAathaban shadeedan qaloo maAAthiratan ila rabbikum walaAAallahum yattaqoona

165. En toen zij de vermaning vergaten redden Wij degenen die het kwade verboden en grepen de onrechtvaardigen met een strenge straf aan, omdat zij verkeerd handelden.
Falamma nasoo ma thukkiroo bihi anjayna allatheena yanhawna AAani alssoo-i waakhathna allatheena thalamoo biAAathabin ba-eesin bima kanoo yafsuqoona

166. En toen zij overtraden, hetgeen hun was verboden, zeiden Wij tot hen: “Weest verachte apen.”
Falamma AAataw AAan ma nuhoo AAanhu qulna lahum koonoo qiradatan khasi-eena

167. En toen verkondigde uw Heer dat Hij dezulken zou zenden, die hen (de Joden) met een marteling zouden kwellen tot de dag der Opstanding. Voorzeker, uw Heer is vlug in vergelding en Hij is Vergevensgezind, Genadevol.
Wa-ith taaththana rabbuka layabAAathanna AAalayhim ila yawmi alqiyamati man yasoomuhum soo-a alAAathabi inna rabbaka lasareeAAu alAAiqabi wa-innahu laghafoorun raheemun

168. En Wij verdeelden hen in groepen over de aarde. Er zijn onder hen rechtvaardigen en er zijn onrechtvaardigen. Wij beproefden hen door voor- en tegenspoed, opdat zij zich mochten bekeren.
WaqattaAAnahum fee al-ardi omaman minhumu alssalihoona waminhum doona thalika wabalawnahum bialhasanati waalssayyi-ati laAAallahum yarjiAAoona

169. Na hen kwam er een boos geslacht dat het Boek erfde. Zij namen de goederen van deze wereld en zeiden: “Het zal ons worden vergeven.” Maar als meer dergelijke goederen tot hen kwamen zouden zij deze ook hebben genomen. Werd de belofte in het Boek, dat zij van Allah slechts de waarheid zouden spreken, niet van hen afgenomen? En hebben zij hetgeen er in staat, niet gelezen? En het tehuis van het Hiernamaals is beter voor degenen, die (God) vrezen. Begrijpt gij dat niet?
Fakhalafa min baAAdihim khalfun warithoo alkitaba ya/khuthoona AAarada hatha al-adna wayaqooloona sayughfaru lana wa-in ya/tihim AAaradun mithluhu ya/khuthoohu alam yu/khath AAalayhim meethaqu alkitabi an la yaqooloo AAala Allahi illa alhaqqa wadarasoo ma feehi waalddaru al-akhiratu khayrun lillatheena yattaqoona afala taAAqiloona

170. En die zich aan het Boek vasthouden en in het gebed volhardend zijn – voorzeker Wij doen de beloning der goeden niet verloren gaan.
Waallatheena yumassikoona bialkitabi waaqamoo alssalata inna lanudeeAAu ajra almusliheena

171. Toen Wij de berg (Sinaï) boven hen deden schudden alsof hij een losse bedekking was, dachten zij, dat deze op hen zou vallen; Wij zeiden: “Houdt u aan hetgeen Wij u hebben gegeven vast en gedenkt wat er in staat, opdat gij moogt worden behouden.”
Wa-ith nataqna aljabala fawqahum kaannahu thullatun wathannoo annahu waqiAAun bihim khuthoo ma ataynakum biquwwatin waothkuroo ma feehi laAAallakum tattaqoona

172. En toen uw Heer van Adams kinderen een nageslacht uit hun lendenen voortbracht, en hen deed getuigen over henzelf: “Ben ik uw Heer niet?” antwoordden zij: “Ja, wij getuigen” zodat gij op de Dag der Opstanding niet zoudt zeggen: “Wij waren ons hiervan zeker niet bewust.”
Wa-ith akhatha rabbuka min banee adama min thuhoorihimthurriyyatahum waashhadahum AAala anfusihim alastu birabbikum qaloo bala shahidna an taqooloo yawma alqiyamati inna kunna AAan hathaghafileena

173. Of gij zolldt zeggen: “Het waren alleen onze vaderen die afgoderij bedreven en wij waren een geslacht na hen. Wilt Gij ons dan vernietigen om hetgeen de leugenaars deden?”
Aw taqooloo innama ashraka abaona min qablu wakunna thurriyyatan min baAAdihim afatuhlikuna bima faAAala almubtiloona

174. En zo verklaren Wij de tekenen opdat zij zich mogen bekeren.
Wakathalika nufassilu al-ayati walaAAallahum yarjiAAoona

175. En vertel hun het verhaal van de man die Wij Onze tekenen gaven, maar hij wendde zich af, daarom volgde Satan hem en hij werd verleid.
Waotlu AAalayhim nabaa allathee ataynahu ayatina fainsalakha minhafaatbaAAahu alshshaytanu fakana mina alghaweena

176. En indien Wij wilden, konden Wij hem er door verheffen doch hij verkoos de aarde en volgde zijn begeerten, hij is als een hond: als gij hem achtervolgt laat deze zijn tong (uit de bek) hangen en indien gij hem met rust laat steekt hij ook zijn tong uit. Dit is het geval van de mensen, die Onze tekenen verloochenen. Vertel daarom deze gelijkenis opdat zij mogen nadenken.
Walaw shi/na larafaAAnahu biha walakinnahu akhlada ila al-ardi waittabaAAa hawahu famathaluhu kamathali alkalbi in tahmil AAalayhi yalhath aw tatruk-hu yalhath thalika mathalu alqawmi allatheena kaththaboo bi-ayatina faoqsusi alqasasa laAAallahum yatafakkaroona

177. Slecht is de toestand van een volk dat Onze tekenen verloochent, het handelt onjuist tegen zichzelf.
Saa mathalan alqawmu allatheena kaththaboo bi-ayatina waanfusahum kanoo yathlimoona

178. Wie Allah leidt is op het rechte pad. En wie Hij laat dwalen, zal tot de verliezers behoren.
Man yahdi Allahu fahuwa almuhtadee waman yudlil faola-ika humu alkhasiroona

179. Voorwaar, Wij hebben menige djinn en mens geschapen wier einde de hel zal zijn. Zij hebben harten maar begrijpen er niet mede en zij hebben ogen maar zij zien er niet mede en zij hebben oren maar zij horen er niet mede. Zij zijn als vee, neen zij dwalen nog meer (dan dit), zij zijn de achtelozen.
Walaqad thara/na lijahannama katheeran mina aljinni waal-insi lahum quloobun la yafqahoona biha walahum aAAyunun la yubsiroona bihawalahum athanun la yasmaAAoona biha ola-ika kaal-anAAami bal hum adallu ola-ika humu alghafiloona

180. Aan Allah behoren alle goede eigenschappen. Roept Hem daarbij aan. En laat degenen, die ten opzichte van Zijn eigenschappen van de rechte weg afwijken, met rust. Hun zal worden vergolden naar hetgeen zij hebben bedreven.
Walillahi al-asmao alhusna faodAAoohu biha watharoo allatheena yulhidoona fee asma-ihi sayujzawna ma kanoo yaAAmaloona

181. En er is onder hen die Wij hebben geschapen een volk, dat de mensen met waarheid leidt en rechtvaardig oordeelt.
Wamimman khalaqna ommatun yahdoona bialhaqqi wabihi yaAAdiloona

182. En degenen, die Onze tekenen verwerpen zullen Wij geleidelijk aangrijpen, op een wijze die zij niet verwachten.
Waallatheena kaththaboo bi-ayatina sanastadrijuhum min haythu layaAAlamoona

183. Ik geef hun uitstel. Mijn plan is voorzeker machtig.
Waomlee lahum inna kaydee mateenun

184. Hebben zij er niet over nagedacht dat er in hun metgezel (Mohammed) geen krankzinnigheid is? Hij is slechts een duidelijk waarschuwer.
Awa lam yatafakkaroo ma bisahibihim min jinnatin in huwa illanatheerun mubeenun

185. Hebben zij het koninkrijk der hemelen en der aarde en alle dingen die Allah geschapen heeft, niet bekeken? En dat hun termijn waarschijnlijk reeds naderbij is gekomen? In welk woord zullen zij dan daarna geloven?
Awalam yanthuroo fee malakooti alssamawati waal-ardi wama khalaqa Allahu min shay-in waan AAasa an yakoona qadi iqtaraba ajaluhum fabi-ayyi hadeethin baAAdahu yu/minoona

186. En wie Allah laat dwalen, voor hem kan er geen gids zijn. Hij laat dezulken in hun koppigheid blindelings zwerven.
Man yudlili Allahu fala hadiya lahu wayatharuhum fee tughyanihim yaAAmahoona

187. Vragen zij u omtrent het uur, wanneer het zal plaatsvinden? Zeg: “De kennis daarvan is slechts bij mijn Heer. Niemand dan Hij kan het op zijn tijd openbaren. Het rust zwaar op de hemel en op de aarde. Het zal slechts onverwacht tot u komen. Zij ondervragen u of gij er goed van op de hoogte zijt. Zeg: “De kennis er van is slechts bij Allah, maar de meeste mensen weten het niet.”
Yas-aloonaka AAani alssaAAati ayyana mursaha qul innama AAilmuhaAAinda rabbee la yujalleeha liwaqtiha illa huwa thaqulat fee alssamawati waal-ardi la ta/teekum illa baghtatan yas-aloonaka kaannaka hafiyyun AAanha qul innama AAilmuha AAinda Allahi walakinna akthara alnnasi layaAAlamoona

188. Zeg: “Ik heb buiten hetgeen Allah wil, geen macht over goed of kwaad voor mijzelf. En als ik het onzienlijke kende zou ik een overvloed van goed hebben bemachtigd en het kwade zou mij niet hebben gedeerd. Ik ben slechts een waarschuwer en een drager van goede tijding voor een volk dat gelooft.”
Qul la amliku linafsee nafAAan wala darran illa ma shaa Allahu walaw kuntu aAAlamu alghayba laistakthartu mina alkhayri wama massaniya alssoo-o in ana illa natheerun wabasheerun liqawmin yu/minoona

189. Hij is het, Die u uit een enkele ziel heeft geschapen en daaruit haar gade maakte, opdat deze troost in haar mocht vinden. En nadat hij haar bekend heeft, draagt zij een lichte last en gaat er mede rond. En wanneer deze zwaar wordt, bidden zij beiden tot Allah hun Heer: “Als Gij ons een goed kind geeft, zullen wij zeker tot de dankbaren behoren.”
Huwa allathee khalaqakum min nafsin wahidatin wajaAAala minhazawjaha liyaskuna ilayha falamma taghashshaha hamalat hamlan khafeefan famarrat bihi falamma athqalat daAAawa Allaha rabbahuma la-in ataytanasalihan lanakoonanna mina alshshakireena

190. Maar als Hij hun een welgeschapen kind geeft, schrijven zij deelgenoten aan Hem toe, betreffende hetgeen Hij hun beiden heeft gegeven. Maar Allah is verheven boven hetgeen zij met Hem vereenzelvigen.
Falamma atahuma salihan jaAAala lahu shurakaa feema atahumafataAAala Allahu AAamma yushrikoona

191. Stellen zij iets (aan Hem) gelijk dat niets geschapen heft, terwijl zijzelf zijn geschapen?
Ayushrikoona ma la yakhluqu shay-an wahum yukhlaqoona

192. En zij kunnen anderen geen hulp verlenen noch kunnen zij zichzelf helpen.
Wala yastateeAAoona lahum nasran wala anfusahum yansuroona

193. En als gij hen tot leiding roept zullen zij u niet volgen. Het is gelijk of gij hen roept of zwijgt.
Wa-in tadAAoohum ila alhuda la yattabiAAookum sawaon AAalaykum adaAAawtumoohum am antum samitoona

194. Degenen die jullie buiten Allah aanroepen zijn slaven zoals jullie; dus roep hen aan en laat hen dan jullie antwoorden, als jullie de waarheid spreken.
Inna allatheena tadAAoona min dooni Allahi AAibadun amthalukum faodAAoohum falyastajeeboo lakum in kuntum sadiqeena

195. Hebben zij voeten waarmee zij lopen, of hebben zij handen waarmee zij vasthouden, of hebben zij ogen waarmee zij zien, of hebben zij oren waarmee zij horen? Zeg: Roep jullie afgoden aan en beraam dan jullie plannen tegen mij en verleen mij geen uitstel.
Alahum arjulun yamshoona biha am lahum aydin yabtishoona biha am lahum aAAyunun yubsiroona biha am lahum athanun yasmaAAoona bihaquli odAAoo shurakaakum thumma keedooni fala tunthirooni

196. Waarlijk, mijn Beschermer is alleen Allah Die het Boek (de Koran) heeft geopenbaard. En Hij is de Beschermer der goeden.
Inna waliyyiya Allahu allathee nazzala alkitaba wahuwa yatawallaalssaliheena

197. En zij, die gij naast Hem aanroept hebben geen macht om u te helpen noch kunnen zij zichzelf helpen.
Waallatheena tadAAoona min doonihi la yastateeAAoona nasrakum wala anfusahum yansuroona

198. En als gij hen tot leiding uitnodigt horen zij u niet. En gij ziet hen naar u kijken maar zij zien niet.
Wa-in tadAAoohum ila alhuda la yasmaAAoo watarahum yanthuroona ilayka wahum la yubsiroona

199. Neig u tot vergiffenis en spoor tot vriendelijkheid aan en wend u van de onwetenden af.
Khuthi alAAafwa wa/mur bialAAurfi waaAArid AAani aljahileena

200. En als een boze ingeving van Satan u (tot het kwade) aanspoort, zoek dan uw toevlucht bij Allah; voorzeker, Hij is Alhorend, Alwetend.
Wa-imma yanzaghannaka mina alshshaytani nazghun faistaAAithbiAllahi innahu sameeAAun AAaleemun

201. Wanneer een bezoeking van de duivel hen teistert, dan worden degenen die zich hoeden voor het kwaad indachtig, en jawel! Zij zien.
Inna allatheena ittaqaw itha massahum ta-ifun mina alshshaytani tathakkaroo fa-itha hum mubsiroona

202. En hun broeders doen hen verder afdwalen, dan houden zij daar niet mee op.
Wa-ikhwanuhum yamuddoonahum fee alghayyi thumma la yuqsiroona

203. En als jij hen geen teken brengt, zeggen zij: Waarom eis je er geen? Zeg: Ik volg slechts wat er door mijn Heer aan mij wordt geopenbaard. Dit zijn duidelijke bewijzen van jullie Heer en een leidraad en een genade voor een volk dat gelooft.
Wa-itha lam ta/tihim bi-ayatin qaloo lawla ijtabaytaha qul innamaattabiAAu ma yooha ilayya min rabbee hatha basa-iru min rabbikum wahudan warahmatun liqawmin yu/minoona

204. En wanneer de Koran wordt voorgedragen, luistert er naar en weest stil, opdat u barmhartigheid moge geschieden.
Wa-itha quri-a alqur-anu faistamiAAoo lahu waansitoo laAAallakum turhamoona

205. En gedenk jullie Heer in jullie zelf, nederig en met vrees, en niet met luide stem, ’s ochtends en ’s avonds, en behoor niet tot de onachtzamen.
Waothkur rabbaka fee nafsika tadarruAAan wakheefatan wadoona aljahri mina alqawli bialghuduwwi waal-asali wala takun mina alghafileena

206. Waarlijk, degenen die dicht bij uw Heer zijn wenden zich niet met trots van Zijn aanbidding af doch zij verheerlijken Hem en werpen zich voor Hem neder.
Inna allatheena AAinda rabbika la yastakbiroona AAan AAibadatihi wayusabbihoonahu walahu yasjudoona

alanaam-vorigesurahhoofdstuk-svAllahalanfaal-volgendesurahhoofdstuk-svAllah


De titel van dit hoofdstuk komt van de vermelding van Al-A‘rāf, ofwel De Verheven Plaatsen. Op deze plaatsen staan de rechtschapen dienaren van Allāh, die op volmaakte wijze de wegen van waarheid en goedheid bewandelen.

Het belangrijkste thema van dit hoofdstuk is de waarheid van de Goddelijke openbaring, hoewel er ook sporadisch wordt gerefereerd aan de doctrine van de Goddelijke eenheid. Vandaar dat er wordt verwezen naar de geschiedenissen van de voorgaande profeten.

Het vorige hoofdstuk gaat vooral over de leer van de Goddelijke Eenheid, terwijl dit gaat over de waarheid van de openbaring. Aangezien de twee onderwerpen nauw samenhangen, vult dit hoofdstuk het vorige aan. Daar waar de slotparagraaf van dat hoofdstuk over de openbaring van de Qoer-ān gaat, opent dit hoofdstuk passend met een verklaring over de Goddelijke bron van de openbaring die is opgenomen in de Heilige Qoer-ān.

One thought on “7. Al-Aa’raaf (De Verheven Plaatsen)

  1. Pingback: De 3 types van de Nafs | STUDENT VAN ALLAH

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s